Sportbegeleiding & opvoeding
deel 2 de Eigenschappen
Oorspronkelijke tekst Enno Crabbendam, tekst bewerkt en in modern jasje gestoken door de webmaster
De Eigenschappen
Tot de voornaamste eigenschappen, waarmee kinderen van nature zijn behept, behoren: Fantasie, egoïsme, overheersingdrang, imiteren. Iedere eigenschap afzonderlijk zullen we kort behandelen
1. Fantasie
Het kind fantaseert graag, het overdrijft. Van liegen is aanvankelijk nog geen sprake, want hierin ligt het bewust bedriegen of verbergen. Het wordt hierbij uitsluitend gedreven door zijn instinct. Wanneer het kind groter wordt en de eerste pogingen tot overdrijving zijn nooit onderdrukt, zullen de gevaren voor het kind en de moeilijkheden voor de opvoeder steeds meer toenemen en tenslotte tot allerlei narigheden aanleiding geven. Het is daarom zaak, dat reeds de eerste keer, dat het kind probeert een volbrachte daad te ontkennen of de schuld op een ander af te schuiven, onmiddellijk krachtig wordt ingegrepen. Het onmogelijke en het dwaze van zijn handelswijze moet duidelijk worden gemaakt, maar nog belangrijker is zelf altijd de waarheid spreken en daarmee het goede voorbeeld geven. Wanneer een speler ziet dat zijn trainer/leider het met die waarheid niet zo nauw neemt, dan krijg je onherroepelijk problemen. Omgekeerd, wanneer een speler ziet dat je in dit opzicht het goede voorbeeld geeft, dat er in de groep een eerlijke, open geest heerst, dan zal hij ook eerder de waarheid spreken. Zijn gevoel voor de waarheid zal hierdoor worden versterkt.
Trainers en leiders moeten bedenken dat bij de geringste verdraaiing of omzeiling inconsequent gehandeld kan worden. Dat inconsequent zijn of handelen is een van de grootste fouten die in de opvoeding gemaakt kan worden. Bij kinderen zal je bovendien meer respect afdwingen als je kan toegeven dat je het antwoord op een bepaalde vraag niet weet. Kinderen hebben snel door of je de waarheid verkracht door een ontwijkend antwoord te geven. Blijf altijd open en eerlijk, zo kweek je de ware sportiviteit bij de spelers. Begrip waarheid is de basis voor de eigenschappen die voor de eigenlijke karaktervorming van de ideale sportbeoefenaar van beslissende aard is. Fantasie kan dus zeer gemakkelijk ontaarden in overdrijven en zelfs liegen.
Niettemin heeft goed gestuurde fantasie ook zijn voordelen. Wie denkt er niet met veel plezier terug aan de sprookjes en tekenfilms die in ieders jeugd voorbij zijn gekomen. Vroeger verteld door Oma, Juf of je moeder. Ook de Sint Nicolaasviering valt hieronder. Iedereen voelde zich in de decembermaand toch behaaglijk in deze wereld van fantasie. We zouden de kinderen toch een enorm plezier onthouden door het bestaan van de goedheiligman te ontkennen. Er zijn mensen die tegenover dit feest niet sympathiek staan, en ze bestempelen als onwaardig en niet echt. Deze groep mensen is helaas te sterk vastgeschroefd in het harnas van de werkelijkheidszin. Een Sint Nicolaasfeest op de voetbalclub mag naar mening dan ook niet ontbreken. Hoe dit feest bij kinderen leeft is altijd te merken zo'n twee weken voor 5 december. Veel spelertjes zijn ongedurig, lijken minder op te letten en zijn nog sneller afgeleid dan normaal. De 5 decemberstress werkt bij heel veel kinderen onbewust door, ook op het voetbalveld. Dat geldt ook voor de groep die het grote geheim opeens al hebben ontrafeld. Vanaf een jaar of 12 wordt dit pas wat minder. Gelukkig worden de tradities rond de goedheiligman door Nederland totnogtoe nog steeds in ere gehouden en erkend. De kinderziel wordt er door gekleurd en verlicht. Tot de leeftijd waarop men zich de kinderschoenen ontgroeid...
