


De stoomlogger
anno 1956 zoals ik die beleefd heb op de stoomfiets
Toen ik op de stoomlogger(fiets) ging varen in 1956 was het voor diverse reders in die tijd moeilijk om aan bemanning
te komen hetgeen ook kwam door de vele bedrijven die in zowel
Vlaardingen als Pernis in opkomst waren.
Maar ook dat er toen nieuwe Visserschepen in de vaart kwamen
met voor die tijd moderne faciliteiten, ook wel de
omgebouwde stoomfietsen hadden iets meer, een messroom, dit kon
doordat de stoomketel verwijderd was en de koelkast
verhoogd werd zodat deze ruimte gecreëerd kon worden.(de ombouw
aan dek boven de machine kamer werd de koelkast
genoemd)
De latere verbouwde stoomloggers zoals de VL 114 kregen een
douche maar het probleem was het water.
In april werden de loggers opgetuigd en opgeknapt geteerd
geverfd en het dek gekalefaterd om er zo mooi mogelijk uit te
zien met vlaggetjes dag het was ook de enige tijd dat deze
schepen er zo mooi uitzagen, dit kan ook niet anders want de
visserij vergde veel van de schepen.
Maar deze schepen uit die tijd konden het hebben.
Ik voer dus op een stoomfiets, naast kleding moest ook bedden
goed een sloop, kussen en twee dekens meegenomen worden
en ook beleg zoals jam, stroop en hagelslag ,mok, bord mes,
vork en lepel enz.
Melk, suiker, werd eens in de week door de stuurman uitgedeeld
aan de bemanning.
HET VOORIN

In het voorin waren 12 kooien, aan weerszijde 6 dus 2x 3 onder en 2x 3 bovenkooien languit
liggen was er niet bij,
daar was de ruimte niet
voor, in de kooi waren 1 of twee plankjes waar je spullen in kon leggen zoals
wekker enz.
Er was voor iedereen een kastje voor opslaan van ondergoed eten
enz dit waren kleine kastjes.
Als u de foto boven bekijkt ziet u die kastjes dit waren er vier
en bij de ingang naast de trap de rest.
Het olie goed hing ook naast de trap maar niet in een kast maar
aan een plank met haken, zoals u op de foto ziet stond
er een soort driehoek tafel daar konden aan weerszijde drie man
aan zitten om te eten de rest had zijn bordje naast zich
op de bank, wat als het schip erg slingerde problematisch was om
alles bij elkaar te houden.
Voor deze tafel stond een kolen kachel als u goed naar rechts op
de foto kijkt ziet u pijp van de
kachel.
Er was een houtenvloer in deze vooronders en onder de trap zat
een luik onder dat luik lagen tonnen met kolen en wat
lege tonnen als men deze er uit wilde halen moest de trap weggehaald worden.
Welnu in deze vooronders stond een kachel, er hing oliegoed wat
naar de haring en pekel stonk, er lag brood fruit,
drank enz en er werd in geleefd geslapen enz kunt u nagaan wat
een lucht er in hing, er kwamen dan ook bij vertrek
heel weinig familieleden in het voorin vanwege de lucht en dus
speelde het afscheid zich op de kade af.
De lengte van zo’n vooronder was ongeveer 4,50 meter deel dat
door drieën en heeft u de lengte van de kooien.
Boven het voorin zat een koekoek(een kap met twee openslaande
luikjes)om te ventileren, maar omdat er op
het voorschip geen bak zat konden deze niet altijd geopend zijn
i.v.m het buiswater.
Tevens hadden we in het voorin karbiet licht omdat voorzover ik
weet de lichtkar overdag niet aan stond, nou ja
lichtkar het apparaat moest nog met een lont en een slinger aan
de praatgemaakt worden.
De brug
De schipper sliep op de brug in de radio/kaarten kamer deze
logger had alleen een radio en een peiler die peiler ging
Via een kop telefoon dat was alles.
In de brug stond een groot stuurwiel deze wekte met kettingen die
naar beneden gingen via de kombuis naar het
achterdek daar ging de ketting aan een stang en daarna weer een
ketting naar het roer.
Het achter in
Onder het achterschip sliepen de stuurman, kok, machinist en de
stoker, in het achterin waren 5 kooien 2 aan weerszijde
veelal konden de machinist en stuurman hun kooi nog afzonderen
met een schuifdeur deze kooien stonden in de lengte
van het schip en er was een kooi dwars achterin het was dus van
oorsprong berekend op 5 man.

