Forsstrand

A. Handboeken

 

 

 


Carl Forsstrand

“De tre Gracerna. Minnen och anteckningar från Gustaf III:s Stockholm”

Stockholm 1912

 

Isaac Marcus’ Boktryckeri-Aktiebolag. Hugo Gebers Förlag

 

[Een exemplaar van het originele drukwerk uit 1912

 bevindt zich in het FamilieArchief]

 

 

Pag. 234

Meyerfelt, Carl Fredrik; grefve, överste; sid. 174.

Meyerfelt, Johan August; grefve, fältmarskalk; sid. 13, 173-184.

Meyerfelt, Lovisa Augusta, f. Sparre; den föregåendes maka; sid. 10, 16, 41, 76, 93, 128, 136, 161, 172-186, 223.

 

Pag. 13 e.v.

Het gedicht van Kellgren “Gratiernas döpelse is op deze pagina’s integraal afgedrukt en heeft een voetnnoot, waarin wordt uitgelegd dat het gedicht officieel voor het eerst in 1781 is gedrukt,maar het kan zeker ook een paar jaar ouder zijn, met name 1778 of 1779: “(...) men dess tillkomst kan säkerligen bestämmas till ett par år tidigare, antaligen 1778 eller 1779.”

 

Pag. 16-17

“Äfven Johan Gabriel Oxenstierna tillhörde de tre grefvinnores beundrare och har hyllat dem både på vers och prosa. Den ibland dem, som först slog an på hans för kvinnig skönhet, liksom i allmänhet för allt vackert här i lifvet, så emottagliga sinnen, tycks ha varit Lovisa Meyerfelt. Redan från år 1769 – han vår då 19, hon 24  år – finnes en dagboksanteckning af honom, som vittnar härom (Dagboksanteckningar; utg. af G. Stjernström), nämligen för tisdagen den 21 februari: “(...) Jag voro aldrig på någon cour, om ej för att se grefvinnan Meyerfelt, en skönhet som den förra världen hade tillbedit på knä och gifvit offer åt som Venus och Diana”.”

Ook Johan Gabriel Oxenstierna behoorde tot de bewonderaars van de drie gravinnen en hij huldigde hen allen met poëzie en proza. Degene onder hen, die hem als eerste opviel door haar vrouwelijke schoonheid, net als in het algemeen geldt voor al het fraais hier in het leven voor ontvankelijke zintuigen, zal zijn geweest Lovisa Meyerfelt. Al vanaf 1769 – hij was toen 19, zij 24 jaar – is er een dagboekaantekening van hem, die hiervan getuigt (Dagboksanteckningar; utg. af G. Stjernström), namelijk van dinsdag 21 februari: “(...) Ik had geen enkele hartstocht gehad, als ik niet gravin Meyerfelt gezien had, een schoonheid die de oude wereld op zijn knieën had aanbeden en offers aan Venus en Diana had gegeven.”

 

Pag. 40-41

“Äfven Crusenstolpe (i “Morianen”, 2:dra delen) omtaler prins Fredriks böjelse för den vackra Ulla (...) Konungen själv förklarade sig för grefvinnan Meyerfelts riddare. Hvarken drottningen, hans gemål, eller grefven, hennes man, syntes taga illa vid denna utmärkelse och den inbördes frihet, som däraf blef en följd.”

Ook Crusenstolpe (in “Morianen”, deel 2) vertelt over prins Fredriks neiging tot de mooie Ulla (...). De koning zelf verklaarde zich tot ridder van gravin Meyerfelt. Noch de koningin, zijn gemalin, noch de graaf, haar man, schijnnen zich gestoord te hebben aan die onderscheiding en de vrijheden die daarop over en weer volgden.

 

Pag. 76

“Hvad angår Oxenstierna “Tre sultanninor », så må nämnas, att pjäsen trycktes år 1788 ock fick en mycket lyckad premiär på Dramatiska teatern den 22 september 1789. Den höll sig sedan på repertoaren i nära två decennier, men gafs icke ofta och sista gången i februari 1817.”

De koning gaat met zijn hele gevolg naar Gripsholm. “Naturligvis saknades ej de tre gracerna, ty grefvinnorna Höpken och Löwenhielm voro tjänstgörande statsfruar, ock “den vackra grefvinnan Meyerfelt kom at öla hofsällskapet, så mycket välkomnare, som hon ej hade med sig sin långa, magra och tyska man”.

Wat betreft “Drie Sultaninnen” van Oxenstierna, daarover moet gezegd, dat 1788 de eerste druk kwam en een goed gelukte première kreeg in het Drama Theater op 22 september 1789. Het bleef op het repertoire in de navolgende twee decenieën, maar werd niet vaak opgevoerd en voor het laatst februari 1817.

De koning gaat met zijn hele gevolg naar Gripsholm. Natuurlijk ontbraken de drie gratieën niet, want de gravinnen Höpken en Löwenhielm waren dienstdoende staatsvrouw, en “de mooie gravin Meyerfelt kwam met hofgezelschap aanvullen en was zeer welkom, omdat zij niet haar lange, magere en Duitse man bij zich had”.

