Chiang Mai
Dag
7: Zondag, 25 januari 2004 Chiang
Mai
Chiang
Mai ligt
in de Thaise uitlopers van de Himalaya. De stadskern is 700 jaar oud, de
voormalige vestingstad is in 1296 gesticht aan de voet van de Doi Suthep door
Koning Mengrai, en is de op één na
grootste stad van het land. De plaats heeft een eigen taal, keuken, dans en
tradities, en daardoor een geheel eigen sfeer. Het onafhankelijk koninkrijk
werd in het midden van de 16e eeuw door de Birmanen onderworpen en
de stad was 220 jaar een vazalstaat van Birma. De stad en bewoners zijn altijd
“bijzonder”geweest: pas in 1938 gaf Chiang Mai zijn onafhankelijkheid op en
werd het officieel een deel van het koninkrijk Thailand.
Nu is het de
toeristische hoofdstad van het noorden van Thailand, in de regio wonen nog
traditionele bergvolkeren. De bijzondere
charme van Chiang Mai en de aanwezigheid van rozenkwekerijen hebben
ervoor gezorgd dat ze de bijnaam “Roos van het Noorden” kreeg.
De stad is ook het
centrum van traditionele ambachtkunst, het is omringd met dorpen zoals San
Kamphaeng en Bo Sang, die wij vandaag zullen bezoeken, waar de
inwoners bijna uitsluiten leven van hun Lanna - Thaikunsthandwerk, zoals:
keramiek, houtsnijwerk en leerbewerking, goud-, zilver- en lakwaren, bamboe en
teakmeubelen, zijde- en katoenweverijen. Bo Sang is vooral bekend om zijn mooi
gekleurde parasols, waaiers en lampen uit Sa – papier gemaakt, van de schors
van de papiermoerbei. De kunstwerken worden allemaal met de hand gemaakt.
We vertrekken met de bus
en voel me gelukkig weer helemaal in orde.
Als eerste gaan we naar
een leerfabriek. We krijgen daar een korte uitleg en daarbij worden
vooral diverse leren handtasjes getoond. Vervolgens gaan we de showroom
bezichtigen, schappen vol leerproducten, te kust en te keur. Zelf koop ik een
riem.
Aan de rand van de
parkeerplaats staan twee kleine tempeltjes; snel een foto maken.
Hierna gaan we naar de Gems
Gallery, de grootste edelstenen-
en juwelenzaak van Thailand. We krijgen in hun filmzaal een film te zien
over hoe de edelstenen in hun eigen mijnen worden gedolven, hoe ze worden bewerkt
en hoe de eindproducten er uitzien.
Onze begeleidster wacht
ons op, ieder stel krijgt als service en natuurlijk om te verkopen een eigen
begeleidster mee, haar naam is volgens het naamplaatje: “First”. Zoals ze zelf zegt is dit
haar nickname, ze spreekt en verstaat ook een beetje Nederlands. Als eerste
brengt ze ons naar het atelier waar een heel stel mannen en vrouwen bezig zijn
met het bewerken van de edelstenen. We zien hoe de stenen worden geslepen en
gepolijst en in de settings worden gezet.
Daarna gaan we naar de showroom, wat een ruimte!!
Allemaal vitrines met sieraden, ringen, armbanden, oorbellen en wat al niet
allemaal meer, alles voorzien van juwelen.
Omdat Ineke
net voordat we zijn vertrokken uit Nederland jarig is geweest en nog geen cadeautje
heeft gehad onder het mom van: we kijken straks in Thailand wel, zoekt ze een
mooie gouden ring met een steen van groen jade en zes diamantjes uit. Het
betalen via de betaalautomaat met de giromaatpas gaat hier al net zo makkelijk
als in de C1000 thuis.
Nu is het parasolfabriekje
aan de beurt. We krijgen uitleg en Randy
laat zien hoe de vezel wordt bewerkt. Uiteraard is het ook allemaal te zien,
hoe b.v. de parasols worden gemaakt en beschilderd. Ook zitten er schilders die
allerlei voorwerpen beschilderen met figuren. Zelf laat ik de tas van mijn
fototoestel beschilderen met een olifant, dit is in een paar minuten gebeurt en
kost 60 bath, iets meer dan € 1. Voor het gebouw staan mooie bloemen, zoals de
“Fallannopsis”.
