Begin van het spel

  

Bij het begin van de wedstrijd stellen de aanvoerders zich voor aan de scheidsrechter en beide assistent scheidsrechters. Voor dat de wedstrijd begint moet bepaald worden welke partij gaat aftrappen en welke ploeg welk doel zal verdedigen. Daartoe wordt een munt opgeworpen, terwijl een van de aanvoerders - meestal die van de bezoekende partij - mag raden welke kant boven komt te liggen. De winnaar moet dan het doel kiezen. Het andere team neemt de aftrap.

Zo mag niet getosst worden. Men mag niet raden in welke hand de fluit zich bevindt. Er moet altijd met een muntstuk worden getosst.

Na de toss is het aan de beleefdheid van de aanvoerder van de thuisclub om het muntstuk op te rapen voor zijn gast, de scheidsrechter. Het team dat de toss wint, kiest het doel. Het andere team neemt de beginschop.

Beginschop. Alle spelers moeten op hun eigen speelhelft zijn. De partij die niet mag aftrappen, moet bovendien buiten de middencirkel blijven. De straal van de cirkel is 9,15 meter (afgeleid van Engelse maten). Op de bovenstaande afbeelding is de beginschop niet goed. Overnemen. Er volgt geen verdere straf. Bij herhaling volgt een waarschuwing.

Correcte beginschop. De speler die aftrapt, mag de bal niet meer spelen, voordat een ander die heeft aangeraakt. Uit de aftrap (beginschop) mag rechtstreeks gescoord worden in het doel van de tegenpartij. Voor vrije schoppen, hoekschoppen en strafschoppen geldt ook dat de bal in het spel is als hij getrapt is en beweegt. Na een geldig doelpunt wordt het spel als boven beschreven hervat. Bij het begin van de tweede helft neemt de partij de beginschop die niet de aftrap voor de eerste helft verrichtte.

Als trainer moet je bij de oefenpartijen erop toezien dat bij de aftrap alle spelers op eigen helft staan, dus ook de speler waar de eerste bal naar wordt  gespeeld. Hier wordt zeer vaak tegen gezondigd en veelal ook niet voor gefloten. Goed aanleren dus en ingrijpen als het niet goed wordt uitgevoerd.