Geschiedenis.
Het eerste bier
Wie het bier brouwen heeft uitgevonden zullen wij wel nooit meer kunnen achterhalen. Uit de oudste, tot
nog toe gevonden, kleitabletten, hebben wetenschappers opgemaakt dat de mens zo'n 6000 jaar geleden al
een drank bereidde, die veel op ons huidige bier lijkt. De eerste bier brouwers en -drinkers waren de
Sumeriërs, die ruim 3500 v.Chr. leefden in Mesopotamië, het gebied tussen de rivieren de Eufraat en de
Tigris, nu behorend tot Irak.
Zij gebruikten verscheidene soorten graan, waaronder gerst, tarwe en spelt. Het brouwproces toen
verliep wel iets anders dan nu.
Men bakte eerst een brood, dat verkruimeld en geweekt werd. Het aldus ontstane beslag werd vergist,
volgens sommige wetenschappers met gist, volgens anderen met menselijk speeksel. Het bier werd vaak gezoet
met honing en gekruid met allerlei specerijen.
Sumeriërs, Babyloniërs, Assyriërs, Egyptenaren en Romeinen
De Sumeriërs gaven de brouwkunst door aan de Babyloniërs, die het bierbrouwen verder ontkkelden.
Zij gebruikten reeds hop en maakten bieren van uiteenlopende smaken en sterkten. De Assyriërs namen het
brouwen over van de Babyloniërs en gaven het op hun beurt weer door aan de Egyptenaren. Via de Egyptenaren
en de Romeinen kwam het bier terecht bij de Germaanse en Keltische stammen. Ook door de vele volksverhuizingen
rond en na het begin van onze jaartelling kwam het gebruik van bier naar Noordwest-Europa. Caesar kwam het
bier bij zijn veroveringen overal tegen.
Dat Westeuropese bier werd uit vele zetmeelhoudende gewassen gebrouwen. Uiteraard gebruikte men granen,
zoals gerst, tarwe, rogge en spelt, maar ook b.v. aardappelen. Om het bier te kruiden gebruikte men nog geen hop.
Het gebruik van hop kwam pas in de 11de eeuw (via Rusland en Italië) bij ons in zwang. In plaats van hop
gebruikte men diverse kruiden, waaronder rozemarijn en gagel de bekendste waren. Rozemarijn leverde de bittere
smaak en gagel de giststof. Deze verzameling kruiden, aangevuld met tientallen andere kruiden en geschroten
graan, noemde men gruit (gruit = geschoten graan).
Brouwers
Bier brouwen was één van de taken van de huisvrouw. Naast brood bakken en wassen, brouwde zij voor het
gezin een stevig potje bier. In sommige Scandinavische streken komt dit gebruik nog voor. Om in hun
levensonderhoud te voorzien, brouwden ook kloosterlingen (monnikken en nonnen) verschillende bieren.
In St.Gallen in Zwitserland is een kloosterbrouwerij gedeeltelijk bewaard gebleven, die dateert uit 820.
In Nederland was het bier uit het Cisterciënzer abdij in Aduard (1192) beroemd.
Naast het thuis brouwen kwam ook het zogenaamde koopbrouwen door ambachtslieden in gebruik. Voor het
eerst is er sprake van een bierbrouwer als ambachtsman in de Capitulare de Villis van Karel de Grote in 812.
In de 9de en de 10de eeuw nam het koopbrouwen overal in Europa toe. Het bracht de landsheren namelijk een
aardige duit op. Als een soort indirecte belasting werd als eerste het gruitrecht (van het eerdergenoemde gruit)
ingevoerd. De brouwers, die gruit gebruikten, moesten aan de landsheren, op wiens grond het gruit geoogst werd,
belasting betalen. Aanvankelijk bezat alleen de landsheer het gruitrecht, doch deze verpachtte het recht van
het verkopen van gruit aan de brouwer. Dit recht was in b.v. Thüringen tot laat in de 19de eeuw in gebruik.
Met de koopbrouwer was ook de commerciële brouwerij geboren.