Bij de sprookjes kunnen we nog melden, moeten we toegeven dat hier niet altijd de juiste tact wordt aangewend. Om de spanning op te voeren, wordt maar al te vaak het accent gelegd op reuzen en wilde dieren, die als schrikaanjagende monsters worden afgetekend en kinderen vaak slapeloze of onrustige nachten bezorgen, maar het ook bang en nerveus maken, voor lange jaren zelfs. Ook de voorstelling, als zou een politieman een ware boeman zijn, teneinde het ongehoorzame kind weer onder controle te krijgen is al te naïef en bovendien onverantwoord. Met deze dwaze gewoonte moet gebroken worden. De kinderziel mag door deze zwakke opvoedingsmethode niet onnodig verstoord worden. Kinderen moeten in de reus een fors gebouwde sterke man zien, die zijn enorme kracht in dienst stelt van de zwakkere medemens en die overal helpt, daar waar normale omstandigheden geen resultaat zouden brengen. Kinderen raken zich er dan meer van bewust dat de wijkagent er niet is om bang voor te zijn, maar dat deze hen daadwerkelijk kan helpen bij problemen.
Ook in het voetbal willen we de fantasie niet graag missen. De fantasie verhoogt de esthetische waarde en maakt de sport als kijkspel attractiever. In hoeverre het spel door het inschakelen van de fantasie doelmatiger, productiever wordt, zal in het verdere gedeelte nader worden toegelicht.
2. Egoïsme
Kinderen zijn egoïstisch. Te verwonderen is dit niet, waar de neiging tot zelfbehoud zich al vroeg bij het kind openbaart. Dat dit euvel zich ook in ruime mate bij volwassenen kan doen gelden, daar zijn in de maatschappij maar al te veel voorbeelden van. Volwassenen verstaan echter de kunst deze eigenschap in de meeste gevallen te camoufleren, terwijl bij kinderen daarentegen het openlijk naar voren treedt. Juist daarom valt het des te sterker op en vinden wordt dit al snel als onaangenaam ervaren. Het woord medelijden komt in het kinderwoordenboekje nog niet voor na het vertonen van de zelfbewustheid! Met een prettige toon is hier voor een jeugdleider al veel te bereiken. Als een kind merkt dat de leider meevoelt met het leed of de nood van anderen, dan worden ook bij hem overeenkomstige gevoelens gewekt. Brengt men het hem onder het oog, dat al het levende gevoelig is voor pijnlijke indrukken, dan zal hij het met meer ontzag en eerbied gaan benaderen. Bij de bestrijding van egoïsme, moet echter zeer voorzichtig worden omgesprongen.
Belangrijk is dat het persoonlijkheidsgevoel verder wordt ontwikkeld. Daar zijn verschillende manieren voor. Een mogelijkheid is om hem bijvoorbeeld de leiding te geven, wanneer aan de groep waartoe hij behoort, iets moet worden uitgedeeld. Hij moet ervoor zorgen dat iedereen evenveel krijgt. Als dat lukt zal hij in een betere stemming komen door de tevredenheid bij zijn vriendjes.
Egoïsme kan ook aanleiding geven tot jaloersheid. Heel vaak is de leider zelf hier de schuld van, omdat hij zijn pupillen niet in gelijke mate behandelt. Van voorkeur mag geen sprake zijn; voor hem zijn allen gelijk. Ook als de een stukken beter voetbalt dan de ander mag hij dit nooit laten blijken. Bestuursleden van bekende clubs zondigen ook tegen deze regel. Als het om uitblinkende spelers gaat, gaat men al snel vrij ver in het tegemoet komen van zijn wensen, zogenaamd in het belang van de vereniging. Bij amateurverenigingen word ook al stevig met de geldbuidel gerinkeld. Beetje creatief boekhouden en alles past binnen de reglementen. In de hogere afdelingen van de amateurs kom je spitsen tegen die bij net zoveel verschillende clubs hebben gespeeld als de jaren dat ze bij de senioren voetballen... Met deze handelswijze kan nooit succes bereikt worden op langere termijn. Bovendien bereik je hiermee dat anderen zich terecht verdrukt voelen en ontevreden worden. Dat vooral hierdoor de goede clubgeest bedreigd wordt, ligt voor de hand. Zo leidt ook afzondering tot egoïsme! Het karakter kan niet gevormd worden , het kind leert geen zelfstandigheid, geen gemeenschapsgevoel, maar wordt opgevoed tot egoïst. En het is daarom zo'n enorm voordeel, wanneer kinderen zich al vroeg bij een voetbalvereniging (of teamsport) aansluiten, om op die manier in een gemeenschap te worden opgenomen. Clubvrienden blijven vaak 'vrienden voor het leven'. Er ontstaat vaak op deze wijze een hechte band onder elkaar.
