![]()
De tijden:
De tegenwoordige tijd (le présent) zul
je altijd moeten stampen. Toch vallen ook daar regelmatigheden in te ontdekken.
Ga nu eens uit van alle werkwoorden die niet eindigen op -er. Dat zijn er een
boel hoor. Je zult ontdekken - zo je dat al niet gedaan hebt - dat de uitgang
vrijwel altijd het volgende beeld te zien geeft:
je + s
tu + s
il + t, maar deze eind - t vervalt als de stam eindigt op een -d of een -t
nous + ons, behalve bij être
vous + ez, behalve bij dire, être, faire (vous dites, vous êtes,
vous faites)
ils + ent
Dat vereenvoudigt de zaak:
neem nu finir.
Of je leert uit je hoofd: je finis, tu finis, il finit, nous finissons, vous
finissez, ils finissent,
óf je leert: finir heeft twee stammen: fini- en finiss- en je zet het
rijtje erachter.
Het is maar wat je prettig vindt. In de schema's laat ik aan jou over om uit
te maken hoeveel stammen een werkwoord heeft, maar het zijn er nooit meer dan
drie.
De enige écht onregelmatige werkwoorden zijn de meest gebruikte: hebben,
zijn, doen en gaan; avoir, être, faire et aller. Deze zul je altijd helemaal
moeten stampen in de tegenwoordige tijd. De overige tijden vallen weer af te
leiden.
Er zijn drie verleden tijden, waarvan je er in de tweede klas twee dient te kennen: de passé composé en de imparfait. In de derde klassen komt daar de plus que parfait bij .In deze site wordt het gebruik van deze tijden buiten beschouwing gelaten. Onthou alleen, dat het gebruik fundamenteel anders is dan de Nederlandse vertalingen die je er voor het gemak onder vindt.
De passé composé bestaat altijd
uit twee werkwoorden (de naam passé composé ook, dus dat moet
te onthouden zijn).
Het eerste werkwoord wordt vervoegd, het is altijd éen van de twee avoir
of être. Als guide-âne kun je gebruiken dat als je in het Nederlands
zegt "Ik ben ge..."dat dan het Frans vrijwel altijd begint met "je
suis ...". Natuurlijk zijn hier uitzonderingen op. In het schema zijn deze
in de vertaling vet gedrukt.
Het tweede werkwoord is een voltooid deelwoord (denk aan het Nederlandse ge-
: gevallen, gelopen, enz.). De vorming is bij de -er werkwoorden altijd als
volgt: haal -er weg en zet achter de stam een é. Van de overige werkwoorden
zal je de vorm moeten stampen. Exemple: parler = spreken; zij heeft gesproken:
elle a parlé.
De verleden tijd van de passé composé is de plus-que parfait; deze tijd leer je vanaf de derde klas.
Als je de passé composé letterlijk vertaalt krijg je zoiets als: Hij heeft gelopen; zij was gevallen
Als je de plus-que-parfait letterlijk vertaalt krijg je zoeits als: Hij had gelopen; zij was gevallen
Je ziet dat de enige verandering bestaat uit het verleden worden van het eerste werkwoord ( de persoonsvorm).
Ken je dus de tegenwoordige tijd (présent) en de verleden tijd (imparfait) van avoir en être dan ben je in staat de passé composé en de plus-que-parfait van een werkwoord te maken, mits je het voltooid deelwoord kent.
Par exemple:
|
Passé composé |
|||||||
| J'ai
tu as il a elle a nous avons vous avez ils ont elles ont |
marché |
Ik heb Jij hebt Hij heeft Zij heeft Wij hebben U heeft Zij hebben Zij hebben - v) |
gelopen | Je suis
tu es il est elle est nous sommes vous êtes ils sont elles sont |
tombé (+e) (+s) |
Ik ben Jij bent hij is zij is wij zijn jullie zijn zij zijn zij zijn - v) |
gevallen |
|
Plus-que-parfait |
|||||||
| J'avais
tu avais il avait elle avait nous avions vous aviez ils avaient elles avaient |
marché |
Ik had Jij had Hij Had Zij had Wij Hadden Jullie hadden Zij hadden Zij hadden |
gelopen | J'étais
tu étais il était elle était nous étions vous étiez ils étaient elles étaient |
tombé (+e) (+s) |
Ik was Jij was Hij was Zij was Wij waren Jullie waren Zij waren Zij waren |
gevallen |
Dus: Zij heeft een cadeau gekocht: elle a acheté un cadeau ( let erop: de werkwoorden staan altijd vlak bij elkaar.
Zij had een cadeau gekocht: elle avait acheté un cadeau.
Zij is gisteren naar Parijs gegaan: elle est allée à Paris, hier.
Ze was niet naar Parijs gegaan, maar naar Lille: Elle n'était pas allée à Paris, mais à Lille.
De extra -e in het voorbeeld staat er alleen als het 1e werwoord een vervoeging van être is en het onderwerp vrouwelijk.
De imparfait wordt op 1 geval na afgeleid van
de nous-vorm van de tegenwoordige tijd. Je haalt van deze vorm nous weg én
de uitgang, dus -ons en je hebt de stam van de imparfait. De uitgangen zijn
je + ais
tu + ais
il + ait,
nous + ions
vous + iez
ils + aient
Grappig is, dat als je naar de laatste letters van deze uitgangen kijkt, je
dezelfde regelmaat terugziet als bij de uitgangen van de présent.
De ene uitzondering is (natuurlijk) het werkwoord être: van nous sommes
valt nu eenmaal moeilijk -ons af te halen. Voor dit uitermate onregelmatige
werkwoord gebruiken we als stam dan ét-. De uitgangen zijn wel regelmatig.
De toekomende tijd (le futur), de zal-vorm, wordt
meestal afgeleid van het hele werkwoord (de infinitif-vorm, dus). Dit is direct
de stam van deze tijd en van zijn verleden tijds vorm, de futur du passé.
Als het werkwoord eindigt op een -e laat men deze vervallen. Zorg ervoor dat
de stam van de futur altijd eindigt op een r!
Zodra het een onregelmatige futur-stam betreft, leer hem dan. De uitgangen zijn
de uitgangen van het werkwoord avoir in de tegenwoordige tijd, dus:
je + ai
tu + as
il + a
nous + ons
vous + ez
ils + ont
De futur du passé, de zou-vorm heeft
dezelfde stam, maar de uitgangen van de imparfait. Zie aldaar.
De vorm van het werkwoord die eigenlijk geen tijd is, de impératif
(de gebiedende wijs) wordt weer afgeleid: je gebruikt de je-vorm, nous-vorm
en vous-vorm van het werkwoord in de tegenwoordige tijd om opdrachten te geven.
In de schema's zie je dan ook deze vormen onderstreept in de kolom van de présent,
met daaronder een pijltje dat verwijst naar deze gebiedende wijs. Soms is het
onzinnig om een werkwoord in de gebiedende wijs te gebruiken (moet!, laten we
moeten; regen!; wil!). Ik heb dan het schema leeggelaten. Staat niets onderstreept,
dan is de impératif onregelmatig: leren dus!