Aangezien de brouwer weinig concurrentie ondervond van de wijnboeren en er ook nog geen koffie, thee
en limonade bestond én het water in de beken en rivieren onbetrouwbaar was, verdienden zij zeer goed.
Brouwerijen
Het aantal brouwerijen steeg gestaag. Steden met meer dan 100 brouwerijen waren geen uitzondering
(Amersfoort, Delft, Haarlem, Gouda e.v.a.) De brouwers, die zich verenigden in gilden, waren vaak de
machtigste kooplieden in de stad of de streek. In sommige steden is in oude kerken nog aan het aantal
altaren van de brouwersgilden de rijkdom en macht af te lezen. Men beweert zelfs dat de overwinning op de
Spanjaarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog grotendeels met bieraccijnzen gefinancierd is.
Ontwikkelingen
Vreemd genoeg heeft de groei in de brouwnering in de 13de tot en met de 18de eeuw weinig ontwikkelingen
in brouwtechnisch opzicht met zich meegebracht. Wel kreeg men de teelt en het verbouwen van grondstoffen
redelijk onder de knie. Veel dank zijn wij daarbij verschuldigd aan de monnikken en nonnen, die al die
eeuwen t.b.v. de brouwer nuttig werk hebben gedaan.
Kennelijk hadden de brouwers in de periode van bloei weinig tijd voor innovatie. Zij waren wel inventief.
Velen bedachten allerlei trucjes om met zo min mogelijk grondstoffen zo veel mogelijk liters te produceren.
Om uitwassen tegen te gaan vaardigden diverse vorsten voorschriften uit.
Reinheitsgebot
Het meest bekende is het z.g. Reinheitsgebot, dat keurvorst Wilhelm IV van Beieren in 1516 uitvaardigde.
Het is het oudste nog steeds van kracht zijnde levensmiddelvoorschrift.
Ook de gildeleden hielden een oogje in het zeil. Knoeiers werden gemeden en bestraft.
Vele stadsbestuurders riepen het z.g. Mijlenrecht in het leven. Binnen een bepaald aantal mijlen van
de stadsgrens mocht uitsluitend een bepaald bier gebrouwen of geschonken worden. Illegale brouwerijen en
schenkerijen werden door de plaatselijke politie gesloopt. Een stad als Den Haag viel onder het Delftse
mijlenrecht en heeft derhalve eeuwenlang met de bestuurders van Delft geruzied.
Technologie
De grote en belangrijkste technologische ontwikkelingen in de brouwerij kwamen pas na ongeveer 1800.
Kennis van scheikunde en biologie ontwikkelden zich gestaag en werden serieuze wetenschappen. De alchimist
van de middeleeuwen werd langzamerhand chemicus, scheikundige.
Diverse scheikundigen hielden zich met bier bezig.
In 1788 werd door de Brit Richardson de sacharimeter uitgevonden. Dat is een toestel om het suikergehalte
van/in een vloeistof te bepalen. Carl Balling, een Boheems scheikundige, publiceerde in 1854 een schaal om op
de saccharo- of sacharimeter de percentages sucrose (rietsuiker) af te lezen. Ballings uitvinding was weer
de basis voor de Duitse scheikundige A. Brix, die de sacharimeter perfectioneerde. De Duitser Plato
publiceerde in 1900 een verbeterde schaal, die nog steeds wordt gebruikt.
Enzymen
Payen ontdekte in 1833 de diastase: het enzym dat de omzetting van het zetmeel in suiker teweegbrengt. Buchner, ook een Duitse wetenschapper, ontdekte nog een enzym in 1897, de z.g. zymase, het enzym in gist dat de splitsing van suiker in koolzuurgas en alcohol veroorzaakt. Hij kreeg er in 1907 zelfs de Nobelprijs voor.
Intussen had de Franse chemicus Louis Pasteur rond 1890 de vergisting verklaard. Hij ontdekte ook dat als men het bier voor het afvullen verhitte tot 70-80?C., diverse bacteriën en de gist stierven en daardoor geen schade konden aanrichten. Dit proces werd naar hem vernoemd: pasteuriseren.