3. Overheersingdrang
Wanneer bij kinderen de periode van de zelfbewustheid is aangebroken ( en dat geschiedt al vrij vroeg), tracht het zijn eigen wil door te zetten. Dit leidt al snel tot overheersingdrang, als het kind niet aan gehoorzaamheid gewend is. Overheersingdrang en egoïsme staan veelal in nauw verband tot elkaar, hoewel ze als abstract begrip verschillen. Daarom even afzonderlijk ingedeeld. Zoals al eerder vermeld is de kinderziel van nature op egoïsme ingesteld, waardoor het gevoel voor medelijden in een gebrekkig beginstadium verkeert. Het kind is er nog niet vatbaar voor. Het leed van anderen begrijpt het niet of onvoldoende; de levensvreugde voert de boventoon. En gelukkig maar! Tranen en lachjes wisselen elkaar zonder veel moeite en in snel tempo af. De algemeen gangbare uitdrukking "kleine dwingeland" duidt afdoende op de aangeboren overheersingdrang van de jonge wereldburger. Met deze natuurlijke eigenschap raken wij tevens een thema, dat aanleiding geeft tot niet geringe moeilijkheden. Want hoewel wij er voor te zorgen hebben, dat de overheersingdrang van onze jongste generatie niet tot excessen kan uitspatten, zullen wij deze eigenschap toch niet tot aan de wortels mogen bestrijden. Dit is psychologisch niet te verantwoorden! Anders zouden het gevoel van eigenwaarde, het zelfvertrouwen en de ondernemingsgeest, de noodzakelijke pijlers voor een krachtig en gezond leven, verdwijnen. Dan verword de jonge patiënt tot een willoos werktuig. Bovendien zijn deze eigenschappen ook onontbeerlijk voor de technische opleiding van de sportieve kinderen, die in de 'oefenspelen' ( het woord wedstrijd vermijden we hier opzettelijk) een uitzonderlijke gelegenheid vinden, deze hoedanigheden te benutten en verder te ontwikkelen. Als hun lichamen later volgroeid en gehard zijn, om in het stevige voetbal gedurende de eigenlijke wedstrijden te kunnen worden ingeschakeld, zullen deze spelers een geweldige voorsprong hebben, indien zij beschikken over het nodige zelfvertrouwen en persoonlijk initiatief, die in hun jeugdopleiding via de oefeningen werden voorgehouden en aangeleerd. Ook hun moed komt dit ten goede, terwijl al deze hoedanigheden automatisch de snelheid van de lichaams- en balbewegingen bevorderen, dus de technische waarde van de voetballer verhogen. En op die manier heeft de jeugdleider bijna onopgemerkt en zonder deze speciale doelstelling ertoe bijgedragen, dat zijn leerling later de moeilijkheden van de harde, praktische maatschappij niet alleen aandurft, maar vooral ook aan kan. Meermaals is bewezen dat sportbeoefenaars de vele obstakels, die hij op wat voor gebied dan ook, gemakkelijker zal overwinnen dan niet-sporters.
Genoemde eigenschappen dienen echter met zorg ontwikkeld en in geen geval onderdrukt te worden. Eigen initiatief is noodzakelijk!
Menselijke automaten kunnen in een systeem van dictatuur onmisbaar zijn, in een omgeving, waar een frisse, democratische wind waait, hebben we mensen nodig met heldere ideeën, los van slavendiscipline en dogmatisch gedoe. In de moderne tijd is geen plaats voor kuddedieren, die door de een of andere verdwaasde machtswellusteling worden uitgebuit. Laten we vooral in het achterhoofd houden, dat wanneer bij een sporter het gevoel van eigenwaarde, dat primair een verschijnsel is van lichamelijke en geestelijke gezondheid, er eens toe mocht leiden, dat hij de dingen niet precies doet, als zij hem worden voorgedaan, of zoals wij het graag willen. En zelfs als dit gevoel van eigen kracht naar overmoed en strijdlust mocht neigen (wat bij hele lieve zoet kindertjes nooit het geval zal zijn!), dienen wij deze uitingen ziet zonder meer te veroordelen als eigenwijsheid, trots, eerzucht, maar moeten we er ons juist over verheugen, dat de bewuste leerling niet steeds aan de leiband wil lopen, maar houdt van de vrijheid, zonder al die belemmerende bepalingen, zoals deze maar al te vaak de menselijke activiteit afremmen. Juist hier gaat het in de jeugdopleidingen nog vaak fout. Elke handeling, ook de meest simpelste, wordt nauwkeurig voorgeschreven met de niet altijd rechtvaardige eis van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, en al het pijnlijke nauwkeurige toezicht op al het doen en laten van de betrokkenen.
