Gjallar
Noormannen in de Lage Landen

Norsemen in the Low Countries

Startpagina

Home Page

Bronnen / Sources
Terug naar de inhoudsopgave

Back to the table of contents

Annales Fuldenses - De Annalen van Fulda / The Annals of Fulda
Beslaat: 714-837 als een aanpassing van eerdere annalen; 838-901 als onafhankelijke annalen
Geschreven: De meeste berichten na 838 gelijktijdig met de gebeurtenissen
Auteur: Verschillende anonieme schrijvers van de Oostfrankische koninklijke kanselarij; er zijn veel namen genoemd, zoals die van Einhard, Rudolf van Fulda en Meginhard, maar er is geen overeenstemming over deze namen. Vanaf 870 waarschijnlijk Liutbert, aartsbisschop van Mainz, en zijn omgeving
Gedrukte uitgave: Rau, R. (red.), Quellen zur karolingischen Reichsgeschichte III, (Darmstadt 1960), 19-177.
Engelse vertaling (gedeeltelijk): Reuter, Timothy, The Annals of Fulda, (Manchester/New York 1992).
Covers: 714-837 as an adoption of earlier annals; 838-901 as independent annals
Written: Most entries after 838 are contemporaneous with the events
Author: Various anonymous writers at the East Frankisch royal chapel; many names like Einhard, Rudolf of Fulda and Meginhard have been mentioned, but there is no consent about any of them. From 870 onwards probably Liutbert, archbishop of Mainz, and his circle
Printed edition: Rau, R. (red.), Quellen zur karolingischen Reichsgeschichte III, (Darmstadt 1960), 19-177.
English translation (partly): Reuter, Timothy, The Annals of Fulda, (Manchester/New York 1992).
Rau, Quellen, 22 (835)
Nordmanni Dorestadum vastaverunt.
De Noormannen plunderden Dorestad. The Norsemen devastated Dorestad.
Rau, Quellen, 22 (836)
Nordmanni Andwerpam civitatem incendunt, similiter et Witlam emporium iuxta ostium Mosae fluminis, et a Frisionibus tributum acceperunt.
De plaats Antwerpen werd door de Noormannen platgebrand, en ook Witla, de havenplaats aan de monding van de Maas, en ze ontvingen tribuut van de Friezen. The Norsemen burned the town of Antwerp, also Witla, the port at the mouth of the river Meuse, and they received tribute from the Frisians.
Rau, Quellen, 22 (837)
Normanni tributum exactantes in Walchram insulam venerunt ibique Eggihardum eiusdem loci comitem et Hemmingum Halpdani filium cum aliis multis xv. kal. iulii occiderunt et Dorestadum vastaverunt, acceptoque a Frisionibus tributo reversi sunt. Imperator omisso itinere Italico Aquisgrani hiemavit.
De Noormannen kwamen naar het eiland Walcheren om tribuut te innen en op 17 juni doodden zij de plaatselijke graaf Eggihard en Hemingr, de zoon van Hálfdan, met vele anderen, en ze plunderden Dorestad, waarna ze terug keerden, nadat ze van de Friezen tribuut hadden geïnd. De keizer (*) zag af van zijn reis naar Italië en bracht de winter in Aken door.
(*) Lodewijk de Vrome
The Norsemen came to the island of Walcheren to collect tribute and on June 17 they killed Eggihard, the count of this place, and Hemingr, the son of Hálfdan, with many others, and laid waste Dorestad and went back after they received tribute from the Frisians. The emperor (*) gave up his journey to Rome and stayed the winter at Aachen.
(*) Louis the Pious
Rau, Quellen, 22 (838)
Naves contra Nordmannos aedificantur.
Er werden schepen tegen de Noormannen gebouwd. Ships were built against the Norsemen.
Rau, Quellen, 32 (845)
In Frisia quoque tribus proeliis conflixerunt: in primo quidem victi, in secundis vero duobus superiores effecti magnam hominum multitudinem prostraverunt. Castellum etiam in Saxonia, quod vocatur Hammaburg, populati nec inulti reversi sunt.
Zij (*) leverden drie maal slag in Frisia: in de eerste werden ze inderdaad verslagen, maar in de overige twee waren ze meester en ze versloegen een groot aantal mannen. Ze verwoestten ook de burcht Hamburg in Saksen en keerden ongestraft terug.
