op de fiets in de bergen |
|
| verzet blessures en blessurepreventie * frame * verzet * trapstel * zadel * wielen * banden * remmen * hellingen indexeren
|
|
Welke keus je ook maakt, een fiets voldoet alleen als je de juiste verzetten kunt steken. Niet de beschikbare energie, maar het kleinste verzet bepaalt of je moet afstappen. Velen denken dat lage versnellingen uitsluitend bij het hooggebergte horen. Dat is onjuist. Wat in algemene zin vlak wordt genoemd, hoeft nog niet vlak te zijn voor een fietser met bagage. De binnenwegen van de Champagne, Vlaanderen of de Spaanse hoogvlakte kunnen plaatselijk stijgingspercentages van meer dan tien rijk zijn. Daar ram je als vakantiefietser niet even op de macht overheen. Bovendien, vermoeidheid of windkracht acht kan een molshoop in een Mont Ventoux veranderen. |
|
Versnelling De versnelling wordt bepaald door het aantal tandjes van het kettingblad voor en die van het tandkransje van het freewheel achter. Wanneer de ketting vóór over een kettingblad met 52 tandjes loopt en achter over een kransje met 13 tandjes, genoteerd als 52x13, draait het achterwiel bij één omwenteling van de pedalen vier keer rond, bij 48 voor en 12 achter (48x12) is hetzelfde het geval. Het verzet van beide is dus gelijk. |
|
Verzet Het verzet van een fiets is de afstand in meters die de fiets aflegt bij één omwenteling van de pedalen. Hoe kleiner het verzet, des te minder kracht je op de pedalen hoeft uit te oefenen om het wiel te laten ronddraaien. Het verzet hangt af van de versnelling en de omtrek van de opgepompte band. Omdat de omtrek van een wiel vastligt kan het verzet alleen veranderd worden door verschillende versnellingen te kiezen. |
|
Bij een derailleurversnelling kan je het verzet berekenen door het aantal tandjes vóór te delen door het aantal achter en de uitkomst ervan te vermenigvuldigen met de omtrek van de band (De omtrek is de diameter van het wiel met band x 3,14). Een voorbeeld: Bepaal eerst de omtrek van het wiel + band, op dezelfde wijze als bij de instelling voor de fietscomputer. Dus, je houdt het wiel met het ventiel op het laagste punt. Je plaatst een merkteken op de vloer bij het ventiel. Je loopt met je fiets in een rechte lijn naar voren, totdat het ventiel weer op het laagste punt is aangekomen. Daar komt je 2e merkteken. Dan meet je de afstand tussen de beide punten. Deze afstand is voor een wiel met een 23 mm band van het type 23-622 hoogstwaarschijnlijk 2,096 m. (band goed oppompen) Verzet: (52 voor / 13 achter) x 2,096 meter = 8,38 meter. |
|
Beentempo
Bij fietsen is het ritme van de bewegingen van groot belang. Heel snel trappen en dan weer langzaam is doodvermoeiend. Lekker ontspannen bergopwaarts rijden doe je bij een tempo van tussen de 60 en 80 omwentelingen per minuut. Het maakt niet uit of je met of zonder bagage fietst, op de pedalen staat of in het zadel zit, een steile helling neemt of een flauwe; een lichaam functioneert nu eenmaal optimaal bij een dergelijk beentempo. Zakt dit tempo, dan schakel je terug. Doe je dat niet of kun je niet lager schakelen, dan begin je te wrikken. Dat vreet kracht. Een of twee hellingen hou je dat nog wel vol, maar niet een dag lang. Door het kiezen van een verzet (tanden voor en tanden achter) worden trapritme en snelheid aan elkaar gekoppeld. Een benaderingsformule voor de relatie trapritme-verzet-snelheid is: (1 / 8) x trapritme x (voor / achter) = snelheid | ![]() |
pas de la case / grens andorra - frankrijk |
|
Men kan het ook anders formuleren: |
|