Dat in een juiste waardeschatting van het eigen ik de oorsprong van elk gevoel van kracht ligt, kijken pedagogen nogal eens overheen. In verschillende onderwijssystemen is het drilsysteem nog diep ingeworteld. Gelukkig is er tegenwoordig wel meer ruimte voor het persoonlijkheidsonderwijs. Belangrijk is ook dat juist nu, in onze moderne tijd, opvoeding weer volop in de belangstelling staat. Na jaren van passiviteit op dit gebied, neemt de opvoeding in de maatschappij weer een belangrijker plaats in. Belangrijk is dat kinderen zich ontwikkelen als sterke persoonlijkheden, om later, als het er in de maatschappij op aan komt stevig in de schoenen te kunnen staan. Men is dan beter bestand tegen de verleiding van anderen. Men is dan op zijn eigen ik aangewezen. Daar moet dan de kracht uitgeput kunnen worden.
Aan de versterking van dit gevoel van zelfstandigheid moeten de leiders en trainers dan ook krachtig meewerken.
Nooit mag de begeleider door voortdurend berispen en spotten het gevoel van eigenwaarde bij zijn pupillen verkleinen. Integendeel, bij een bijzonder goed geslaagde verrichting moet dat extra geaccentueerd worden, om het zelfvertrouwen van de spelers te versterken. Gelegenheden doen zich op de training en in de wedstrijd gedurende de jeugdopleiding in ruime mate voor!
Zelfs in de wereld der volwassenen maken we nog regelmatig kennis met begaafde onderwijskrachten, die in dit opzicht een ontstellend gebrek aan psychologisch inzicht demonstreren. Als examinator proberen ze bij het peilen van de kennis , waarover de kandidaten beschikken, in hoofdzaak de zwakke plekken op te sporen. Vervolgens worden kandidaten via deze zwakke plek zo aangepakt dat er van het hele examen niks meer terecht komt. Zo kan het gebeuren dat veel mensen die de examenstof voor het merendeel goed beheersen , het niet redden, door deze onbegrijpelijke kortzichtigheid. Onder deze omstandigheden krijgt het zelfvertrouwen vaak zo’n knauw dat dit desastreuze gevolgen heeft voor het vervolg van het examen.
Zelfvertrouwen een machtige steun!
Laten we er daarom naar streven de pupillen te steunen in het besef, dat ze er toch nog wel iets van kunnen, als ze in enig opzicht mochten falen. Daar kan met de keuze van oefeningen rekening mee gehouden worden. Zo zullen deze minder snel ten prooi vallen aan het beruchte minderwaardigheidsgevoel, dat al zoveel mensen in onze moderne maatschappij in moeilijkheden heeft gebracht. Zelfvertrouwen geeft ons een goed houvast en sport kan deze eigenschap ontwikkelen! Teams met een goed geloof in eigen kunnen, presteren altijd beter dan andere teams. Als er twijfel in eigen kunnen in de groep ontstaat wordt het steeds moeilijker wedstrijden tot een goed einde te brengen.
De trainer/coach moet dit dan ook goed in de gaten houden, ga met veel zorg te werk en houdt nauwkeurig toezicht, grijp pas dan in als het gevoel van eigenwaarde tot excessen mocht leiden. Het is zijn taak deze krachtsuitingen in goede banen te leiden, ze in dienst te stellen van verstandige handelingen en de hierbij ontwikkelde energie met beleid in te schakelen bij de technische training, als voorbereiding voor de eigenlijke wedstrijden.
