OTTERSPOREN
(Ottertracks)
| 04 - De Otterspoordam & sluis |
|
|
|
|
||
| Last update 21-11-11 | Back to homepage |
03 - De polder Otterspoor - Broek
In 1846 wordt Otterspoor-Broek omschreven als een polder in het nederkwartier der provincie Utrecht. Deze polder beslaat volgens het kadaster eene oppervlakte van 352 bunder 33v. r. 27 v. ell., Waaronder ruim 512 bunder schotbaar land, telt 42 h. waaronder 16 boerderijen, en wordt door eenen watermolen, op de kerkgracht en de rivier de Vecht, van het overtollige water ontlast. Het land van deze polder ligt 1.13 ell. Onder Amsterdams Peil. Het polderbestuur bestaat uit eenen polderschout, drie heemraden en eenen secretaris. (03.01)
Koning Otto I schonk in het jaar 953 grote delen van het koninklijke goederenbezit aan de Utrechtse kerk, landerijen, bossen, wateren, waterlopen, visrechten en poelen en meren aan beide zijden van de Vecht, die met de Vecht in verbinding stonden. (03.02)
In de 10e eeuw was Otterspoor een oeverwal langs de Vecht tussen Breukelen en Maarssen, en het gebied ernaast nog een moerassig veengebied met een open verbinding met de Vecht. Het is mogelijk dat gebieden zoals Otterspoor reeds voor het begin van onze jaartelling bewoond waren.
In algemeenheid wordt er van uit gegaan dat de ontginning van de Otterspoor -Broek polder in de tweede helft van de 11e eeuw volgde op de ontginning van de Maarssenbroek polder.
Tussen ca. 1000 en 1300 werden grote delen van het Utrechtse laagland ontgonnen met behulp van het Cope systeem. Dit systeem bestond eruit, dat kavels grond ter grootte van 16 morgen (ca. 14 Ha.) in eigendom werden uitgegeven aan vrije boeren, als tegenprestatie voor het ontginnen en in cultuur brengen van de veenmoerassen. Dit gebeurde door het, vanuit de bewoonde oeverwallen, haaks op de rivier graven van afwateringssloten, waardoor kavels van 50 tot 60 meter breed ontstonden die geschikt gemaakt konden worden voor akkerbouw.
(tegelijkertijd zullen er dijken aangelegd zijn)
Deze ontginningen vielen waarschijnlijk, mede vanwege de bevolkingstoename, ten dele samen met de versterking van de oeverwallen tegen overstromingen. De bewoners van Breukelen hadden reeds voor 1100 een dijk aangelegd rond het ronde dorp. Het versterken van de oeverwallen tot dijken langs de rivieren werd noodzakelijk door een samenloop van omstandigheden.
-De daling van de ontgonnen polders door het inklinken van de veengrond vanwege de daling en afwatering van het grondwater op de rivieren
-De vermoedelijke stijging van de zeespiegel, waardoor in die tijd meerdere zware stormvloeden plaatsvonden.
-De Allerheiligen vloed van 1170 was zo desastreus, dat de Noordzee bij Texel door de duinenrij brak waardoor het ontstaan van de Zuiderzee begon. Deze storm zou ook het water tot Utrecht hebben opgestuwd. De Vecht werd daardoor een getijde rivier, waardoor de dijken mede ter bescherming van het achterland dienden (03.03)

(03.04) de begrenzing van Otterspoor-broek, Otterspoorbroekse dijk/Broekdijk, Haarrijn, Kortrijkse dijk, Broekkade
Volgens Arie Manten waren de Otterspoorbroekse dijk (de Broekwetering) en de Broekdijk reeds aangelegd om de boeren op het oude land te beschermen tegen wateroverlast. Waarschijnlijk stukje bij beetje. Verder was er een achterkade nodig om het veenwater te weren en om het hele gebied te kunnen ontginnen. Die kade kreeg later de naam Kortrijkse dijk. Aan de zuidzijde werd een zijkade aangelegd ter bescherming tegen het lozingswater van de Maarssenbroek. Via de noordelijke grenswetering, waar de dijk de Broekkade werd aangelegd, kon het water van de Otterspoor – broek op de Aa geloosd worden.
In de Otterspoorbroek werden in eerste aanleg 22 ontginningshoeven uitgegeven.
Gesteld wordt verder, dat er binnen de laat middeleeuwse grenzen ruimte was voor 28 hoeven in de Otterspoor –broek. (03.05)
De naam van de Polder is in de 17e, 18e eeuw niet altijd Otterspoor broek.
In de DTB’s word af en toe ook de naam Otterschen broek gebruikt.