Zie foto hiernaast de brug van de VL 114
nog heel klein en smal.
Als u de foto hieronder bekijkt dan ziet
U dat later de brug groter gemaakt is
Dit komt toen deze loggers gebouwd werden stond er een smalle
brug op na de jaren en met de komst van de radio
zijn deze bruggen vergroot en is er een kooi voor de schipper
gemaakt.
Toen ik dus op de stoomfiets zat werd deze dwars kooi alleen
gebruikt voor de scheepsvoorraad spek enz.


Ik heb hier met witte lijntjes gemaakt waar u kunt zien waar de
verblijven
waren en dus een groot
gedeelte van het sociale leven zich afspeelde
tijden de reis die veelal enkele weken duurde.
Op deze foto kunt u ook zien hoe het schip achterover hangt dit
komt door
De machine en ketel maar zeker ook de kolen in de bunkers.
Op de foto hiernaast heb ik een vergroting gemaakt waarop de
koelkast zichtbaar
Is, zie lang wit dwars streepje de kappen(Koekoeks) twee korte
witte stippen
konden geopend worden voor meer ventilatie.
De andere streep is de luchtkoker daarvan stonden er twee op de
koelkast en
konden gedraaid worden i.v.m wind en overkomend water, tevens
zaten aan deze luchtkokers een deurtje en in de
koker een katrol met touw hiermee werden de emmers met as op
gehesen en over boord gezet(dit noemde men
assie wippen)dit as was uiteraard van de vuren van de ketel
afkomstig.
In mei vertrokken we na vlaggetjes dag naar de visgronden, voor
vertrek zaten diverse mannen pullen
bier te drinken
bij J, van Toor op de haven en werd ik door iemand van kantoor
daar naar toe gestuurd om te zeggen dat zij aan boord
moesten komen.
Als ik deze mededeling daar gaf aan de mannen werden er diverse
kreten geroepen die niet in woorden boeken of het
Visserslatijn voorkomen, en vlogen er klompen rond.
Maar uiteindelijk kwamen de mannen en werd er voor en achter
losgemaakt en voer het schip de haven
uit.
In het voorin stonden diverse kratten bier opgestapeld en er was
jenever en moutwijn meegenomen.
De jenever dronk men uit kleine lege mosterdpotjes en gedurende
twee dagen werd er stevig gedronken, na die twee dagen
was de drank op en waren we inmiddels bij de visgronden boven
Schotland aan gekomen.
De haring visserij begon in die tijd boven Schotland met de
maatjes haring ofwel de groene haring.
Naar mate de maanden verstreken gingen we steeds zuidelijker de
Engelse kust af en de laatste reis was
in het Kanaal
nabij de Engelse of Franse kust.
Het schot te boord

Het uitzetten van de drijfvleet a/b VL 97
Omstreeks vier uur na thee drinken werd de vleet uitgezet de
schotse vleet, aan deze netten die twee kilometer
in zee hingen zaten seizingen(touwen) de een ging naar de
reep(een dik touw met de lengte van de vleet)en werd vast
gebonden de ander naar de schotse blaas en vastgebonden.
De schipper stond op de voorplecht en bediende het voorroer
alvorens de netten in zee geworpen werden zette hij zijn
Pet af en zei “OP HOOP VAN ZEGEN”
Deze stoomlogger had geen bak(overkapping)op het voorschip het
bedienen van het voor roer ging doormiddel van
Touwen en katrollen welke aan de verschansing bevestigd werden,
doormiddel van een lange ijzeren pen kon men
Dit voorroer vast zetten.
Op de foto boven ziet u de vleet en de schotse blaas overboord
gaan deze schotse blazen zaten als ik me goed herinnerd
om de tien meter.
Aan de reep zaten met
touwtjes om de tien meter merkjes gebonden(deze noemde men de muis) daaraan
werd de
andere seizing gebonden op de halve vleet zat een joon een soort
grote dobber waar tussendoor de schepen konden varen.
Aan het eind van de vleet zat ook een Joon.
Reparatie reep
Op foto onder ziet u het joon in het want zitten vn de mast


Als u op de foto
boven kijkt ziet u het water tussen het voorroer lopen.
