Buitenspel
Buitenspel I
Grondregel buitenspel:
Een speler staat buitenspel als hij dichter bij de doellijn van de tegenpartij is dan de bal. Op deze grondregels zijn twee uitzonderingen:
1. Nooit buitenspel als een speler op zijn eigen speelhelft staat.
2. Nooit buitenspel als een speler niet dichter bij de doellijn van de tegenpartij staat dan de voorlaatste tegenstander.
Als er sprake is van stafbaar buitenspel, onderbreekt de scheidsrechter het spel en laat een speler van de andere partij een indirecte vrije trap nemen. Tot het moment waarop de indirecte vrije trap genomen is, houdt de scheidsrechter een arm omhoog. Als je gelijk staat met de voorlaatste verdediger kan je nooit buitenspel staan.
De
buitenspelregel is, zeker voor jonge spelers, een nogal abstracte, moeilijke
regel. Om deze regel aan te leren is het noodzakelijk de situatie waarin die
zich voordoet te vereenvoudigen. In een echte wedstrijd 11 tegen 11 zijn er
zoveel elementen aanwezig (veel spelers, grote ruimten, hoge snelheid,
spanning voor de wedstrijd) dat het leren begrijpen en het verkrijgen van
inzicht in deze regel nauwelijks plaats kan vinden. Met name voor jongere
jeugd ( 10-14 jaar) werkt het zeer goed om de regel te oefenen in een
eenvoudige situatie, echter met alle basisingrediënten. Hierbij moet dus
gedacht worden aan kleinere partijtjes of een vorm van aanval en verdediging
waar aanvankelijk meer aanvallers dan verdedigers aan deelnemen, bijvoorbeeld
3 tegen 1 naar een doel, of 3 tegen 2, 4 tegen 3 en dergelijke. Steeds vanuit
deze situatie wordt de buitenspelregel verduidelijkt, geoefend en
gecorrigeerd. Vooral de bedoeling van deze regel moet bekend worden bij de
spelers. Methodiek in het aanleren is steeds hoe meer spelers, hoe groter de
ruimte, zowel in de breedte als in de lengte van het veld hoe complexer en
onoverzichtelijker dus moeilijker. Aanleren in de praktijk is ook hier weer
het beste middel. Bij volwassen spelers in oefensituaties de buitenspelregel
niet vergeten, zeker niet bij selectiegroepen, waar het om de punten gaat, als
essentieel element benutten in de training.
Buitenspel II
Men onderscheidt strafbaar en niet-strafbaar buitenspel.
Een speler wordt alleen voor zijn buitenspelpositie bestraft indien hij , op het moment dat de bal wordt geraakt of gespeeld door een medespeler, naar oordeel van de scheidsrechter, actief bij het spel is betrokken door:
in te grijpen in het spel
een tegenstander in diens spel weet te beïnvloeden
voordeel weet te trekken uit zijn buitenspelpositie.
Het moment waarop de scheidsrechter de situatie van een aanvaller beoordeelt is dus het moment waarop een van zijn medespelers de bal speelt of aanraakt en niet het moment waarop de aanvaller de bal ontvangt.
Buitenspel III
Een speler staat wel buitenspel maar is om die reden niet strafbaar; als hij niet ingrijpt in het spel of het spel van de tegenstander niet beïnvloedt of anderszins geen voordeel trekt uit zijn positie. Men zegt dan ook wel: als hij niet actief bij het spel is betrokken.
Een speler staat eveneens niet strafbaar buitenspel indien hij de bal rechtstreeks ontvangt uit een doelschop, hoekschop of inworp.
Buitenspel IV
"Buitenspel zetten" hoort bij het verdedigen.
"Het stapje vooruit" op het juiste moment door de achterste verdedigingslinie gedaan, is zo'n methode om een aanval te onderbreken.
Dat gaat niet op voor de verdediger die achter de doellijn gaat staan om op die manier de tegenpartij buitenspel te zetten. De verdediger die dat bewust doet, maar ook de verdediger die per ongeluk achter de doellijn terecht komt zonder de bedoeling te hebben de tegenpartij buitenspel te zetten, wordt in beide gevallen geacht zich binnen de lijnen te bevinden. Dit is dus niet de goede manier om je tegenstanders door buitenspel uit te schakelen.
Buitenspel V
Het gebeurt wel eens dat een aanvaller achter de doellijn van de tegenpartij terecht komt, tussen de palen of daarbuiten. Dat kan bewust gebeuren om zich zo aan buitenspel te onttrekken. Hij kan ook zonder het gewild te hebben daar terechtgekomen zijn. De scheidsrechter hoeft dan niet af te fluiten, zolang de aanvaller achter de doellijn zich maar niet met het spel of de spelers bemoeit en dus niet "actief betrokken" is bij het spel. Doet hij dat wel, bijvoorbeeld door te roepen, dan moet de scheidsrechter het spel stilleggen, de aanvaller een waarschuwing (gele kaart) geven wegens onbehoorlijk gedrag en het spel hervatten met een scheidsrechtersbal op de plaats waar de bal was toen afgefloten werd.
Buitenspel VI
Het moment waarop de bal door een speler wordt gespeeld, is beslissend voor het al dan niet buitenspel staan van zijn medespeler. Alles wat na dat moment gebeurt, kan van belang zijn voor wel of geen buitenspel. Een medespeler kan op het moment dat de bal gespeeld wordt buitenspel staan, zonder dat de scheidsrechter hiervoor affluit, omdat hij niet actief bij het spel betrokken is en dus niet ingrijpt in het spel of zich niet met het spel van de tegenstander bemoeit of voordeel trekt uit zijn positie. Ander wordt het bij de volgende spelsituatie: Een aanvaller lost een schot op doel en een medespeler van hem staat tegelijkertijd in een niet strafbare buitenspelpositie. De scheidsrechter fluit hier dus niet voor. De bal komt vervolgens via de vuist van de doelverdediger (of de paal) bij de buitenspel staande speler terecht. deze krijgt de bal voor zijn voeten en scoort. Nu moet de scheidsrechter fluiten voor strafbaar buitenspel, omdat de speler voordeel trekt uit zijn buitenspelpositie.
Excuses voor de bijgeplaatste, soms wat scheve, figuren maar het boek met deze afbeeldingen liet zich door zijn afmetingen bijna niet scannen...