(*) de Noormannen
In Frisia they (*) also fought three battles: in the first they were indeed defeated, but in the remaining two they were victorious and killed a great number of men. They also destroyed a fortress in Saxony, called Hamburg, and returned unavenged.
(*)the Norsemen
Rau, Quellen, 34 (847)
Nordmanni Dorestadum incendentes vastaverunt.
Dorestad werd door de Noormannen platgebrand en verwoest. The Norsemen burned and laid waste Dorestad.
Rau, Quellen, 38-40 (850)
Roric natione Nordmannus, qui temporibus Hludowici imperatoris cum fratre Herialdo vicum Dorestadum iure beneficii tenuit, post obitum imperatoris defuncto fratre apud Hlutharium, qui patri successit in regno, proditionis crimine falso, ut fama est, insimulatus tentus et in custodiam missus est. Unde fuga lapsus in fidem Hludowici regis orientalium Francorum veniens, cum per annos aliquot ibi moraretur et inter Saxones, qui confines Nordmannis sunt, mansitaret, collecta Danigenarum non modica manu coepit piraticam exercere et loca regni Hlutharii septentrionalis oceani litoribus contigua vastare. Venitque per ostia Rheni fluminis Dorestadum et occupavit eam atque possedit; et cum a Hluthario principe sine periculo suorum non posset expelli, cum consilio senatus legatis mediantibus in fidem receptus est ea condicione, ut tributis ceterisque negotiis ad regis aerarium pertinentibus fideliter inserviret et piraticis Danorum incursionibus obviando resisteret.
Nordmanni Godafrido duce per Sequanam ascendentes regnum Karli praedantur. Ad quorum expulsionem Hlutharium in auxilium vocatus cum sibi pugnandum esse cum hoste putaret, Karlus clam mutato consilio Godafridum cum suis in societatem regni suscepit et terram eis ad inhabitandum delegavit. Hlutharius vero adventum suum illo supervacuum videns ad propria reversus est.
Hrœrekr de Noorman hield met zijn broer Haraldr (*) de vicus Dorestad in leen in de tijd van keizer Lodewijk. Na de dood van de keizer en zijn broer werd hij beschuldigd van verraad - valselijk, zoals wordt beweerd - door Lotharius - die zijn vader op de troon was opgevolgd, en hij werd opgepakt en gevangen gezet. Hij ontsnapte en werd getrouwe van Lodewijk, koning van Oost-Francië. Nadat hij daar enige jaren tussen de Saksen, die de buren van de Noormannen zijn, had gezeten, verzamelde hij een niet geringe Deense legermacht en begon piraterij te bedrijven, en hij plunderde plaatsen bij de noordelijke kusten van het rijk van Lotharius. En hij kwam via de monding van de Rijn naar Dorestad, om het in te nemen en te bezetten. Omdat keizer Lotharius niet bij machte was om hem zonder gevaar voor zijn eigen mannen te verdrijven, werd hij weer als getrouwe aangenomen op advies van zijn raadgevers en door bemiddeling van gezanten, op voorwaarde dat hij trouw de belastingen en andere zaken die de koninklijke fiscus betroffen zou innen, en de aanvallen van de Deense piraten zou afslaan.
De Noormannen onder hun aanvoerder Guğröğr voeren de Seine op en plunderden het rijk van Karel. Toen Lotharius, die met de zijnen te hulp was geroepen om hen te verdrijven, een gevecht met de vijand nodig achtte, veranderde Karel heimelijk zijn plan, nam Guğröğr met zijn mannen op in zijn rijk en gaf hun land om te wonen. Toen Lotharius zag dat zijn komst zinloos was keerde hij terug naar zijn eigen gebied.