Op de foto boven ziet u dat een matroos de reep uit het reepruim
haalt om te repareren vermoedelijk zijn er merkjes(muizen)af
voor de winch ziet u een breel liggen dit houd in dat er ten
tijde van deze foto met de zinkvleet gevist werd deze vleet zat niet
aan schotse blazen maar aan houten breels, maar als je boven de
brug kijkt zie je de kegel met de punt omhoog dat hield in
dat er met de drijfvleet gevist werd. Voor de kenners in de brug
bij het raam staat de bekende Vlaardingse schipper
Fer van Schoor aan het roer.
Terug op de stoomfiets, bij het uitzetten van de vleet werd na de
halve vleet uitgezet te hebben van mannen gewisseld
het goed uitzetten bij de geesten op de verschansing was wel
vermoeiend van daar dat er gewisseld werd.
Nu hadden de mannen een matroos wijs gemaakt dat in zijn
uitgeschoten helft van de vleet de meeste haring zat en elke
keer zeiden ze dat dit zo was.
Omdat in zijn helft van de vleet elke keer zoveel meer haring zat
moest dat maar eens gevierd worden.
Ze hadden van een stoep een verplaatst baar podium gemaakt(een
stoep was een vlonder welke tussen het luikhoofd van
de nettenruimen geplaatst werd)door de stoep werden stokken
geplaatst op de stoep een kistje daar overheen een vlag
en daarover stukken netten met diverse vissen erin.
De gelukkige werd met roet vanaf het boven lichaam geheel
ingesmeerd de verders werd er op zijn lichaam met tandpasta
en jam kleuren op zijn lijf aangebracht en werd hij op het podium
gezet en doordat daar stokken doorheen zaten kon men
hem hieraan optillen en rond het schip versjouwen, de rest van de
bemanning trommelden op lege karbiet
vaten en uiten
Indianen kreten en dansten er raar bij.
De Engelse vissers in de buurt tuurden eerst met verre kijkers en
kwamen vlak langs passeren om naar het stelletje
halve zolen te kijken en als zo’n schip vlak langs voer deden ze
nog gekker.
Na afloop had men de koning van de vis zo bewerkt dat hij de
schipper ging wakker maken en vroeg om de leus de
schipper die aan zijn laatste haring teelt bezig was wist niet
wat hij zag toen de man met kachelroet en andere bewerkingen
hem wakker maakte maar ja wat moest die arme schipper ermee in
een tijd dat er geen bemanningen te krijgen waren
voor deze loggers.
Enige dagen erna was er een probleem met de stoomketel er was een
meter stuk gegaan en moest gerepareerd worden.
Hiervoor moesten we naar North
Shields voor reparatie we hebben nog nooit zoveel bekijks gehad want
daar lag nu
die boot met die gekke Hollanders.
De reepschieter was verliefd geworden in North Shields ondanks
dat we er geen dag gelegen hadden en heeft na
deze reis ontslag genomen en is zou op zoek gaan naar een coaster
die op North Shields voer.
Op zee werd er wel eens gezwommen bij het schip, de reepschieter
kon niet zwemmen en wilde ook in zee dit was geen
probleem er waren zwemvesten aan boord van die ouderwetse met
kurken daar omheen zat iets van soort zeil en met
een band kon je deze om je middel doen.
Dus werd om de middel van de reepschieter een kurken zwemvest
gebonden en kon hij in zee zwemmen met een lijn
aan het zwemvest, na enige tijd zei hij te kunnen zwemmen en
wilde zonder zwemvest, ondanks de bezwaren bemanning
dat hij niet kon zwemmen en drijven zonder zwemvest wilde hij
toch een duik nemen.
Men besloot toen maar om een touw om zijn middel te doen en een
stuk te vieren zodat hij een duik kon nemen.
Hij sprong van de verschansing af en ging naar beneden na drie
keer op en neer gegaan te zijn hebben zij de reepschieter
maar opgehaald en was hij er inmiddels toch achter gekomen dat
hij niet kon zwemmen en drijven zonder zwemvest.
Doordat de reepschieter die reis ontslag genomen had ben ik
reepschieter geworden.
Deze anekdote is echt gebeurd.
s’Nachts om 01.00 uur was het halennnnnn geroepen en moest de
vleet ingehaald worden.