Nog een voorbeeld: Je hebt geen cadansmeter, maar je wilt toch weten welk verzet bij jou past in een pittige klim. Je lichtste verzet is 32 voor en 26 achter en je wielomtrek is 2,115 meter. Dan is je snelheid bij een trapritme van 80 omwentelingen per minuut: |
|
| 80 x (32 / 26) x 2,116 meter p/minuut x 60 = 12,5 km p/uur. Zodra je in een klim met 32 voor en 26 achter op je computer op 12,5 km staat, is je trapritme dus 80 omwentelingen per minuut. |
|
Ook bij wielrenners zakt het beentempo zelden onder de 60 omwentelingen per minuut, zelfs niet bij krachtrijders als Fignon en Lemond. Wielrenners rijden in de bergen met een kleinste verzet van rond de vier meter. Vaak is 39x21 gemonteerd, dat is een verzet van 3,86. Met een snelheid van tegen de 20 km/uur jakkeren zij steile hellingen op, waar een vakantiefietser hooguit 7 km/uur kan halen. Bij deze lage snelheid zou met dezelfde 39x21 bij volle krachtsinspanning het beentempo 20 omwentelingen per minuut zijn. Dat is hooguit 100 meter vol te houden, maar dan blokkeren de spieren. Wil je wel blijven fietsen, dan moet de trapfrequentie omhoog en dat kan alleen door een aanmerkelijk kleiner verzet te steken. Een kleinste verzet van ca. de 3,0 meter, bijvoorbeeld 3,20 meter (42x28) is misschien net voldoende als je goed getraind bent. Voor matig getrainde trimmers en voor iedereen die met bagage rijdt, is een kleinste verzet van ongeveer twee meter aan te raden. Bij een dergelijk verzet hoort een tandwielverhouding van om en nabij de 1:1, evenveel tandjes op het kettingblad als op het grootste kransje van het freewheel. |
|
De 'gemiddelde stijgsnelheid' is een gegeven dat ook gebruikt wordt bij de keuze van het verzet, of wel de gewenste tandkranscombinatie. Hiervoor bestaan speciale tabellen. Die tabellen kunnen echter alleen gebruikt worden, als we weten met welke rotatiesnelheid van de pedalen we willen rijden. Die rotatiesnelheid (cadans) kan op veel fietscomputers worden afgelezen. De bezitters van zo'n computer kunnen op de vlakke weg nagaan welk pedaalritme het lekkerste rijdt en dat als uitgangspunt nemen voor het rijden in de bergen. Wie zo'n computer niet heeft, zal op gevoel moeten klimmen. |
|
Trapcadans interactief berekenen |
|
Twee of drie voorbladen? Omdat je afwisselend hard bergafwaarts rijdt, normaal doortrapt op vlakke wegen én langzaam bergopwaarts fietst, heb je sterk uiteen lopende verzetten nodig. Hoe meer verschillende verzetten je kunt steken, des te beter is de fiets aan te passen aan de verschillende omstandigheden. Gemiddeld is het verschil tussen het kleinste en het grootste verzet vijf meter. Dit heeft tot gevolg dat de overgangen tussen de verzetten groot zijn, bij tien verschillende versnellingen gemiddeld 0,5 m. Met drie voorbladen vóór kan je in principe de afstanden tussen de verzetten kleiner maken dan met twee bladen. Het nadeel van de meeste merken cranks met twee voorbladen is ook dat het kleinste blad nog altijd minstens 38 tandjes heeft. Dat betekent dat je alleen in de buurt van de 1:1 versnelling kunt komen door heel grote kransjes op het freewheel te monteren. Dit is om technische redenen verre van ideaal (de kettingspanning is dan erg slecht). Het is belangrijk dat de versnellingen elkaar redelijk opvolgen, zonder dat je voortdurend dubbel moet schakelen, dus de ketting zowel van blad als van kransje moet wisselen. Om technische redenen (snelle slijtage van ketting, kransjes en tandwielen door grote weerstand) is het af te raden de ketting in de uiterste standen te plaatsen, dus op het grootste voorblad en het grootste kransje of op het kleinste voorblad en het kleinste kransje. In de praktijk beschikken we dus over minder versnellingen dan theoretisch mogelijk is. |
