Trainingsbegeleiding

Voor het begeleiden van een training zijn er voor de trainer drie toetsvragen geformuleerd, die als houvast dienen voor de trainer om het spel snel te overzien:

De eerste vraag die de trainers zichzelf moet stellen is: 'Loopt het?'

Deze vraag staat met name centraal tijdens de eerste training(en). Geef de spelers eerst even de tijd om de spelbedoeling en de spelregels van de voetbalvorm door te krijgen. Loopt het na verloop van tijd nog niet naar wens, ga er dan pas naar toe. Observeer goed waarom het misgaat en probeer het probleem op te lossen. Af en toe worden door spelers bewust de regels overtreden om de grenzen van de trainer af te tasten of omdat anders het spel niet kan worden gewonnen. Er zijn altijd kinderen in de groep die moeilijk met hun verlies kunnen omgaan. Het kan ook zijn dat een kind zijn gedachten elders heeft en dat een tekort aan concentratie de oorzaak is dat iets niet loopt. Tip: zoek contact met de ouders en maak afspraken. Dit kan veel narigheid voorkomen. Wat precies de oorzaak is dat een voetbalvorm niet loopt is moeilijk vooraf te bepalen. de trainer zal hier zelf ervaring mee moeten opdoen. Belangrijk is wel dat de trainer duidelijk de (spel- en gedrags)regels uitlegt en deze controleert. Wanneer de trainer ziet dat de training loopt, komt de tweede vraag in beeld. Het 'lopen'  van een training is dus een voorwaarde waaraan moet zijn voldaan, om de tweede vraag goed te kunnen beantwoorden. 

De tweede vraag, die de trainer zichzelf moet stellen is: 'Lukt het?'

De regels zijn duidelijk, maar kunnen de spelers de spelbedoeling realiseren? Lukt het de voetballers, al dan niet via samenspel, om te scoren? Lukt het scoren niet, dan kan het doel groter worden gemaakt of de afstand tot het doel worden verkleind. De veranderingen die in de organisatie worden aangebracht, staan voortdurend in het teken van de spelbedoeling. Als het lukt om doelpunten te maken, is da kans op plezier groot. Bij een pingelvorm bijvoorbeeld moet gemiddeld zes van de tien pogingen om de bal af te schermen voor de verdediger en de overkant halen, lukken Wanneer de pingelaar dat niet voor elkaar krijgt, kan bijvoorbeeld het pingelgebied worden vergroot. zijn acht van de tien 'pingelpogingen' gelukt, dan is wellicht het aantal pingelaars dat tegelijkertijd mag oversteken te groot. Het moet dus niet te moeilijk, maar ook niet te gemakkelijk worden gemaakt.

De derde vraag die de trainer zichzelf moet stellen is: 'Leert (en leeft) het?'

Als de regels bekend zijn en de spelbedoeling wordt gerealiseerd, komt de vraag of de kinderen het nodige leren in de voetbalvorm. Krijgen ze bijvoorbeeld, in een bepaalde partijvorm, beter in de gaten wanneer iemand echt vrij staat? Deze fase staat in het teken van het geven van aanwijzingen. Die inhoudelijke aanwijzingen staan in verband met de spelbedoeling van de voetbalvorm. Een voorbeeld van zo'n aanwijzing is: 'Eerst kijken waar je medespeler staat, voordat je de bal naar hem passt.' Zoals al eerder opgemerkt, is een speelse houding een voorwaarde om te kunnen deelnemen aan een voetbalactiviteit. In de pupillenfase voornamelijk als speler, maar later in de juniorenfase wellicht ook als organisator, trainer en/of scheidsrechter. Nauw verbonden aan deze voorwaarde is het plezier waarmee pupillen het voetbalspel spelen. Voetbaltrainingen en wedstrijden moeten zo worden georganiseerd dat kinderen in staat worden gesteld om het spel optimaal te kunnen spelen en beleven. Ook spelvreugde, samenwerking, en inzet voor een sportief resultaat worden hierbij betrokken. Kortom: het gaat om het plezier dat de speler ervaart als het spel wordt gespeeld volgens de bedoelingen van het spel. Dat kan alleen worden bereikt wanneer de voetbalvorm aansluit bij de leefwereld van de pupillen. De toetsvragen 'loopt 't, lukt 't en ;eert (leeft) 't  hebben voornamelijk betrekking op de wijze waarop de trainer de voetbalvormen begeleidt. Er gebeurt natuurlijk meer dan alleen het spelen van de verschillende voetbalvormen. Een trainer maakt zijn spelers mee in de kleedkamer, in het clubhuis. In veel gevallen is hij niet alleen trainer, maar ook coach tijdens de wedstrijden. Dat betekent dat hij een aantal uren per week omgaat met zijn spelers. Dat vraagt meer van een trainer/coach dan alleen het geven van een training of het maken van een opstelling. Meer hierover zal worden geplaatst in het item Omgangsvormen. 

naar Startpagina

Copyright © 1999 - 2008 Jeugdvoetbaltips | Disclaimer Mail de webmaster  Laatste upload op: 11 mei 2008