(*) Haraldr junior
Hrœrekr the Norseman held the vicus Dorestad as a benefice with his brother Haraldr (*) in the time of the Emperor Louis. After the death of the emperor and his brother he was denounced as a traitor - falsely as it is said - to Lothar, who had succeeded his father in the kingdom, and was captured and imprisoned. He escaped and became the faithful man of Louis, king of the eastern Franks. After he had stayed there for some years, living among the Saxons, who are neighbours of the Norsemen, he collected a not insubstantial force of Danes and began a career of piracy, devastating places near the northern coasts of Lothar's kingdom. And he came through the mouth of the river Rhine to Dorestad, seized and held it. Because the emperor Lothar was unable to drive him out without danger to his own men, Hrœrekr was received back into fealty on the advice of his counsellors and through mediators on condition that he would faithfully handle the taxes and other matters pertaining to the royal fisc, and would resist the piratical attacks of the Danes.
The Norsemen under their leader Guğröğr came up the Seine and plundered Charles's kingdom. Lothar was called to help with their expulsion, and thought that he was to come with his men to fight, but Charles changed his plan secretly, received Guğröğr with his men into the alliance of his kingdom and gave them land to live on. Lothar, seeing that his coming was pointless, returned to his own lands.
(*) Haraldr junior
Rau, Quellen, 42 (852)
Herioldus Nordmannus, qui superioribus annis iram domini sui Horuc Danorum regis fugiens, ad regem Hludowicum se contulit, ab eo benigne susceptus, baptizatus ac fidei sacramentis imbutus est, cum per plures annos honorifice inter Francos haberetur, tandem principibus Borealium partium et custodibus Danici limitis, quasi lubricae fidei et molimine proditionis coepit esse suspectus; unde et ab iis occisus est.
Haraldr de Noorman (*) was in vroegere jaren gevlucht voor de toorn van zijn heer, de Deense koning Hárekr, en had zich naar koning Lodewijk begeven, door wie hij goed ontvangen was. Hij werd gedoopt en in de sacramenten van het christelijke geloof gedrenkt, en hij woonde vele jaren eervol tussen de Franken. Op den duur werd hij door de groten van de noordelijke streken en de bewakers van de Deense mark verdacht van twijfelachtige loyaliteit en poging tot verraad, en werd daarom door hen gedood.
(*) Klakk-Haraldr
Haraldr the Norseman (*) had in earlier years fled the anger of his lord Hárekr, king of the Danes, and went to King Louis, by whom he was well received. He was baptized and received into the Christian faith, and held in honour among the Franks for many years. At length he became suspect to the leading men of the northern regions and the warders of the Danish march as of doubtful loyalty and a possible treachery, and was therefore killed by them.
(*) Klakk-Haraldr
Rau, Quellen, 46 (854)
Nordmanni, qui continuis xx annis regni Francorum fines per loca navibus accessibilia caedibus et incendiis atque rapinis crudeliter vastabant, congregati de regionibus, per quas praedandi cupiditate dispersi fuerant, in patriam suam reversi sunt. Ibique inter Horic regem Danorum et Gudurm filium fratris eius, qui eatenus ab eo regno pulsus piratico more vixit, orta contentione ita se mutua caede mactaverunt, ut vulgus quidem promiscuum innumerabile caderet, de stirpe vero regia nisi unus puer nullus remaneret, Domino sanctorum suorum iniurias ulciscente et adversariis digna factis retribuente.
De Noormannen, die twintig jaar lang voortdurend die plaatsen aan de grenzen van het Frankische rijk, die per schip bereikbaar waren, met moord, brand en roof op een wrede wijze hadden geplunderd, kwamen samen uit de verschillende delen waarnaar ze in hun verlangen tot plundering uitgezwermd waren, en keerden terug naar hun hun vaderland. Daar was een burgeroorlog aan de gang tussen Hárekr, de Deense koning, en Guğormr, de zoon van zijn broer, die tot die tijd door Hárekr uit het land was verdreven en een bestaan als piraat had geleid. Beide partijen bestreden elkaar zo moordzuchtig dat ontelbare gewone mannen werden gedood en van de koninklijke familie slechts een jongen overbleef, aldus bestrafte de Heer het onrecht dat zijn heiligen was aangedaan en gaf de vijanden wat ze verdienden. The Norsemen, who for twenty years continuously had cruelly afflicted with fire and slaughter and pillage those places on the borders of Francia which were accessible by ship, came together from the different parts to which they had scattered in their greed for plunder, and returned to their native country. There a civil war had begun between Hárekr, king of the Danes, and Guğormr, his brother's son, who up till then had been expelled by Hárekr from the country and had lived a piratical existence. The two parties so wore each other down with killing that countless common men were killed and of the royal family no one remained except one small boy. Thus the Lord revenged the unjust done to his saints and dealt out just rewards to the enemies.