In de zijdeweverij
krijgen we uitleg van een aardige Thaise hoe alles in zijn werk gaat en
demonstreert hoe van de cocon van de zijderups de zijdedraad wordt gehaald.
Uit
de eitjes van de zijdevlinder komen de zijderupsen, die alleen maar moerbeiblad
eten. Als de rupsen volwassen zijn geworden gaan ze zich inspinnen, een cocon
maken. In de kaak van de rups zitten twee piepkleine
openingen. Daaruit perst de rups een lijmdraad en een zijdedraad. De lijm zorgt
ervoor dat de cocon in de buitenlucht hard wordt. Al spinnend knijpt de rups
zichzelf als het ware leeg. Hij wordt dus steeds kleiner. De rups spint
zodoende een cocon waarin hij zelf helemaal verdwijnt. Na drie dagen en nachten
spinnen is de cocon klaar. Om een cocon zit ongeveer 2000 meter zijdedraad. De
eerste en laatste 500 meter bestaat uit korte stukken draad. De middelste 1000
meter is één lange draad en dus bruikbaar. In de cocon verandert de rups in een
pop waaruit de vlinder komt. Echter voordat dat gebeurt wordt de cocon verhit
in een oven waardoor de pop doodgaat, zodat door het uitkomen van de vlinder
het vernielen van de cocon en daarmee van de zijdedraad wordt voorkomen.
De cocons worden in warm water gelegd, hierdoor
lost de zijdelijm op en laat de zijdedraad makkelijker los en kan de draad van
de cocon worden afgewikkeld, het zogenaamde “afhaspelen”. Meestal worden
meerdere cocons tegelijk afgehaspeld zodat er een stevige draad ontstaat. De
draden worden op klossen gewikkeld om te kunnen weven. Na het weven wordt de
geweven lap gekookt met een soort zeep, het ontbasten. Waarbij de laatste
resten zijdelijm worden verwijderd en de zijde glanzend, heel soepel en zacht
maar wel sterk wordt.
Natuurlijk is er bij de weverij ook een winkel waar
zijde en kleding kan worden gekocht.
Vervolgens gaan we lunchen. Na de lunch een paar
stappen lopen, om de hoek van de straat staat een mooi huis, in de tuin een
mooie struik met bloemen. Daarna bezichtigen we nog bedrijf waar brons wordt gegoten en bewerkt en tenslotte
een lakfabriekje en een bedrijf met zilvergieterij en waar het zilver
wordt verwerkt tot allerlei mooie voorwerpen, goed voor een paar foto’s. ![]()
Bij alle bedrijfjes zijn natuurlijk winkels voor de
verkoop van de producten.
Het was interessant om te zien hoe al die
ambachtelijke werk- en productiemethoden nog in zijn werk gaan.
Wat opvalt is dat in Thailand de bedrijven erg
trots zijn op het feit dat ze ISO gecertificeerd zijn, zoals te zien op
de foto van de zilverslagerij waar de werkneemsters kleren dragen met de tekst
dat het bedrijf aan de ISO-voorwaarden voldoet. In geheel Thailand zie je
bedrijven die op de gevel een groot bord hebben met de mededeling dat ze ISO
gecertificeerd zijn.
Onderweg is ergens de was die we vanmorgen mee
hebben genomen in de bus, opgehaald; morgen krijgen we het terug: schoon
gewassen en gestreken.
Vanavond dineren we in Khum Khantoke, het
Centrum voor Lanna Kunst en Cultuur. Voordat we naar binnen mogen moeten de
schoenen uit.
Het diner, wat bestaat uit typisch Noord-Thaise
gerechten, wordt opgediend op een khantoke, dit is een laag rond tafeltje. De
bedoeling is dat je aan die lage tafeltjes op de grond zit met steun van een
paar kussens. Voor westerlingen die dit niet gewend zijn hebben ze ook tafels
met daaronder een gat in de grond
waarbij je op de grond kan gaan zitten maar wel met je voeten op de
vloer van het gat. Lekker makkelijk dus voor ons. Alhoewel zo gemakkelijk gaat het nu ook weer niet. Bij het gaan
zitten ga ik op de voet van Ineke zitten, dat is niet leuk want het doet
pijn en de voet zet ook iets op. Randy haalt bij iemand van het
personeel een potje met één of andere zalf en smeert dat op de voet.