De afhouder zat achter de spil en haalde de reep in bij inhalen
geleide hij de reep naar het reepruim daarin zat de reep
schieter die deze reep netjes op moest schieten deed hij dit niet
goed dan kon bij het uitzetten van de vleet de reep
in de klit gaan, dreigde dit
te gebeuren dan riep hij hard ”Hij besnijd”.
Denk maar eens aan een tuinslang die alle kanten op gaat maar
niet zo als u die hebben wil.
Hierbij kon een gevaarlijke situatie ontstaan namelijk bij het
uitzetten voer het schip langzaam achteruit dus de
reep ging dan met een aardig gangetje kwam je in een lus terecht
dan kon er uiteraard van alles met je gebeuren
hetgeen wel een enkele keer voorkwam.
De matrozen haalde de netten in en sloegen door de netten op en
neer te slaan om de haringen er uit te slaan
welke dan in de kribbe en de last op dek terecht kwamen.
De netten worden binnen gehaald
de witte bak is de kribbe waar de haring in valt
U kunt hier zien
dat het nacht is
Het inhalen van de vleet duurde al naar gelang er haring in zat
toch zeker wel in de ochtend 08.00 uur, bij een grote
vangst kon het wel een hele dag duren. Als er zeer veel haring
in de vleet zat en de last en de kribben zaten vol dan
kon men enkele ruimen openen alwaar doormiddel van planken
ruimte in gemaakt was.
Als de vangst zo groot
was dat de men de haringen niet meer kwijt kon dan moest er eerst gekaakt
worden om ruimte
te maken ik heb een keer meegemaakt dat de netten overgenomen
moesten worden door een andere logger om dat
er zoveel in zat dan wij hem niet meer binnen konden halen, maar
dat gebeurde heel weinig.
Dus na inhalen van de vleet werd er gekaakt maar bij een
aardige vangst duurde dat kaken wel een poosje
We zaten op planken bij de voormast op een rijtje tussen de
benen een kaakmand en er voor een mand waar de
gekaakte haring inging
als deze vol was werd deze geledigd in de warbak en licht gepekeld(de
groene haring van
mei t/m juli werd licht
gepekeld na juli/augustus was de haring niet meer van die kwaliteit om er
groene haring van
te maken)en er werd weer een lege mand geplaatst.
Op dek liep een matroos met een lange stok met een schepnet
eraan en daarmee vulde hij de mand die tussen de benen zat.
Na de haringen in de warbak behandeld te hebben met pekel
werden de haringen netjes in de tonnen(kantjes) gelegen
maar de kantjes werden
nog niet gedicht.
Bij dit kaken werd er gezongen om de moed er voor elkaar in te
houden en hoe langer het kaken duurde des te
schuiner de liederen.
Haring kaken dit a/b van de VL 197

In de middag werden de kantjes bijgevuld en dichtgeslagen het
houtendeksel ging er op en een stalenband en
Door op de stalen band te slaan ging het kantje dicht, daarna
werd tussen de naad werkgeslagen om lekkage te
voorkomen(werk was een hennep product een soort uitgeplozen
touw).
Hierop werden de kantjes in de ruimen geladen of overgezet op
een andere logger de jager die aan de buurt was
om naar huis te gaan.
Op de vijfde foto boven ziet u de VL 97 welke een andere logger
gaat naderen en langszij gaat daarvoor hingen een
reeks autobanden langs het schip om klappen van het stoten bij
het slingeren op te vangen.
In ons geval dus de stoomlogger ging ook langszij van een jager
bij het langszij gaan gingen de loggers aardig te keer
en in geval je een
andere logger moest helpen wat ook wel eens gebeurde moest je uitkijken
met overstappen.
Dit is nu niet meer denkbaar maar in die tijd heel normaal maar
nogmaals deze schepen konden tegen een stootje.
Nu lijkt dit werk wel aardig maar in juli september was het toch ook niet altijd zo prettig dan
is het de tijd dat er
veel kwallen in zee zijn en dus ook in de netten en aan de
reep.
Bij het in halen van de vleet met het uitslaan van de
haring vlogen overal de kwallen
slierten in het rond alles van
het lichaam wat niet
bedekt was kwam er mee in aanraking met het gevolg dat je huid rauw was van de
jeuk, de
matrozen aan dek hadden grote plastic kappen/brillen op maar
dit hielp niet helemaal.