|
twee voorbladen Nog altijd is het gebruik van twéé voorbladen erg populair. Een uitzondering hierop maken we voor de fietsers die met bagage in de bergen rijden. Jarenlang werd voor het fietsen in de bergen gebruik gemaakt van de voorbladen waar in eigen land ook mee werd gereden. De laatste tijd wordt meer en meer gebruik gemaakt van een kleiner binnenvoorblad als men de bergen in trekt. Men verwisselt dan het 42-binnenblad voor een 39-binnenblad. Het voordeel hiervan is, dat 'lichter' kan worden gereden. |
|
Wielen met vijf, zes of zeven tandkransjes kom je tegenwoordig in de bergen al heel lang niet meer tegen. De produktie ervan is gestopt. Inmiddels rijden de meesten rond met acht, negen of tien tandkransjes. Omdat acht en negen tandkransjes naast elkaar meer ruimte nodig hebben dan b.v. 6 of 7 tandkransjes, zijn hiervoor speciale naven ontwikkeld. Deze naven met cassettes voor acht of negen tandkransjes zijn dubbel gelagerd. Dit is te zien aan de verdikking van de naaf aan de pignonzijde. Deze naven zijn aan de pignonzijde smaller gespaakt, om meer ruimte voor de cassette te kunnen bieden. Het wiel heeft een plattere 'parapluvorm'. Tevens zijn er technische voorzieningen getroffen om te voorkomen dat het wiel slapper zou worden dan een breder gespaakt wiel. |
|
Acht kransjes bieden de mogelijkheid om een combinatie te kiezen welke op de vlakke weg én in de bergen kan worden gebruikt. Te denken valt aan de keuze: 14-15-16-17-19-21-23-26. Bij deze keuze kan eventueel het voorblad 42 in de bergen worden vervangen door een voorblad 39. Bij het gebruik van acht kransjes is het van belang om na te gaan, of de fabrikant de optie biedt om zelf een combinatie samen te stellen. Het komt meer en meer voor dat men gebonden is aan een cassette met kransjes, waarbij het niet mogelijk is om de combinatie te veranderen. |
|
Negen en tien kransjes worden standaard in vaste combinaties geleverd. De keuze tijdens het rijden van het juiste verzet is dan zo uitgebreid, dat er nauwelijks meer behoefte bestaat om een ‘eigen’ combinatie van kransjes samen te stellen. |
|
drie voorbladen Met drie voorbladen op je fiets, kan je je grootmoeder zelfs achterop meenemen naar de allersteilste bergtop! Een van de vele mogelijkheden bij acht kransjes is een combinatie van 52-42-28 vóór en 13-14-15-16-17-19-21-23 achter. Een combinatie die geschikt is voor het vlakke werk, de korte zeer steile Ardennen-hellingen én de lange hellingen in b.v. de Alpen. Hierbij beschik je dan in de praktijk over 18 kort op elkaar liggende mogelijkheden met verzetten tussen 8,54 en 2,84 meter. Doordat vijf van de in totaal acht kransjes onderling slechts één tandje van elkaar verschillen, kan het juiste verzet vrijwel altijd bereikt worden. Bij 9 kransjes kan daar nog een kransje 26 achter bij. Altijd en lekker gevoel als je zo’n kransje niet nodig blijkt te hebben. En als de ketting niet helemaal op het uiterst linkse kransje hoeft te liggen, ligt hij minder diagonaal en is de slijtage aan de ketting minder. |
|
Compact, terug naar twee voorbladen Campagnolo kwam in 2009 voor enkele groepen uit met een pignon met 11 kransjes. Zelf samenstellen van de combinatie van de kransjes is niet zinvol als je zoveel mogelijkheden tot je beschikking hebt. Je hebt dan twee voorbladen: 50 en 34 tanden. daarbij kan je uit diverse pignons kiezen. Campagnolo levert een pignon met een grootste kransje dat 29 tanden heeft. Superlicht klimmen dus. Niet met drie, maar met twee voorbladen. Heb je ooit een wielerprof zien rijden met een triple crankstel? |
|