Tijdens het eten wordt het geheel opgeluisterd met
traditionele Noord-Thaise dans en muziek. ![]()
Na afloop worden buiten Kome Loy Lanterns ,
dat is een soort heteluchtballon, opgelaten. De gedacht hierachter is dat alle
zorgen door de ballonnen worden weggevoerd en dat je geest en hart rustig
worden bij het zien van de oplichtende ballonnen tegen de donkere hemel.
In het hotel komt Randy ons nog even een
tubetje zalf en twee pilletjes brengen. Ineke moet de pijnlijke voet insmeren
met de zalf en nu en morgenvroeg een pilletje innemen dan moet de pijn morgen
over zijn.
Dag
8: Maandag, 26 januari 2004 Chiang Mai
We
worden vanmorgen al om 5.30 uur gewekt en we vertrekken om halfzeven. We gaan
als eerste naar een “plein” waar het
beeld onder aan de voet van 1600 meter hoge Suthepberg staat van de, in Noord
Thailand beroemde en nog steeds geëerde monnik Pra Krubra Srivichai die
in 1934 het initiatief heeft genomen om een verkeersweg aan te leggen naar de
Wat Phra That Doi Suthep, de tempel die op de Suthepberg ligt.
Hier
komen ook de vele monniken, in hun oranjegekleurde kleding, langs die vanuit
het klooster naar de stad beneden gaan om daar van de inwoners of familie eten
te krijgen die dit offeren. Dit doen ze iedere dag. Iedere Thaise man wordt
geacht om in zijn leven minimaal twee maanden monnik te zijn. Dit
kan ook al als ze nog kind zijn, vanaf 10 jaar.
Op het plein kun je bij stalletjes eten en drinken
kopen om te offeren aan de langskomende monniken, Fox heeft voor de groep ook
wat gekocht. Dit offeren gaat gepaard volgens een vaste procedure; het eten
moet in een vaste volgorde worden gegeven.
Na het offeren gaan we verder naar de Wat Phra That Doi Suthep. De berg waarop hij ligt
is het symbool van Chiang Mai en de tempel is de belangrijkste, mooiste en
grootste van Noord Thailand. Waarom de tempel hier op deze berg is gebouwd vertelt een legende:
In
de 14e eeuw had een monnik in Sukhothai een visioen, hij zag een
vuur en toen hij daar naar toeging vond hij een relikwie van Boeddha zelf. Hij
nam het mee naar zijn koning maar die verloor zijn interesse ervoor omdat er
geen wonderen gebeurden.
Echter
de koning van Lanna hoorde van de monnik en nodigde hem uit om naar Chiang Mai
te komen met het relikwie. Deze zou worden geplaatst in de speciaal daar voor
gebouwde Wat Suan Dok. Maar bij het plaatsen ervan brak het in tweeën,
wat de koning tot een ander plan bracht. Hij plaatste bij de poort aan de
noordkant van de stad, nu bekend als Chang Puak (De witte olifantpoort), een
helft van het relikwie op de rug van een heilige witte olifant en stuurde hem
de wildernis in. De olifant beklom de Doi Suthep, hij stopte twee keer van
vermoeidheid maar ging door. Na drie dagen bereikte hij een hooggelegen vlak
stuk grond, liep er drie keer omheen, knielde toen, trompetterde voor de
laatste keer en stierf. Op deze plaats werd de tempel gebouwd in 1383.
Met
de bus kunnen we niet bij de tempel zelf komen. Dat is mogelijk door een trap
met 290 treden te beklimmen, echter je kan er ook komen met een kabelbaantje.
Dit laatste doen wij, de voet van Ineke is bijna goed maar hij moet nu
niet geforceerd worden.
Bij
de tempel gekomen is het schoenen uit en een zeer ruime lange broek aan die je
daar kan krijgen, ik mag niet zo met mijn korte broek op het tempelplein komen.
Je moet hier een prachtig uitzicht over de stad hebben maar helaas het is
wazig, dus weinig of niets te zien.
De tempel zelf is erg mooi. Een 16 (sommige
“bronnen” spreken over 22) meter hoge gouden chedi omgeven met vergulde
ereparasols, talrijke Boeddhabeelden
in de galerijen en mooie tempelgebouwen.
Binnenin de tempel wordt een relikwie van Boeddha bewaard.
Op het binnenhof staan kleine Boeddhabeelden
bekleed met bladgoed. Elk beeld heeft een andere houding en vertegenwoordigd
een dag in de week. Ik heb de liggende Boeddha gefotografeerd die de dinsdag
vertegenwoordigt en hij heet de “Lazy” Boeddha. Natuurlijk staat er ook een
beeld van de heilige
witte olifant.
