Opraaptechnieken
Ballen die over de grond naar de keeper rollen, kunnen met de zogenaamde ‘opraaptechniek’ verwerkt worden.
Bij het oprapen onderscheiden we:
1. Oprapen van ballen, die recht op de doelman af komen
Zorg ervoor dat je ogen gericht zijn op de bal. Je voeten staan in een kleine spreidstand, want bij een te grote spreidstand sta je vast, waarbij het ene been iets voor de ander staat. Zorg er voor dat de bal niet tussen je benen door kan glippen. Je staat op je voorvoeten en je knieën zijn iets gebogen. Het bovenlichaam hangt iets voorover (door op je voorvoeten te staan breng je de spieren op spanning voor eventuele wegspringende ballen). De handen gaan gespreid en gestrekt naar de bal toe, de pinken wijzen van elkaar af en de handen zijn in komvorm geopend. Je vingertoppen hebben het eerste balcontact en halen de snelheid uit de bal. Op het moment dat je contact met de bal hebt geef je de bal een meegevende beweging met je armen waarna de bal naar de buik/borst wordt verwerkt.
Techniekbeschrijving stap voor stap:
De belangrijkste fouten zijn:
2. Zijwaarts oprapen van ballen, die naast de doelman komen.
Probeer eerst met voetenwerk je lichaam achter de bal te krijgen. Als je dat lukt raap je de bal als hierboven staat geschreven op. Lukt je dat niet, dan zal je de bal met een zijwaartse beweging moeten oprapen. Als je naar de bal loopt zal je moeten proberen om in een zijwaartse beweging je lichaam achter de bal zien te krijgen. In de loop naar links moet de rechterknie naar de grond (let op dat de knie niet op de grond komt want dan zit je vast). De linker knie maakt een buiging. Laat niet te veel ruimte tussen de benen anders kan de bal er door glippen. De ogen zijn op de bal gericht en het lichaam buigt naar voren, de handen gaan geopend naar de bal en weer raken de vingertoppen het eerst de bal. Als de bal tegen je handpalmen komt bestaat de kans dat hij wegspringt. Als er balcontact is volgt weer een meegevende beweging en de bal wordt afgewerkt naar buik en borst. Is de bal eenmaal verwerkt, dan richt de doelman zijn ogen meteen weer op het speelveld.
Techniekbeschrijving:
In de loop het lichaam zijwaarts achter de bal zien te krijgen om vervolgens in de loop naar rechts de linkerknie naar de grond te brengen. ( niet op de grond ivm het risico van vast komen te zitten!!!!)
De andere voet wijst schuin naar buiten en de knie buigt ook in die richting. Ruimte tussen de benen mag niet te groot zijn, anders schiet de bal ertussendoor.
Het bovenlichaam naar voren, de handen gaan geopend naar de bal en de armen zijn gestrekt.
Handen goed achter de bal en de vingertoppen raken de bal het eerst.
Na het eerste balcontact volgt een meegevende beweging van de armen, afwerking naar de buik/borst en tenslotte de omarming. Gedurende deze actie zijn de ogen op de bal gericht, daarna richt de doelman zich weer op de situatie in het veld.
De belangrijkste fouten:
Lichaam niet achter de bal
Knie vast op de grond
Ruimte tussen de benen te groot
Bovenlichaam teveel rechtop
Handen niet achter en niet naar de bal toe
Handpalm raakt als eerste de bal in plaats van de vingertoppen.
Ogen niet gericht op de actie, maar op de situatie in het veld.
3. Het oprapen (of onderhands vangen of blokkeren met buik/borst) van de bal, met het ontwijken van een inkomende tegenstander.
Op het moment dat de bal op de keeper afkomt en een tegenstander deze probeert te onderscheppen, is het zeer belangrijk dat de doelman zo snel mogelijk in het bezit komt van de bal. Dus snel naar de bal toe en trachten de inkomende tegenstander te ontwijken om onnodige blessures te voorkomen. Is er voldoende ruimte tussen doelman en tegenstander, dan kan er met simpel wegspringen worden volstaan. Is die ruimte er niet dan zal de doelman moeten wegduiken of -zweven.
Oprapen met wegspringen
Techniekbeschrijving
De bal oprapen in een spreidstand, waarbij het ene been iets voor het andere been is geplaatst. Vervolgens via een afzet van het voorste en achterste been naar links of naar rechts wegspringen. Daarna volgt een landing op een of twee voeten, waarna het spel weer voortgezet kan worden. De richting van wegspringen is afhankelijk van de inkomende tegenstander. Komt deze van links, dan zal de keeper naar rechts moeten wegspringen. Komt de tegenstander van rechts, dan precies het omgekeerde. Komt de tegenstander recht op de keeper af, dan is er de mogelijkheid om naar links of rechts weg te springen.
Belangrijkste fouten:
1. Door snelheid van handelen en/of angst, wordt de bal niet eerst opgeraapt. De doelman springt te vroeg weg en vergeet de bal.
2. Naar de verkeerde kant wegspringen, waardoor alsnog een botsing ontstaat.
Oprapen of onderhands vangen of blokkeren met buik/borst, met voorwaarts wegduiken of zweven.
Techniekbeschrijving
Bal oprapen
Met een een- of tweebenige afzet, voorwaarts duikend of zwevend, de inkomende tegenstander ontwijken.
Na de 'vlucht' landen op eerst de onderarmen en de bal (glijden over de onderarmen en de bal) en vervolgens de rest van de voorkant het lichaam
Belangrijkste fouten
Door snelheid van handelen en/of angst, wordt niet eerst de bal opgeraapt, maar wordt er te vroeg weggezweefd of gedoken en vergeet de doelman de bal
Naar de verkeerde kant wegzweven of duiken
De vlucht wordt te laag ingezet, waardoor er toch nog een botsing ontstaat
Foute landing door weg te draaien op zijkant of rug of door op ellebogen en knieen te landen
Boekentips:
|
|
Basisboek Keeperstraining Frans Hoek
|
|
|
De coach en zijn keeper Maarten Arts
|
|
|
naar Keeperstrainingsinformatie
naar Trainingstipsstartpagina