De Terugspeelbal
Sinds het begin van het competitieseizoen 92-93 is de nieuwe regel voor het terugspelen op de keeper ingevoerd. De keeper mocht, anders dan voorheen, plotseling de terugspeelbal niet meer in zijn handen pakken, maar moest deze voortaan met de voet in het spel houden. Deze nieuwe regel waarin de keeper het ‘lijdend voorwerp’ is, zorgde voor heel wat ophef. Vooral bij de keepers die voetballend nogal wat problemen hadden, werd de wijziging met veel ‘poeha’ ontvangen. Voor de keepers met voetballende kwaliteiten werd de verandering met het voetballen daarentegen juist een stuk leuker. Er kan geconstateerd worden dat op de nieuwe regel door keepers op verschillende manieren wordt gereageerd. In Engeland worden zo’n beetje alle terugspeelballen door de keepers categorisch naar voren geramd. In Nederland wordt zoveel mogelijk de voetballende oplossing gezocht en is het de taak van de keeper om de bal in de ploeg te houden en aan de basis van een nieuwe aanvalsbouw te staan.
Het grootste probleem met de nieuwe regel voor het terugspelen op de keeper was en is vooral de interpretatie van de terugspeelbal. Wanneer kan de bal nu wel en wanneer kan de bal nu niet worden opgepakt? De keeper moet zich door de nieuwe regel geheel anders gaan instellen, zich bewust worden van de nieuwe situatie en het uitvoeren van de beste oplossing zich zo snel mogelijk eigen zien te maken. Veel keepers zijn hier in een korte tijd in geslaagd. De terugspeelbal is dan ook een verrijking voor het voetbal. In het bijzonder voor de keeper die nu voetballend een belangrijke rol heeft. Hij kan positief en negatief een grotere stempel op een wedstrijd drukken. Omdat de terugspeelbal voor veel keepers nog steeds grote problemen oplevert, gaan we op dit onderdeel van het keepen uitgebreid in.
Problemen vanuit de keeper gezien
1. Positie van de keeper
De positie moet zo zijn dat:
het doel altijd verdedigd (kan) word(t)en;
de keeper aanspeelbaar is voor de terugspeelbal
de afstand tussen de speler die terug speelt en de keeper zo groot mogelijk is (= meer tijd en meer ruimte)
2. Als de speler de bal terugspeelt
Inschatten van de totale situatie:
snelheid van de bal
plaats van tegenstander(s) en medespeler(s)
naar aanleiding daarvan keuze maken: direct spelen, aannemen/spelen of aannemen
dribbelen of spelen
Belangrijke aandachtspunten:
vroegtijdig coachen door de keeper
nooit enig risico nemen ( beter een corner weggeven dan een doelpunt)
'ideaal' is de bal in het team te houden en, afhankelijk van de situatie, te spelen naar: - een voorhoedespeler, een middenliniespeler, een achterste lijnspeler.
Als dat niet mogelijk is, dan de bal ver en diep wegspelen.
over de zijlijn: zo ver mogelijk van het doel af
eventueel een corner veroorzaken
als een tegenstander doorloopt, dan niet passeren om het passeren (zoals bijvoorbeeld een voorhoedespeler), maar alleen om de bal vrij te maken om hem daarna goed te kunnen passen.
probeer de bal voor de keeper zijn sterkste been te krijgen ( in samenwerking met de medespelers)
ontwikkel zo snel mogelijk beide benen, want soms moet je met je zwakke been spelen.
laat de medespeler de bal zo vroeg mogelijk inspelen zodat er veel tijd en ruimte is.
de medespeler moet na de actie zo snel mogelijk vrijlopen (misschien eerst nog de tegenstander 'blokken') om weer aanspeelbaar te zijn.
Het ontwikkelen van 'voetbalkwaliteiten' voor de keeper.
De keeper zal voetbalkwaliteiten moeten ontwikkelen die nodig zijn om deze terugspeelbal-situatie goed te kunnen oplossen.
Wat heeft hij nodig?
De keeper zal zich eerst moeten 'instellen' als speler op de terugspeelbal. Als de keeper de bal in zijn handen heeft, is hij safe, de bal is van hem en niemand kan daar aankomen. Maar bij die terugspeelbal is de bal nog altijd voor iedereen bespeelbaar. De keeper moet de bal direct kunnen spelen, aannemen-spelen en aannemen-, dribbelen- spelen. Dat moet zowel met zijn linker- als rechterbeen mogelijk zijn. waar de bal naar toegespeeld moet worden, hangt weer van de totale situatie af. Overzicht daarbij is heel belangrijk. Vormen waarin deze vaardigheden geoefend worden zijn bijvoorbeeld:
positiespelen 3:1, 4:2, 5:2
spel- en partijvormen
specifieke vormen als passen, trappen
Belangrijk is wel dat er altijd rekening gehouden moet worden met het probleem van het doel en de 'laatste' man voor het doel. Dat houdt in dat je er altijd eerst voor zorgt dat de bal niet over de doellijn kan gaan en vervolgens dat de bal weer in het spel wordt teruggebracht.
Belangrijke punten vooral voor de keeper (maar ook voor andere spelers) zijn:
De ballen moeten zo aangespeeld worden dat deze onmogelijk over de lijn (waarop de keeper staat) kunnen gaan, anders zou het een doelpunt zijn. Dat betekent voor de spelers die terugspelen: de balsnelheid aanpassen, op het sterkste been van de keeper spelen en vooral zo vroeg mogelijk (veel ruimte-tijd geven aan de keeper) en na het aanpassen direct positie kiezen om aanspeelbaar te kunnen zijn.
Dit betekent voor de keeper:
risicoloos spelen, dus zo veel mogelijk breed en zo min mogelijk diep
snel keuzes maken: direct, aannemen-spelen (mede afhankelijk van beperkingen als direct spelen, twee keer raken., vrij).
(Artikel afkomstig
uit KNVB Cursusboek Coachen van Jeugdvoetballers in samenwerking met
jeugdleerplan keeperstraining Frans Hoek)
Boekentips:
|
|
Basisboek Keeperstraining Frans Hoek
|
|
|
De coach en zijn keeper Maarten Arts
|
|
|
naar boekbespreking KNVB
opleidingsboek 'Coachen van Jeugdvoetballers'
naar Trainingstipsstartpagina
naar Keeperstrainingsinformatie
naar Startpagina