De Dieptebal

Het bespelen van de
dieptebal of het steekpasje buiten en binnen het zestienmetergebied door de
keeper is een van de minst getrainde situaties. Dat is eigenlijk onacceptabel,
want het beheersen van dit onderdeel is voor een keeper in het moderne voetbal
heel essentieel. Als een ploeg vrijwel altijd aanvalt op de helft van de
tegenpartij, zoals wij dat in Nederland toch graag het liefste hebben, is het duidelijk dat de ruimte tussen de verdediging
en achterlijn groot is en dat de aangewezen speler om deze ruimte te
verdedigen de keeper is.
Daarover bestaat ook weinig discussie. Maar zodra de ruimte achter de verdediger kleiner wordt, bijvoorbeeld tussen de zestienmeterlijn en de achterlijn, wordt voor veel trainers de rol van de keeper al veel minder logisch en vanzelfsprekend. Maar een keeper moet altijd proberen de ruimte voor hem te bespelen en te verdedigen.
Onderscheppen
'Zo vroeg mogelijk de bal onderscheppen' Dat is een belangrijk uitgangspunt bij de visie op keepen en keeperstraining bij balbezit van de tegenpartij. Dat kan vooral door het bespelen van de diepte gestalte krijgen. Maar bij het verwerken van een dieptebal kan een keeper met heel wat factoren te maken krijgen en daarom kun je ook van een complexe situatie spreken.
Toch is er in het algemeen weinig waardering voor het beheersen van dit belangrijke onderdeel. Als een keeper tijdig uitkomt en de bal keurig onderschept, wordt dit vaak uitgelegd als een 'makkie', veroorzaakt door een slechte pass van de tegenstander. Beoordeelt een keeper een dieptebal verkeerd en kan de tegenstander scoren, dan krijgt hij alle schuld. Dat is niet eerlijk. Denk maar eens na over de volgende situatie.
Een keeper die op de lijn blijft staan, loopt niet de kans om een duidelijk herkenbare blunder te maken. Maar door die keuze zorgt hij wel voor vele kansen van de tegenstander, hoewel dat minder 'zichtbaar' is. Hij zal ook met erg veel 1:1 situaties geconfronteerd worden en wat is daarbij zijn kans?
Daarom is het verstandiger om wel voortdurend die diepteballen te onderscheppen. Liever per seizoen 50 van zulke situaties vroegtijdig oplossen en een duidelijke blunder dan 51 keer met een 1:1 situatie geconfronteerd worden! Dat is echter de keuze! Bij het 1:1 duel is gezegd dat een goede keeper in die situatie 70% kans heeft om als winnaar uit dat duel te komen, maar in het genoemde voorbeeld betekent dat nog steeds zo'n 19 tegendoelpunten! Belangrijk is wel dat de situatie getraind, geoefend moet worden. Daarom moet allereerst dit voetbalprobleem puntsgewijs worden geanalyseerd.
Problemen vanuit de keeper gezien
Het gebrek aan waardering of de angst voor de gevolgen van een blunder zorgen ervoor dat heel veel keepers bij voorbaat angst hebben voor de misser op de dieptebal of misschien voor een lob. Daardoor kiezen de keepers meer voor 'de lijn' positie, waardoor dus meer 1:1 duels zullen voorkomen. Bij dat 1:1 duel hebben zij het gevoel dat ze als held uit de situatie kunnen komen door een schitterende redding te verrichten. Een tegendoelpunt? Jammer, want het is zo moeilijk om een 1:1 duel te winnen en daarvoor is meer begrip. Eerste de taak van een keeperstrainer is om de kronkel in deze redenering aan ta pakken, hoewel dat voor de meeste keepers een hele omschakeling betekent.
1. Positie van de keeper
Deze positie moet zo zijn dat:
het doel altijd verdedigt wordt
een zo groot mogelijk gebied voor de keeper beheerst kan worden.
Deze twee zaken kunnen niet los van elkaar gezien worden. Des te meer de keeper op z'n lijn blijft staan des te kleiner het gebied voor hem zal zijn dat hij beheersen kan. Het voordeel is dat de bal niet door middel van een lob in het doel zal kunnen verdwijnen. De keeper moet zover voor z'n lijn staan dat hij altijd de lob kan verwerken. Dat betekent heel veel trainen op deze situatie om de angst voor die lob weg te nemen.