Na het bezoek aan de tempel gaan we nu naar wel
iets heel anders, namelijk naar het Elephant
Training Centre te Mae Ta Man, een 60 km ten noorden van Chiang Mai.
Na aankomst gaan we naar het “stadion“ voor de olifantenshow.
Hier laten de olifanten zien wat ze allemaal hebben geleerd.
De training begint ongeveer als de olifant
vijf jaar is en het duurt ook ongeveer vijf jaar voordat ze “eindexamen”doen.
Ze doen kunstjes, stapelen boomstammen, stappen over een man heen, zetten hem
een hoed op, gooien met de slurf een basketbal door de mand, voetballen met een
bal zowel met voor- als achterpoten, schilderen, flapperen met hun oren, buigen
voor het publiek en nemen met hun slurf heel gemakkelijk geld aan of een
banaan. Tot slot geven ze ook nog geluid als ze het publiek bedanken.
Na deze leuke show gaan we met de ossenwagen, natuurlijk
met een twee ossen ervoor, een rit maken. Nadat we zijn ingestapt gaat het
bolderend en bonkend op pad. Gerard zit bij ons in de wagen, hij is
alleen want Annelies is ziek en blijft vandaag in bed. Zij heeft
hetzelfde als wat ik heb gehad. We komen door een klein dorpje waar ook nog een
tempel staat, daarna gaan we het open veld in. Hier heb je een mooi uitzicht op
het Thaise landschap. We komen langs en dorpje met armmoedige hutjes. Een rij
olifanten komt ons tegemoet, het stof stuift hoog op.
We bereiken na een drie kwartier het eindpunt
van deze hobbelige tocht.
Hier stappen we over op een olifant voor de
jungle toer van ruim een uur. De olifant heeft een tweepersoonsbankje met
rug- en armleuningen op zijn rug. Voor je wordt een stevige metalen stang, net
zoals bij een kabelbaantje, aangebracht voor de veiligheid. De mahouts, de
olifantentrainers, zitten op de kop van het dier. Zij hebben een jarenlange
zeer persoonlijke band met de olifant. Er kunnen hier ook bananen worden
gekocht om onderweg aan de olifant te voeren, helaas ze zijn op als wij willen
kopen. Ergens onderweg kan dat ook nog.
We gaan onderweg, het is eerst wat wennen aan de
loop van het dier. Zelfs Ineke vindt het na een paar minuten niet eng
meer maar geniet ervan en voelt zich als een koningin. Na een tijdje komen we
bij de rivier. Maar goed dat we de staaf voor ons hebben want het gaat nu steil
de oever af naar beneden en het water in. Als je je niet vast zou kunnen houden
zou je zo voorover over de kop van het dier het water in plonsen. We gaan een
eindje door het water en dan gaat het de wal op en de jungle weer in over
kleine paadjes en tussen en onder de bomen door. Met hier en daar een
fantastisch uitzicht op het landschap. Het is enerverend om een tocht op een
dergelijk dier te maken. Na verloop van tijd dalen we weer af naar de rivier en
gaan het water in,
de rivier wordt een eind gevolgd en komen we
terug bij het kamp waar onze rit op de ossenwagen begon.
Een hele belevenis deze rit.
Nu volgt in het kamp de lunch en daarna staat het
volgende “avontuur”op het programma. De tocht op de Mae Ping Rivier met een
bamboevlot. De rivier is 569 km lang en ontspringt in de bergen bij Chiang
Dao ten noorden van Chaing Mai en voorziet het aanliggende platteland van water
voor de rijstvelden, landerijen en gewassen. De lokale bevolking heeft het dan
ook over de “Levensader van de Provincie”. De rivier stroomt zuidwaarts door
Chiang Mai, en gaat dan naar Lamphun, Hot, Tak en via Khamphaeng Phet naar
Nhakon Sawan waar hij uitkomt in de Chao Phrata.
Op het vlot staan drie losse
“bankjes”, twee lage kistjes met een plank erover, dus gaan zitten is ook nog
niet eens zo eenvoudig, we gaan met zes personen op het vlot.