Rau, Quellen, 50 (857)
Roric Nordmannus, qui praeerat Dorestado, cum consensu domini sui Hlutharii regis classem duxit in fines Danorum, et, consientiente Horico Danicorum rege, partem regni, quae est inter mare et Egidoram, cum sociis suis possedit.
Hrœrekr de Noorman, die in Dorestad heerste, nam een vloot naar de Deense mark met toestemming van zijn heer Lotharius. En met toestemming van de Deense koning Hárekr namen hij en zijn medestanders het deel van het koninkrijk, dat tussen de zee en de Eider ligt, in bezit. Hrœrekr the Norseman, who ruled in Dorestad, took a fleet to the Danish boundaries with the agreement of his lord King Lothar, and with the agreement of Hárekr, king of the Danes, he and his comrades occupied the part of the kingdom which lies between the sea and the Eider.
Rau, Quellen, 88, 90-92 (873)
Inde rex circa Kalendas Maii Mogontiacum veniens per alveum Rheni fluminis navigio vectus Aquense palatium petiit; ibique cum suis secretum habuit colloquium et Rorichum per obsides ad se venientem in suum suscepit dominium.
...
Mense Iunio Hruodolfus quidam Nordmannus de regio genere, qui regnum Karoli praedis et incendiis saepenumero vastaverat, classem duxit in regnum Hludowici regis, in comitatum videlicet Albdagi, missisque nuntiis praecepit habitatores loci illius tributa sibi pendere. Qui cum respondissent se non debere tributa solvere nisi Hludowico regi eiusque filiis et se nequaquam in hoc negotio ei assensum esse praebituros, ille vehementer iratus iuravit prae superbia se cunctis maribus occisis mulieres et parvulos cum omni substantia illorum in captivitatem esse ducturum, ignarus vindictae, quae eum de caelo erat secutura. Statimque terram illorum ingressus bellum adversus eos instauravit. Illi autem Dominum invocantes, qui eos saepius ab hostibus liberaverat, hosti infestissimo armati occurrerunt, consertoque proelio ipse Ruodolfus cecidit primus et cum eo octingenti viri; ceteri vero, cum ad naves effugere non potuissent, in quodam aedificio se tutati sunt. Quod Frisiones obsidentes conferebant ad invicem, quid de eis facere debuissent; cumque diversi diversa dixissent, unus Nordmannus, qui christianus effectus longo tempore cum eisdem Frisionibus conversatus est et eiusdem certaminis dux erat, ceteros hoc modo affatus est: '0 boni commilitones, sufficiat nobis huc usque pugnasse, quia, quod modo nos pauci contra plurimos praevaluimus hostes, non nostris deputandum est viribus, sed Dei gratiae. Scitis etiam, quod oppido lassi sumus et plurimi nostrum graviter vulnerati; isti autem, qui hic intus latitant, in desperatione positi sunt. Si contra eos pugnare coeperimus, non eos sine cruenta obtinebimus victoria; si autem illi fortiores extiterint, - varius enim eventus est proelii, - forsitan nobis expugnatis securi discedent iterum nocituri. Consultius ergo mihi videtur, ut obsides ab eis accipiamus et quosdam ex illis inlaesos abire patiamur ad naves et obsides interim retineamus, donec mittant universam pecuniam, quam in navibus retinent, prius tamen praestito sacramento, ne ultra in regnum Hludowici regis redeant.' Huius itaque consilio ceteri consenserunt et obsidibus acceptis quosdam ad naves ire permiserunt. Illi autem miserunt pecuniam multam valde et obsides, quos dederant, receperunt, prius tamen, ut dixi, praestito sacramento, ne ultra in regnum Hludowici regis redirent. Ac deinde cum magna confusione ac sui detrimento, etiam sine duce a finibus illis discesserunt.
Vandaar kwam de koning (*) rond het begin van mei naar Mainz en voer de Rijn af en vertrok naar het paleis in Aken. Daar had hij een geheime bespreking met zijn eigen mannen en hij ontving Hrœrekr, die onder bescherming van gijzelaars kwam, in zijn heerschap.