Overheersingdrang hoeft dus niet in alle gevallen als een slechte eigenschap te worden gekenmerkt, maar kan bij een goede leiding zeer veel bijdragen tot versterking van het moreel, dat en in de sport en in het dagelijks leven de basis vormt. Een belangrijke voorwaarde hiertoe is de gelegenheid tot handelen, die steeds in voldoende mate aanwezig moet zijn. Zo dient vooral de verveling - als gevolg van niets doen - vermeden te worden. De spelers moeten daarom steeds maar weer worden bezig gehouden, waarbij echter ook iedere overdrijving het proces nadelig kan beïnvloeden. De speler(s) zal in bepaalde gevallen hindernissen ontmoeten. Deze onaangename storingen zal hij moeten overwinnen. Daaraan valt niet te ontkomen.Met een rustig , bemoedigend woord van de trainer/coach bereikt men dan al veel. De bewuste persoon zal er door geïnspireerd worden en zijn geschonden zelfvertrouwen hervinden. Zo zal het doel tenslotte toch bereikt worden en... zonder tegenzin!
4. Imiteren
Imiteren of het nadoen van anderen is meestal een slechte gewoonte. Het verraadt bijna altijd zwakte, gebrek aan initiatief en werkt in niet geringe mate gemakzucht en luiheid in de hand. In de praktijk wordt dan ook hoofdzakelijk geïmiteerd door de jeugd, die van nature geneigd is, anderen - het liefst ouderen - uit haar omgeving in alles na te doen. In slechte zin, wanneer de uitdrukking na-aperij van toepassing wordt, dient deze onsympathieke gewoonte door de trainer krachtig te worden bestreden. Hij moet er voor zorgen dat een speler, die om de lachlust op te wekken, met het nabootsen van een onbeheersbare lichaambeweging van zijn trainingsmaatje dat de een of andere oefening gebrekkig uitvoert , daarop wordt aangesproken. De verleiding tot dit soort acties moet direct in de kiem worden gesmoord. Dit bedreigt niet alleen het zelfvertrouwen van de zwakke speler, maar ondermijnt ook de gezonde sfeer, hetgeen fataal kan zijn voor verdere resultaten van de ploeg.
Daarom is het streven van de trainer er onder andere op gericht zijn pupillen het begrip voor elkaars moeilijkheden bij te brengen. Op die manier zullen zij tenslotte zelf gaan inzien, dat het er in de allereerste plaats om gaat, allemaal zonder een uitzondering, zover te komen dat de groep een geheel vormt waarin alle deelnemers, dus ook de minder begaafde, behoorlijk kunnen meekomen. Het zal bovendien de opofferingsgezindheid en het saamhorigheidsgevoel bevorderen. Zo kan een spelersgroep die in vele opzichten sterk verschilt, toch uitgroeien tot een vriendenclub. Wanneer aan deze belangrijke voorwaarde is voldaan, is tevens de basis gelegd waarop verdere prestaties, zowel sportief als moreel - zonder veel weerstand kunnen uitgroeien naar het niveau, dat iedere jeugdtrainer zich graag als ideaal stelt. Dat er niettemin op dit gebied in de begeleiding en opvoeding nog wel wat te corrigeren valt, tonen ons vele voorbeelden, waarin zelfs ouderen de verleiding van het imiteren niet kunnen weerstaan en de kracht schijnen te missen, om zelf iets origineels te ontwerpen. Kijk maar eens naar het aantal covers in de muziekwereld... Als we in de voetballerij kijken zien we veel verenigingen bepaalde speelstijlen domweg overnemen, zonder zich vooraf te overtuigen, of de omstandigheden zich bij haar hiertoe wel lenen.
Wanneer is imiteren verantwoord?
Desondanks kan imiteren in sommige gevallen zijn nut hebben. Waar het 't goed voorbeeld van ouders, leraren of trainers betreft, mits onder alle omstandigheden het eigen initiatief niet wordt prijsgegeven.
Om ons bij het voetbal tot twee voorbeelden te beperken, zullen op deze wijze vooral jongere spelers kunnen profiteren van een handig uitgevoerde actiesituatie, schijnbeweging of slimme tegenzet, die hun in een wedstrijd door de een of andere tacticus wordt gedemonstreerd, terwijl de leerling scheidsrechters hun leiding zullen verbeteren door naast hun eigen opvattingen ook die van de geroutineerde collega, te benutten. Maar verlies hierbij nooit uit het oog dat wij dit imiteren nooit mogen overdrijven ten koste van eigen prestige of deugdelijkheid. Want wat ten aanzien van ons tweede voorbeeld een scheidsrechter door een bepaald gebaar een opvallend succes oplevert, zal bij de 'imitator' de lachlust kunnen opwekken en zijn verdere leiding zeer ten nadele kunnen beïnvloeden.
naar Boekbespreking Jeugdvoetbal auteur: Enno Crabbendam
naar Startpagina