Gistonderzoek
Onder de brouwers zat ook een aantal knappe koppen. De Deense brouwers Jacobsen en Hansen van de Carlsbergbrouwerij in Kopenhagen ontdekten eind vorige eeuw diverse gistrassen. Hansen ging verder met het gistonderzoek. Hij is de "vader" van de reincultuurgist. Dit gistras, dat hij in 1883 speciaal voor de ondergistende bieren ontwikkelde, draagt dan ook de naam saccharomyces carlsbergensis.
Ijsmachine
In 1879 werd één van de voor ons meest belangrijke apparaten uitgevonden door de Duitser Carl von Linde: de ijsmachine. Vanaf dat jaar kon elke brouwer zijn bier het gehele jaar door koel houden.
Ook Nederlandse brouwers deden een duit in het zakje. De Amsterdamse brouwmeester Wilhelm Feltmann, een goede vriend van Von Linde, verbeterde het brouwproces en legde de basis voor een bier dat een eeuw later zowat overal ter wereld gedronken wordt. En de Nederlandse biochemicus Albert Jan Kluyver deed belangrijke ontdekkingen op het gebied van de gisting. Naar hem is zelfs een wilde gist vernoemd.
Daarnaast ontwikkelde Nederland zich als expertisecentrum voor de telers van brouwgerst. Het Nederlands Instituut voor Brouwgerst en Mout in Zeist geniet reeds decennia wereldwijd vermaardheid als onderzoekscentrum voor b.v. de veredeling van brouwgerstrassen.
Landelijke cijfers
Zoals gemeld telden sommige steden in de 15de en 16de eeuw meer dan 100 brouwerijen. Landelijke cijfers van vóór 1800 zijn moeilijk te vinden. Een betrouwbaar cijfer komen we pas tegen in 1819. Toen bevonden er zich in de Nederlanden 678 brouwerijen. Hieronder treft u een lijst aan van het aantal brouwerijen in Nederland tot 1945.
1819 - 678
1858 - 466
1874 - 489
1885 - 530
1890 - 543
1900 - 503
1910 - 440
1920 - 257
1930 - 148
1940 - 98
1945 - 83
De teruggang van het aantal brouwerijen in bovengenoemde jaren is te wijten aan o.a. de invoering van accijnswetgeving, het in gebruik nemen van de stoommachine en de koelmachine en de verkoop van bier op fles. Vele brouwerijen konden, door een slechte bedrijfsvoering de technische ontwikkelingen niet bijbenen en invoeren. Ook de twee wereldoorlogen met de daartussen liggende crisistijd hebben de Nederlandse brouwerijen geen goed gedaan.
Daarnaast had men nogal wat concurrentie te verduren van de in zwang komende dranken als koffie, thee, melk en jenever. Voorts werd de oppositie tegen drankmisbruik sterker en sterker, vooral in de crisisjaren.
Tot slot speelde ook de toenemende milieuvervuiling een rol in steden als Gouda, Delft, Haarlem en Amersfoort. Vele brouwerijen gebruikten het grachten- en rivierwater, dat met de opkomende industrialisering vervuilde.
De ongeveer 80 brouwerijen die de W.O. II overleefden, hadden het in het na-oorlogse jaren zeer moeilijk. De aanvoer van grondstoffen, die in de oorlog nagenoeg stil lag, kwam moeilijk op gang. Vele brouwerijen waren incompleet omdat de bezetters het interieur hadden opgeëist of gesloopt. Door het lage bestedingsniveau van de burger en de afkeer van het slecht smakende "oorlogsbier" was het hoofdelijk verbruik rond 1949 gedaald tot 10 liter.
De ongeveer 60 brouwerijen, die in het begin van de jaren 1950 waren overgebleven zetten gezamenlijk een reclamecampagne op met de slogan: "het bier is weer best". Dit leidde niet tot een toename van het aantal bedrijven, maar wel van het hoofdelijk verbruik.
Sinds het eind van de jaren 1970 schommelt het hoofdelijk verbruik tussen de 85 en 90 liter. Daarentegen is de export van Nederlandse bier sinds 1970 bijna vertienvoudigd. Nederland is hiermee reeds jaren de grootste bierexporteur ter wereld!