A brengt de bal op en plaatst op het ogenblik dat hij bij D komt naar B. B is buitenspel, omdat op het ogenblik dat A de bal trapte, zich geen twee tegenstanders tussen B en de doellijn bevonden. Indien B met schieten zou wachten tot E zover zou zijn teruggelopen, dat deze zich dichter bij de doellijn zou bevinden dan B, blijft het toch buitenspel, omdat het ogenblik dat A de bal trapte, beslissend is.

A plaatst de bal van positie A1 naar B en loopt in de richting van het doel. B plaatst de bal naar A op het ogenblik dat A in positie A2 staat. A is buitenspel, omdat hij geen twee tegenstanders tussen zich en de doellijn had op het ogenblik dat de bal door B werd gespeeld.

A zet de bal voor op het ogenblik dat B zich in positie B1 bevindt. B loopt van B1 naar B2 terug en ontvangt daar de bal. B is buitenspel, omdat hij geen twee tegenstanders tussen zich en de doellijn had op het ogenblik dat de bal door A werd gespeeld.

A schiet op het doel. De bal wordt door C tegengehouden, waarna B hem in bezit krijgt en doelpunt. B had geen twee tegenstanders tussen zich en doellijn , toen de bal door A werd gespeeld, maar hij is nu niet meer buitenspel, omdat de bal het laatst door tegenstander C werd gespeeld en hij op het ogenblik dat A schoot, niet strafbaar buitenspel was, waarbij is aangenomen, dat B niet de aandacht van C of D heeft getrokken en daardoor hun spel niet heeft beïnvloed.

A schiet op het doel, maar de bal springt van de doelpaal terug in het speelveld. B maakt zich meester van de bal en doelpunt. B is buitenspel, omdat de bal het laatst aangeraakt door A, een speler van zijn partij, terwijl hij dichter bij de doellijn was dan A en geen twee tegenstanders tussen zich had op het ogenblik dat de bal door A werd gespeeld.

A schiet op het doel. B1 loopt ondertussen naar B2 en belet C de bal te spelen. B is buitenspel, omdat hij zich voor de bal bevond op het ogenblik dat A schoot en omdat hij geen twee tegenstanders tussen zich en de doellijn had op het ogenblik dat A de bal speelde. B mag in deze stand geen voordeel uit zijn buitenspelpositie trachten te trekken, de loop van het spel niet belemmeren, noch ingrijpen in het spel van een tegenstander.

A neemt een hoekschop; de bal komt bij B. B schiet op het doel, maar de bal raakt F. F is buitenspel, omdat na het nemen van een hoekschop, de bal door B is gespeeld en F op het ogenblik dat B de bal speelde, geen twee tegenstanders tussen zich en de doellijn had.

A neemt een hoekschop. De bal komt bij B, die doorkopt naar F. F is buitenspel, omdat na het nemen van een hoekschop, de bal door B is gespeeld en F op het ogenblik dat B kopte, geen twee tegenstanders tussen zich en de doellijn had.

A neemt een hoekschop, de bal komt bij B, die de bal rechtstreeks in het doel schiet, B had slechts 1 tegenstander tussen zich en de doellijn, maar hij is niet buitenspel, omdat een speler die de bal rechtstreeks uit een hoekschop ontvangt, niet buitenspel kan zijn.

A neemt een hoekschop; de bal raakt D en gaat naar B, die doelpunt. B heeft slechts 1 tegenstander tussen zich en de doellijn, maar hij is niet buitenspel, omdat de bal het laatst is gespeeld door een tegenstander (D)

A werpt de bal in naar B en A loopt dan van positie A1 naar positie A2, waarna B hem de bal toespeelt. A, de bal spelend dient te worden gestraft voor buitenspel, omdat hij geen twee tegenstanders tussen zich en de doellijn had op het ogenblik dat B hem de bal toespeelde.

A werpt de bal in naar B. Alhoewel B geen tegenstanders tussen zich en de doellijn had, is hij niet buitenspel, omdat een speler bij inworp niet buitenspel kan zijn.