 

 Pag. 128-129 (1789)

“Den första som tillkännagaf sin afsikt att lämna statsfrubefattningen, var grefvinnan Meyerfelt, men äfven de båda andra gracerna stode i begrepp att följa exemplet, hvilket dock tycks hafva afstyrts af Fersen.”

“Grefvinnan Meyerfelt erhöll på begäran afsked, och genast lät konungen resoltutionen expediera för grefvinnan Wrede på lön till att förekoma att hon skule fulfölja sin afskedsansökan.”

De eerste die te kennen gaf het voornemen te hebben haar staatsvrouwschap te verlaten, was gravin Meyerfelt, maar ook de beide andere gratieën hadden het idee haar voorbeeld te volgen, hetwelk echter zou zijn afgeraden door Fersen.

Gravin Meyerfelt herhaalde haar verzoek tot afscheid, en meteen liet de koning de resolutie vervaardigen om gravin Wrede een wedde te geven om te voorkomen dat zij haar afscheidsverzoek zou doorzetten.

 

 

Pag. 172-186 (Lovisa Sparre)

Zie onderstaande gescande pagina’s.

 

 

 

 

Lovisa Sparre

 

 

            LOVISA Augusta Sparre werd geboren op 14 september 1745 en was zodoende de oudste van de gratieën. Haar ouders waren opperstadhouder, graaf Axel Wrede-Sparre, die zoon was van de hier boven genoemde veldmaarschalk Erik Sparre van Sundby en zwager van Ulla en Augusta Fersen’s moeder (zie blz. 20), en Christina Margareta Augusta Törnflycht, dochter van Rijksraad graaf Olof Törbflycht en kleindochter van de rijke en beroemde burgemeester van Stockholm Olof Hansson Törne. Aldus goed afstammend van zowel vaders- als moederszijde, groeide Lovisa Sparre op in een huis, dat één van de hoogstgeachte in de vrijheidstijd van Zweden was, “want zij viel goed in de toon, toen het Hof van het tegendeel uitging”, en toen zij op haar zestiende naar buiten trad in het maatschappelijke leven, was zij een buitengewoon welopgevoede jonge dame en tegelijk in het bezit van een schoonheid, die vaak was opgevallen in haar geruchtmakende vadersfamilie en haar succesvol de wedijver deed opnemen met de     

 

meest gevierde schoonheden aan het Hof van Lovisa Ulrika. Het laat zich onder dergelijke omstandigheden verklaren, dat zij geen gebrek had aan vrijers, maar toen zij op 22-jarige leeftijd tenslotte haar keuze maakte, viel deze opmerkelijk genoeg op een

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOHAN AUGUST MEYERFELT.

Naar een kopergravure in de K. Bibliotheek.

 

Man, die bijna 19 jaar ouder dan haarzelf was en bovendien qua uiterlijk volgens unanieme commentaren geen Adonis was. Maar de toenmalige majoor, uiteindelijk veldmaarschalk en één van ‘s rijks heren, graaf Johan August Meyerfelt bezat zeker andere voorwaarden

 

om  het hart en de hand van de mooie en begaafde Lovisa Sparre te winnen. Zoon van de roemruchte Karoliner met dezelfde naam, was hij een bekwaam officier en dappere krijger, bovendien een man van eer, uitgerust met een groot voorkomen en een statig figuur ter vervanging van zijn ontbrekende uiterlijke schoonheden. Zijn portret laat zodoende een oude versierde man zien met regelmatige doch enigszins stijve en scherpe trekken; maar in dat opzicht had hij op alle manieren beter geloot dan zijn oudere broer Carl Fredrik, die volgens een aantekening “in de lengte het ene gezichtshelft geheel anders dan de andere helft” had.

            Heer Meyerfelt had meerdere landgoederen, maar woonde in Gustaaf III’s tijd meestal in Stockholm, ten gevolge van de militaire dienst en de aanstelling van zijn vrouw in 1778 als staatsvrouw bij de koningin. Hun huis was er één met het hoogste aanzien in de hoofdstad en werd op grote voet gevoerd. Een voorstelling hiervan kan worden gehaald uit het kadaster van 1780, toen het voorname paar in het huis n:o 5 en 6 woonde in het kwartier Paardenhoofd (nu Paarden en huis beantwoordend n:o 36 en 38 aan de Regeringsstraat, op de hoek van de Hamnstraat en grenzend aan het oude fraaie Sparrepaleis, dat daarna Burgerweeshuis werd en nu gevandaliseerd is in Sveasalsleven’s dienst). De bediening bestond uit kamerdienaar Löve (wellicht vader van het lange en zo beruchte meisje Löf), kamerjonkvrouw, huisjonkvrouw, 4 lakeinen, disselrijders, koetsiers, huisknecht, een vrouw en 5 dienstmeiden. De opgave noemt bovendien magister Anders (sic!) Kellgren, als gouverneur van de twee zonen, en onder de huurgasten wordt genoemd Carl Peter Lenngren, zangeres

 

 

Anna Maria’s aanstaande man.