De afhouder voelde zijn handen bij het inhalen van de reep met
al die kwallen draden aan de reep, en de reep
schieter kreeg dus al die draden van boven af naar beneden, al
met al de kwallen tijd was geen beste tijd om te
werken.
Hoe meer zuidelijker we visten veranderde de haring als ik het
me goed voor haal was van september/oktober
de tijd dat de haringen
kuit schoten, de haringen die in die tijd gevangen werden zaten vol hom en
kuit.
Op het dek leek het dan wel of er een tankauto een lading
griesmeel pap gestort had door de vermenging
van de hom en kuit op het dek.
Het was dan spekkie glad op het dek wat toen voor ons jongere
niet zo uitmaakte maar de oudere wel.
Na deze tijd werd er haring gevangen waarvan de buik
scheermesjes leken, bij het kaken had je dan vier
manden voor je staan voor de grote en kleine haringen en de iele
en volle haring.
De haring in die periode werden flink gezouten en werden ge
exporteert naar het buitenland.
Dan was er ook de periode dat er zeer veel hors makreel en
pelchers gevangen werden deze konden we niet
meenemen en werden over
boord geschept, deze loggers hadden immers geen vriezers of koelkasten.
Na de drijfvleet gingen we met de zinkvleet vissen de netten zaten
dan onder de reep aan de netten zaten ook
stukjes lood en in plaats van de schotse blazen werd er aan de
reep breels gebonden.(deze lijken op een puntig
houten tonnetje)
In december visten we in het Kanaal maar de tijd dat ik die
visserij meegemaakt heb lagen we in
1956/1957
meer in Dieppe in Frankrijk dan dat we visten.
Het was dan te gevaarlijk om de netten uit te zetten en kon je
op de rotsen geslagen worden, dit overkwam in
1955 de VL 200 Nelly welke op het strand geslagen was.
Het eten aan boord we hadden toen een goede kok was sober er
was immers geen koelkast of vriezer wel
zijde rookspek en blikgehakt na drie weken veel bruine bonen
kapucijners(roldonders) en vanaf de vierde
week de zeekaak welke de stoelgang niet bevorderde.
Uiteraard was er vis genoeg.
Op het achterschip stond een toilet nou ja, zie hieronder wat
ik met een blauwlijntje afgezet heb is het

toilet er zat als het ware een trechter in waar je doormiddel
van een houten plank om op te zitten het de behoefte kon
doen het probleem echter was dat als het slecht weer was en je
zat daar op, het zeewater tegen je achterste gelanceerd werd.
Als het enige tijd onhoudbaar was i.v.m het slechte weer om er
op te zitten deden ze er een dot werk in en werd dit eigenlijk
een soort poeptonnetje van vroeger en ging het niet meer in dat
toilet dan gingen we op het achterschip met de billen over de
railing en vasthoudend aan de touwen van het gatzeil onze grote
boodschap doen maar dan wel met veel bekijks van de
meeuwen ofwel de mallemokken.
Snap u nu die uitdrukking waarom niet zei het achterschip, maar
de poep.
Ging ook dat niet meer dan ging men het in het gangboord op de schop doen of in de asla bij de kok
vandaan dit was in die
tijd heel normaal en niemand keek je vreemd aan.
Het verhaal komt misschien een beetje raar over maar ook dit was
een deel van het leven.
Op deze vleet visserij werd op zondag niet gevist wel werd op
zondag middag de vleet uitgezet.
Dus op de zondag kon je een beetje bij komen en bij rustig weer
lag het schip te drijven was er veel wind dan lag je rustig
te steken.
Als jongen speelde je met de andere jongens aan boord
verstoppertje daaraan deden de ouderen soms ook wel mee en
het is heel raar op een scheepje van 35,75 meter soms kon je de
gene die zich verstopt had niet vinden.
Er werd gekaart of er werden verhalen en gedachten over mooie
dames geventileerd in die tijd had je bladen als
De Lach en Picolo en daar werd heel wat bij gefantaseerd, door de mannen .
Verders werd er veel op het dek heen en weer gelopen, als het
koud was zaten de mannen op de koelkast die was warm
want daaronder zat de stoomketel en dan had je het ketelgat daar
konden drie man naast elkaar zitten en kon men uren
praten.
Machine kamer
Wij als jongetje mochten altijd in de machine kamer komen hen
klinkt gek maar dat was dit was de enige plek die er
mooi uitzag, de roodkoperen leidingen glommen en de vloerplaten
blonken.