...
In juni voer Hróğulfr, een zekere Noorman van koninklijke afkomst, die vaak het koninkrijk van Karel had geplunderd door roof en brandstichting, naar het rijk van koning Lodewijk, in de graafschap van Albdag (**) en hij zond boodschappers vooruit met de eis dat de inwoners van deze streek hem tribuut moesten betalen. Toen zij antwoordden dat ze niet verplicht waren om aan wie dan ook behalve aan koning Lodewijk en zijn zonen tribuut te betalen, en dat zij hem onder geen enkele omstandigheid aan zijn eisen hieromtrent tegemoet wilden treden, was hij woedend, en in zijn trots bezwoer hij dat hij nadat alle mannen waren gedood, hij de vrouwen en kinderen in gevangenschap zou afvoeren met alle waardevolle goederen, niet wetende wat voor hemelse wraak hem zou achtervolgen. En hij viel meteen hun gebied binnen en begon oorlog tegen hen te voeren. Zij riepen echter de Heer aan, die hun zo vaak voor hun vijanden had behoed, en zij stonden gewapend tegenover hun vijand; en toen ze de strijd begonnen, was het Hróğulfr zelf die het eerste sneuvelde, en met hem achthonderd man. Maar de overigen vluchtten in een gebouw, omdat ze hun schepen niet konden bereiken. De Friezen belegerden het en beraadslaagden met elkaar wat ze met hen moesten doen. Verschillende mensen zeiden verschillende dingen, toen een Noorman, die christen geworden was en al lang onder deze Friezen leefde en die de leider van de betreffende aanval was, zich aldus tot de anderen richtte: 'O mijn goede medestrijders, het is genoeg voor ons om tot zover te hebben gevochten, want was niet aan onze kracht te danken, maar aan de genade van God, dat wij met zo weinigen tegen zo veel vijanden hebben standgehouden. Jullie weten ook dat we geheel zijn uitgeput en velen van ons zijn ernstig gewond, degenen die zich hier binnen ophouden, zijn wanhopig. Als we tegen hen beginnen te vechten, dan zullen we hen niet zonder bloedvergieten verslaan; als ze echter sterker blijken te zijn - want de uitkomst van de slag kan wisselen - dan kunnen ze misschien na onze nederlaag veilig vertrekken, nog steeds in staat om ons kwaad te doen. Het lijkt me daarom meer zinvol dat we enigen van hen gijzelen en anderen toestaan om ongedeerd naar hun schepen te gaan. En ondertussen zullen we de gijzelaars vasthouden totdat ze ons de hele buit, die ze in hun schepen hebben, gebracht hebben, maar niet nadat ze eerst een eed hebben afgelegd, dat ze nooit meer naar het rijk van koning Lodewijk zullen terugkeren.' De anderen gingen akkoord met dit plan, en nadat gijzelaars gesteld waren, werd het aan enkelen toegestaan om naar de schepen te gaan. Zij zonden zeer veel geld terug en kregen hun gijzelaars weer, nadat ze eerst, zoals gezegd, een eed hadden afgelegd dat ze nooit meer naar het rijk van koning Lodewijk zouden terugkeren. Daarop vertrokken ze vol schaamte en met verlies, en ook zonder hun aanvoerder, naar hun eigen land.
(*) Lodewijk de Duitser
(**) Oostergo
From there the king (*) came to Mainz about the beginning of May and then sailed down the Rhine and set off for Aachen. There he had a secret meeting with his own men and took Hrœrekr, who came to him under the security of hostages, under his lordship.
...