Deze positie hangt daarnaast van vele factoren af. Deze factoren zijn:
kwaliteiten van de keeper
kwaliteiten van de speler, z'n positie, rechts- of linksbenig, kracht, vanuit snelheid of een laag tempo.
weers- en veldomstandigheden
positie medespelers
positie tegenstanders
soort bal
2. De uitgangshouding
Als de bal ver van het doel is en in principe alleen vanuit een lob op het doel geschoten kan worden, moet de uitgangshouding altijd een spreid-schredestand zijn om vanuit die houding het snelst weg te kunnen zijn om een dieptebal of een lob te kunnen onderscheppen. Is de bal dichterbij het doel waardoor op doel geschoten kan worden zal de uitgangshouding aangenomen moeten worden waarbij primair schoten onschadelijk gemaakt worden.
3. Als de speler de bal 'geeft'
1. Als lob over de keeper.
Dan zal de lob 'onschadelijk' gemaakt moeten worden.
Aandachtspunten:
uitgangshouding
inschatten balbaan
draai
voetenwerk
eventueel afzet
verwerken van de bal
2e reactie - rebound
corner
spelopbouw
2. Als dieptebal
Aandachtspunten:
a. inschatten van
balbaan
mogelijkheden van onderschepping door medespeler(s)
van de mogelijkheden van de tegenstanders
b. Het nemen van een beslissing en dat zo vroeg mogelijk duidelijk maken (coaching) aan iedereen die erbij betrokken is.
De beslissing kan zijn 'blijven' of 'gaan'.
Bij 'blijven'
De keeper moet kenbaar maken aan een medespeler dat als zij bij de bal kunnen komen ze het duel aan moeten gaan (coaching). De keeper moet een nieuwe positie innemen, omdat de positie van de bal veranderd is en hij zich dan moet gaan instellen op deze nieuwe veranderde situatie.
Het kan ook zijn dat de keeper noch een van zijn medespelers direct naar de bal kunnen gaan om hem te onderscheppen. Dan moet de keeper een nieuwe positie innemen, omdat de positie van de bal veranderd is en hij klaar moet zijn voor deze nieuwe veranderde situatie ( zou een 1:1, of een bal op de flank kunnen zijn).
Bij 'gaan'
De keeper moet duidelijk aangeven dat hij voor de bal gaat. Die keuze hangt ook af van de positie van de medespeler(s). Maak duidelijke afspraken over de te gebruiken termen zoals 'los' of 'ik'. als er spelers in de buurt zijn moeten zij de keeper het duel laten aangaan en zij moeten nieuwe posities kiezen (onder andere rugdekking geven aan de keeper). Dan moet de keeper daadwerkelijk in actie komen om het op te lossen.
Belangrijke aandachtspunten:
uitgangshouding
voetenwerk
verwerken van de bal en het verwerken voorzetten
2e actie: rebound ( of nieuwe positie op nieuwe situatie)
of spelopbouw
Belangrijk: nooit risico
(tenzij in de laatste minuut bij een 1-0 achterstand in een hele belangrijke wedstrijd)
1. Spelregels:
hands = rood!!
overtreding op speler = rood!!
2. Verwerken (indien mogelijk):
a. in bezit houden van een medespeler (diep!)
b. diep betekent ver weg spelen
c. over de zijlijn
d. corner weggeven
Keer ook razendsnel terug naar de juiste positie waardoor je weer alle kans hebt om je doel te verdedigen en een groot gebied te beheersen. Waarom? Als keeper kom je uit je positie om de bal te verwerken. Je mag de bal niet in je handen nemen, dus moet je hem spelen als een speler en blijft de bal 'speelbaar' voor een ieder.
Je bent volledig uit je ideale positie gekomen. Dus als een tegenstander de bal krijgt of een van je medespelers verliest de bal (of de bal is uit en wordt snel ingeworpen) dan is het doel in principe leeg en ontstaat er een goede scoringskans.
(Artikel afkomstig
uit KNVB Cursusboek Coachen van Jeugdvoetballers in samenwerking met
jeugdleerplan keeperstraining Frans Hoek)
Boekentips:
|
|
Basisboek Keeperstraining Frans Hoek
|
|
|
De coach en zijn keeper Maarten Arts
|
|
|
naar boekbespreking KNVB
opleidingsboek 'Coachen van Jeugdvoetballers'
naar Keeperstrainingsinformatie
naar
Startpagina