Een matroos mocht niet zo maar de machine kamer in deed hij dit
wel dan ging de machinist behoorlijk te keer.
In deze machine kamer stond een triple expansie machine Van
Lohnes & Co uit Rotterdam het was een 3 cilinder
met een kracht van 190 PK.
De stoomketel had 2 vuren het was een schotse ketel welke stoom
leverde aan de hoofdmachine en de stoomspil
maar ook aan de pompen, als het dek gewassen moest worden na het
verwerken van de haring dan moest aan de
machinist of de stoker in de machine kamer om druk gevraagd
worden.
Het schip had een snelheid van zo’n 7 mijl met mooi weer met
windkracht 8 a 9 zijn wij nog wel uitgevaren.
Maar als kind kon je uren naar de machine kijken wand bij zo’n
triple expansie machine zag je alles gebeuren.
In veel boeken zie je als het over de stoomfiets gaat hoe komen
ze nu aan de naam fiets met daaraan gekoppeld
diverse veronderstellingen.
Maar als je als kind daar zat leken de bewegingen die je zag van
de zuigerstangen alsof er gefietst werd en elke
keer als een slag rond was hoorde je zachte klik wat je vroeger
bij de oude fietsen ook hoorde.
Moet u als u ergens bent waar rondvaarten met stoomschepen zijn
daar maar een opletten maar dan wel bij
een triple expansie machine.
In de december maand visten we in het kanaal met de zinkvleet
maar door het slechte weer kon niet altijd
gevist worden.
Als we dan in Dieppe
lagen werd er overdag de netten uit de
ruimen gehaald en aan dek gelegen, dit moest
omdat deze netten gingen broeien vanwege het vocht enz.
Maar wij vonden het als jongen niet erg als het schip in een van
de dokken lag kon je lekker de wal op.
Als het schip in de buiten haven lag was er wel werk aan de
winkel i.v.m met het tij, als het laag water was in
Dieppe was het topje van de mast haast gelijk met de straat.
Vaak was er ook ruzie met schippers, er werd veelal afgesproken
dat als weersberichten slecht waren men
binnen zou blijven liggen en dan was er wel eens een schipper die
toch uitvoer.
En als hij onverrichte zaken terug moest want bij slecht weer was
deze kust gevaarlijk dan werd hij bij de
sluizen opgewacht en uitgejouwd en had hij geen leven als hij de
wal op ging.
Veel vissers gingen naar het zaaltje deze ruimte was gehuurd voor
de vissers er was een dominee en
vrijwilligers aanwezig ook van het Hospitaal Kerkschip De Hoop,
je kon er spelletjes doen enz.
De mannen gingen dan zondag’s naar de kerk in het zaaltje en na
de kerk toch eigenlijk ook naar de kroeg
want die waren daar genoeg en thuis wisten ze het niet.
Er was ook in die periode kermis het was ook de opkomende Rock
& Roll tijd en op die kermis stond een
Jukebox volgens mij heeft die Fransman toen goud verdiend er werd
daar wat afgedraaid.
Nog even twee kleine anekdotes waar gebeurd:
Op een avond zaten we met z’n allen rustig in het voorin toen de
stuurman met een hoop kabaal naar het
voorin kwam, op zijn hoofd een pannetje en een steel van een
schop als een geweer onder de arm.
Het was geen gezicht hij kwam toen vertellen dat de inval in
Hongarijen gebeurd was.
Maar zoals hij er uit zag bracht heel wat hilariteit,
De tweede De matroos als eerder omschreven was altijd bij vertrek
dicht bij z’n verliefde nu had de
bemanning hem zover gekregen dat hij alleen aandacht voor de
boetsters zou hebben.
En dat deed hij ook maar toen hij naar boord moest liep hij
achteruit zwaaiend naar de boetsters zo
de haven in en in die tijd lag er zo’n olie koek op het water dat
toen het hoofd boven water uitkwam
met de drab het geen gezicht was.
Aan boord voeren toen Schiedammers, Vlaardingers, 1 uit Wassenaar en uit ter Heijden aan zee.
En nog enkele andere een timmerman van de schuur heeft een reis
meegemaakt meer zeeziek dan
bij kennis en nog meerdere invallers.
In december tegen Kerst tijd is het schip afgesneden en is het
jaar daarop verbouwd als motor logger
Einde