| Jeugdkeeperstraining: |
De kwaliteit van de
keepers in Nederland en daarbuiten schijnt achteruit te gaan. De generatie
Hiele Van Breukelen, Metgod is niet zo goed als de Schrijvers - Van Beveren -
Jongbloed - Doesburg en de
generaties van De Munck en Kraak waren. Althans, dit wordt beweerd. Maar
kenners zeggen ook dat het misschien zo lijkt, maar niet waar hoeft te zijn,
omdat de ene generatie niet met de andere te vergelijken is. Bovendien is het
keepen moeilijker geworden. De wegdraaiende voorzet zie je bijvoorbeeld vaker
dan tevoren. Van de keeper wordt meer en meer geëist dat hij meevoetbalt en
niet alleen zijn doelgebied verdedigt.
Bij de jeugd gaat het in ieder geval voornamelijk om de technische basis. Het is pas zinvol echt aan keeperstraining te doen bij tien- en elfjarigen. Tot die leeftijd is het wellicht het beste als er gerouleerd wordt. Steeds een ander in de goal, ook in wedstrijden, heeft een aantal voordelen. Ten eerste krijgt iedereen zodoende enige ervaring met het keepen. Nu komt het nog regelmatig voor dat een jongen van veertien ineens per ongeluk in het doel komt te staan, het leuk vindt en blijft keepen. Op de tweede plaats is keepen, zoals eerder geschreven, meer dan het stoppen van schoten alleen. Een keeper voetbalt mee. Dus moet hij ook kunnen passen, trappen, koppen en hij moet een sliding kunnen maken, zelfs een slidingtackle! Dat kan, als de toekomstige keeper tijdens zijn eerste jaren de technieken van een veldspeler aanleert. Bovendien is het prettig dat een keeper, wanneer hij dat op een gegeven moment wil, zonder moeite kan overschakelen naar het veldspel. Dat kan gemakkelijk, want hij heeft vanaf zijn zesde eigenlijk steeds gewoon gevoetbald. Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Het komt zeker voor dat een jongen van negen helemaal bezeten is van het keepen en niks anders wil. In dat geval is het geen probleem dit spelertje dan al kennis te laten maken met de basistechnieken. Het gaat erom dat het spel er is voor de jeugd en niet andersom.
Wie op zijn zesde begint, heeft in ieder geval vier jaar ervaring als voetballer, voordat hij op tienjarige leeftijd besluit te gaan keepen. Hij kan een keuze maken. Dit is een betere situatie dan wanneer een jochie van zes naar het veld gestuurd wordt in volledige keeperuitrusting, omdat pa zo graag wil dat z’n zoontje keeper wordt.
Daarnaast is er een aantal tactische zaken. Een doelman moet inzicht hebben in het spel. Hoe beter hij de wedstrijd overziet, hoe gemakkelijker hij zich op individuele situaties kan instellen en hoe beter hij leiding kan geven aan zijn verdediging. Daar komt bij dat hij zich in ieder geval moet kunnen opstellen. Een half metertje naar links, rechts, voren of achteren kan al veel problemen voorkomen. En het is natuurlijk duidelijk dat een keeper voor zijn goal moet kunnen keepen. Hij moet weten hoe ver hij van zijn lijn kan of moet komen en een goede keeper heeft bovenal een ontwikkeld gevoel voor uitkomen. Dat is timing: op het juiste moment en met de juiste snelheid uit de goal komen, naar de bal toe. Kijken, kijken, kijken en pats: ineens er uitkomen. Doen!
Omdat we al eerder schreven dat we er voorstander van zijn dat tot tien of elf jaar alle spelertjes eens in de goal staan, is het logisch dat iedereen ook een zekere training krijgt in het keepen. Dat begint bij het wennen om op de grond te liggen en te vallen: bodemgewenning. Ook veldspelers vallen wel eens, maken wel eens een buiteling. Het is bekend dat de jongste bang zijn om te vallen. Daarom is het goed als er bij de zes- tot tienjarigen een paar keer getraind wordt op vallen en rollen. Individueel en met tweetallen, met en zonder bal, uit stand en uit beweging. Het gaat erom dat ze vroeg leren dat je helemaal niet bang hoeft te zijn als je eens valt. Bovendien kan voorkomen worden dat door angst en (dus) krampachtigheid de verkeerde bewegingen worden aangeleerd. Na de bodemgewenning komt de echte keeperstraining: de techniektraining.
Ballen op het lichaam
- rollen en oprapen
- onderhands gooien tussen knie en borst
- vangen en bal naar de buik trekken
- onderhands boven de schouders gooien
- bovenhands vangen
- onderhands en bovenhands gooien met boog
- vangen, eerst zonder afzet, daarna met afzet, dan met zweefduik
Ballen
naast het lichaam
Op dezelfde manier,
maar dan met ballen naast de keeper aangegooid. Er kan ook worden getrapt,
maar gooien is zuiverder. Ballen moeten aan weerszijden van de keeper worden
gegooid.
Techniek vanuit (hurk)zit
Achterwaarts rollen
en weer terug tot hurkzit, zonder de handen te gebruiken. Ook naar links en
rechts rollen. En naar voren, koprol maken, steeds zonder handen te gebruiken.
De keeper zit op de grond, met de knieen iets gebogen. De speler met de bal gooit de ballen aan. Afwisselend links en rechts van de keeper. Ook vanuit kniezit, hurkzit en vanuit stand.
Is het eenmaal zover dat een jongen zich steeds meer als vaste keeper manifesteert ( wat bij de tien- en elfjarigen het geval zal zijn), dan kan hij op verschillende manieren als keeper bij spelletjes en oefeningen worden betrokken. Bij inleidende tikspelen bijvoorbeeld is hij tikker en keeper! Bij het afwerken op goal staat hij natuurlijk in het doel. En bij een partijspel op kleine doeltjes kan hij het best worden ingezet als spits of als vrije verdediger, zodat hij inzicht krijgt in het spel van de belangrijkste spelers met en tegen wie hij speelt.
Van belang is een keepertje te laten weten dat hij heel veel zelfstandig kan en moet oefenen. De mogelijkheden zijn talloos. Laat hem werken met alle soorten ballen (ook tennisballen, rugbyballen en basketballen). Hij kan het gemakkelijk alleen doen tegen een muur of een houten schot. Daarbij moet uiteraard in het oog worden gehouden dat het keepertje niet voortdurend alleen bezig is. Hij hoort er ook bij! Maar evengoed kunnen twee keepers samen oefenen. Ook voor hen zijn er genoeg leerzame en leuke spelvormen te bedenken.
(bron: Dit artikel heb ik gevonden in een wat ouder boek dat ik een keer uit de Bibliotheek had gehaald. Ik weet niet meer precies de titel, maar sommige stukjes uit het boek had ik bewaard.)