Ieder vlot heeft twee “schippers” uitgerust
met een vaarboom, om het vlot bij te sturen als we door de stroming de rivier
afzakken. Dat is ook wel nodig want regelmatig zijn er rotsblokken in het water
of er net onder, dat is dan te zien aan de wervelingen en de versnelling van
het water. Op een gegeven moment gaat het dan ook prompt fout, het vlot raakt
de bodem en de voorste “schipper” valt voorover van boord in het water, het
vlot krijgt “slagzij” en het water stroomt me dan ook in de schoenen. Dus voor
de beide “schippers” is het nu zaak om ons weer vlot te krijgen, de ander
springt ook in het water om te helpen duwen. De rivier meandert door de jungle,
op de oevers staat hier en daar een hutje of huisje, het is er erg stil, wat
een rust. Het weer is heerlijk, niet te warm, de zon schijnt maar verdwijnt ook
herhaaldelijk achter de wolken, ideaal dus. We genieten dan ook heerlijk van de
natuur. Het
water in de rivier staat niet hoog waardoor de stroming minder snel is. De
tocht duurt dan ook ongeveer 1,5 uur. We komen bij de steiger waar de bus op
ons staat te wachten, ook dit onderdeel van de reis is al weer voorbij.
Op
de terugreis naar het hotel bezoeken we nog een orchideeënfarm
met een vlindertuintje erbij. Het is een bonte
bloemenpracht en ook de vlinders hebben allerlei kleuren.
In Thailand groeien ongeveer duizend soorten
orchideeën waarvan de meeste goed verscholen zijn in de wouden. Een leuk
waterrad gemaakt van bamboe staat opgesteld en hij draai ook nog.
We kunnen in het hotel even rusten, een lekkere douche
nemen en ons omkleden want we gaan om 17.00 uur al weer op weg. In een aantal
tuk tuks, een aantal stellen van de groep gaan niet mee, storten we ons in het
drukke verkeer van Chiang Mai op weg naar een Traditionele Thaise Massage.
Deze vorm van massage is een medische massage en is een verzameling van
eeuwenoude Oosterse technieken, zoals yoga, Ayurvedische geneeskunst en traditionele Chinese geneeskunst. In 1836 zijn deze technieken
bijeengebracht in de Wat Pho tempel in Bangkok. De massages werden vroeger
alleen in tempels en door monniken gegeven. Sinds 1962 is er de mogelijkheid in
de Wat Pho om verschillende massagetechnieken te leren. Sinds 1991 is er ook
een cursus ontwikkeld die door buitenlanders kunnen worden gevolgd. Het
certificaat van Wat Pho wordt internationaal erkend. Thaise
Massage verschilt van andere soorten massages, doordat er geen olie wordt
gebruikt. Het is een drukpuntenmassage, waarbij er met de duimen, handpalmen,
knokkels, ellebogen, voeten en knieën gemasseerd wordt. Je blijft niet op de
buik liggen maar ondergaat de massage in verschillende posities. Door de hele
massage heen zijn er Yoga-oefeningen in verwerkt. De Thai noemen hun massagevorm dan ook wel Yoga voor luie mensen. De masseur of masseuse geeft de
strekking, je hoeft zelf niets te doen.
We krijgen een
welkomstdrankje en dan worden de mannen en vrouwen gescheiden en gaan we naar
aparte ruimtes. Hier krijgen we een pyjama die we geacht worden aan te doen,
alleen ze zijn blijkbaar niet op mijn postuur berekend want ik kan met geen
mogelijkheid het jasje aan. Nou ja dan maar zonder jasje. De massage duurt
ongeveer twee uur en wordt door gediplomeerde masseuses gegeven. Na afloop
voelen we ons prima.
De tuk tuks staan al klaar en
brengen ons naar de nachtbazaar. Hier zijn ook snackbars, cafés en restaurants.
Wij lopen met Anneke en Ad even rond en omdat we nog moeten eten,
dit is de eerste avond van de reis dat het diner niet voor ons wordt
georganiseerd, besluiten we om naar “De Hoffbrau” te gaan. Dit is een Duits
restaurant met zowel een Thaise- als een Europese kaart. De Thaise serveersters
zijn gekleed in Thaise klederdracht. Ineke neemt een Wiener Schnitzel en
ik een Cordon Blue, vanzelfsprekend wel met patat. Nadat we gegeten hebben
lopen we nog wat rond op de nachtbazaar en gaan dan met een tuk tuk terug naar
het hotel.
Zo is er een mooie en
enerverende dag waarop we erg veel hebben gezien en meegemaakt voorbij.