Een keeper moet
eigenlijk zo min mogelijk duiken en zweven. Er zijn aan het duiken en zweven
nogal wat nadelen verbonden. Wanneer een keeper op de grond ligt is hij
kwetsbaar en kan men bovendien de bal makkelijker loslaten. Als de keeper op
de grond ligt duurt het ook langer voordat hij de bal weer in het spel kan
brengen. Als het enigszins mogelijk is verdient het de voorkeur om de bal in
het bezit te krijgen door snel voetenwerk. Pas als de doelman de bal niet door
middel van snel voetenwerk kan verwerken, zal hij moeten duiken. Het is
natuurlijk spectaculair, maar het blijft een noodingreep. Het duiken en zweven
moet dan ook als laatste redmiddel worden toegepast. We kunnen bij duiken drie
verschillende richtingen aangeven namelijk, zijwaarts, voorwaarts en
achterwaarts.
Een keeper zal naar ballen moeten duiken die over of net boven de grond komen.
Duiken zijwaarts
Op ballen onder de heuphoogte, ver bij de doelman vandaan, zal gedoken moeten worden.
Op het moment van het schot sta je in de uitgangshouding. Vanuit die houding zal je een of meerdere passen zijwaarts moeten nemen als de situatie daar om vraagt. Door een lagere uitgangshouding aan te nemen (iets door je knieen zakken) zal je laag over de grond met de arm die het dichts bij de grond is (is je hand die het verste reikt) gestrekt naar de bal gaan. Eén hand achter de bal, één erop en de grond zal als "derde hand" fungeren. Hierna de bal naar borst en buik brengen en naar voren toe afrollen. Let er op dat je niet naar achteren afrolt. Bij een te hoge uitgangshouding is het risico groot dat je over de bal heen duikt. Ook als je niet volledig gestrekt naar de bal gaat loop je het risico dat je te laat bij de bal bent. Als de bal door de lucht gaat, zal het bovenhands vangen gevolgd worden door de afwerking naar de buik/borst. De landing en soms ook een deel van de vlucht zullen over de hele zijkant van het lichaam zijn.
De belangrijkste fouten zijn:
Over de bal heen duiken, dit komt door een te hoge uitgangshouding. In plaats van een rechtlijnige glijbeweging een boogvormige snoekduik. Als hulpoefening span je tussen twee palen een lijn (koord op heuphoogte) speel de ballen laag aan en laat de doelman telkens onder de lijn doorduiken.
Op de buik duiken, waardoor de bal eerder onder het lichaam doorschiet.
Op de bal vallen, in plaats van het lichaam achter de bal te houden.
Handen niet snel genoeg achter de bal, door slaande beweging van boven naar beneden in plaats van een directe en rechte lijn naar de bal.
Afzet onvoldoende door niet goed doorstrekken van knie, enkel en gewricht van de grote teen.
Draaien om de breedte as. Door achterwaarts duiken, in plaats van zijwaarts of iets te schuin zij/voorwaarts.
Methodische opbouw
Individueel met bal:
Met een stilliggende bal
Schuin naast de voorkant van het lichaam, verwerken door middel van een duik (in de buik/borst of een hand achter en een hand op de bal) en indien nodig afwerken naar buik/borst.
Vanuit:
A een knie
en een voet op de grond met de bal naast de knie die op de grond rust;
B hurkzit
C stand
Met een bewegende bal
Bal steeds schuin voor en naast het lichaam rollen, duiken en verwerken door middel van een duik (in de buik/borst of een hand achter en een hand op de bal) en indien nodig afwerken naar buik/borst.
Vanuit:
A
spreidstand, met de ene voet iets voor de andere (bal van binnen naar buiten
rollen)
Steeds harder en
verder rollen (voetenwerk moet eraan voorafgaan)
Tweetallen met een
bal:
Ballen aanspelen onder de heup, op het lichaam of verder weg (afhankelijk van wat je wilt oefenen) De doelman duikt en verwerkt de bal vanuit:
A een knie
en een voet op de grond met de bal naast de knie die op de grond rust;
B hurkzit
C stand
Duiken voorwaarts
In een situatie waarbij de bal recht voor de keeper op de grond ligt of hij komt recht op je afrollen, zal je mogelijk met een voorwaartse duik naar de bal moeten. Ga in een rechte lijn zo snel mogelijk naar de bal. Zorg dat je handen landen in de bovenhandse vangtechniek boven op de bal vallen en verwerkt de bal zo snel mogelijk naar je borst/buik en scherm de bal af met je bovenlichaam. De rest van het lichaam is gestrekt, met de tenen in de grond.
De belangrijkste fouten:
Ga je niet in een rechte lijn naar de bal, verlies je kostbare tijd waar de tegenstander gebruik van zal maken.
Handen niet om en over de bal, maar daarachter. Daardoor kan de bal weggeduwd worden.
Niet verwerken naar buik/borst
Tenen niet in de grond, maar opgetrokken in de knieen.
Methodische opbouw
Individueel met bal:
Met een stilliggende bal
Doelman duikt naar de bal, handen om de bal en naar de buik/borst verwerken.
Vanuit
A Kniezit
B Hurkzit
C Stand
Met een bewegende bal
Vanuit
A Kniezit
B Hurkzit
C Stand
Maar de bal nu voor
het lichaam wegrollen.
Bal achterlangs
door de benen rollen.
Tweetallen met bal:
Trainer rolt de bal naar rechts, links, voor of achter de doelman. Die duikt dan voorwaarts op de bal.
Duiken
achterwaarts
Het achterwaarts duiken is de zelfde techniek als het voorwaarts duiken,
alleen sta je nu met de rug naar de bal.
Je kunt op twee manieren naar de bal gaan:
1. Je draait je in
het geheel om en duikt dan voorwaarts op de bal. Dit is de snelste manier,
maar je duikt op het gevoel. Je hebt dus geen zicht op de bal.
2. Je draait eerst je hoofd om naar de bal om te zien waar hij is. Je zet je
af en draai het lichaam in de duikvlucht om in voorwaartse richting naar de
bal. Probeer met een rechte duik naar de bal te gaan. Ga je met een boog, is
weer tijdverlies.
Welke methode je gebruikt hangt af van waar de tegenstander zich bevindt. Is de tegenstander dichtbij, zal je mogelijkheid 1 nemen, anders mogelijkheid 2.
Belangrijkste fouten:
Duiken zonder zicht op de bal (dus meer op gevoel) Eerst het hoofd draaien, gezicht op de bal, daarna afzet en de rest van de beweging
Geen rechte lijn. Een boogvormige duik, waardoor tijd verloren gaat en de tegenstander de bal kan bemachtigen
Verder dezelfde fouten zoals bij voorwaarts duiken
Methodische opbouw
Individueel met
bal:
Met een stilligende bal.
Draaien van het hoofd, afzet, draait om de lengte-as van het lichaam en het verwerken van de bal
Vanuit:
A Hurkzit
B Stand
Met een bewegende bal
Bal door de benen,
hoofd draaien, afzet, draai om de lengte-as van het lichaam en het verwerken
van de bal.
Bal van voren door
de benen
Bal steeds verder
en harder
Tweetallen met bal:
Bal spelen, doelman
draait, zet af en verwerkt.
Boekentips:
|
|
Basisboek Keeperstraining Frans Hoek
|
|
|
De coach en zijn keeper Maarten Arts
|
|
|
naar Keeperstrainingsinformatie
naar Trainingstipsstartpagina