In June Hróğulfr, a certain Norseman of royal stock, who had often raided Charles's kingdom with pillage and arson, led a fleet into the kingdom of King Louis, in Albdag's county (**) and sent messengers ahead with a demand that the inhabitants of the region should pay him tribute. When they replied that they were not bound to pay tribute to anyone except to King Louis and his sons, and that they would not agree to his demands in this matter under any circumstances, he was enraged, and in his pride swore that after all the males had been killed the women and children with all their movable wealth should be taken off into captivity not knowing of the revenge which was to pursue him from heaven. He at once invaded their lands and began to make war against them. They, however, invoked the Lord, who had so often preserved them from their enemies, and opposed their evil enemy in arms; battle was joined and Hróğulfr himself fell first, and with him eight hundred men. But the rest, since they could not reach their ships, took refuge in a certain building. The Frisians laid siege to this and took counsel with each other as to what should be done with them. Different people had said different things, when a Norseman who had become a Christian and had long lived among these Frisians and was the leader of their attack, addressed the others as follows: 'O my good fellow-soldiers, it is enough for us to have fought thus far, for it is not due to our strength but to God's that we few have prevailed against so many enemies. You know that we also are absolutely exhausted and many of us are seriously wounded, those who lie here within are in desperation. If we begin to fight against them, we shall not defeat them without bloodshed; if they turn out to be stronger - for the outcome of battle is uncertain - then perhaps they will overcome us and depart in safety, still able to do us harm. It seems more sensible to me therefore, that we should take hostages from them and allow some of them to leave unwounded for the ships. We will meanwhile retain the hostages until they send us all the treasure which they have in the ships, and they will first take an oath that they will never return to King Louis's kingdom.' The others agreed to this plan, and after taking hostages allowed some to leave for the boats. These sent back a really immense treasure and received their hostages back, after first, as I have said, taking an oath that they would never again return to King Louis's kingdom. Then they departed with great shame and loss, and without their leader, to their own country.
(*) Louis the German
(**) Oostergo in Friesland
Rau, Quellen, 98 (876)
Frisiones, qui vocantur occidentales, cum Nordmannis dimicantes victores extiterunt omnesque thesauros, quos Nordmanni plurima loca spoliando congregaverant, abstulerunt atque inter se diviserunt.
De Friezen die Westerlijken genoemd werden, vochten met de Noormannen en ze behaalden de overwinning en ze namen de hele buit mee die de Noormannen al plunderend op verschillende plaatsen hadden verzameld en ze verdeelden deze onder elkaar. The Frisians known as Westerners fought with the Norsemen and were victorious and took away all the treasures which the Norsemen had collected together in plundering various places and divided them up among themselves.
Rau, Quellen, 110-112, 112-114 (880)
Rex Hludowicus natale Domini caelebravit in Franconofurt; postea in Galliam profectus filios Hludowici ad se venientes suscepit totumque regnum Hlotharii suae ditioni subiugavit. Inde ad expugnandos Nordmannos, qui in Scalta fluvio longo tempore residebant, convertit exercitum initoque certamine plus quam quinque milia ex eis prostravit; in quo proelio Hugo filius regis occubuit.
...
Nordmanni in Gallia praedas et incendia exercent et inter plurima loca et monasteria, quae depopulati sunt, etiam Biorzuna, ubi pars maxima Frisionum habitabat, incendio concremarunt; et inde revertentes Noviomagum vallo firmissimo et muris circumdantes hiemandi sibi locum in palatio regis paraverunt. Quibus rex Hludowicus cum manu valida occurrit et propter hiemis asperitatem et loci firmitatem rebus parum prospere gestis reversus est.
Koning Lodewijk (*) vierde de geboorte van de Heer in Frankfurt; daarna vertrok hij naar Gallië, ontving de zonen van Lodewijk (**), die naar hem kwamen, en voegde het hele rijk van Lotharius toe aan zijn heerschappij. Vandaar leidde hij zijn leger om de Noormannen te verdrijven, die zich gedurende langere tijd aan de Schelde hadden gevestigd. Er was een slag waarbij vijfduizend van hen werden gedood; Hugo, de zoon van de koning, sneuvelde ook in de slag.
...
Gallië werd door de Noormannen geplunderd en gebrandschat en onder de vele plaatsen die werden verwoest was Birten, waar een groot deel van de Friezen woonde, die werd platgebrand. Ze keerden vandaar terug en legden een stevige palisade en een wal rond Nijmegen en maakten hun winterkwartier in de palts van de koning. Lodewijk trok tegen hen op met een sterk leger, en keerde terug zonder veel te hebben bereikt, vanwege de strenge winter en hun sterke positie.
(*) Lodewijk de Jongere
(**) Lodewijk de Stotteraar
King Louis (*) celebrated Christmas in Frankfurt; afterwards he left for Gaul, received the sons of Louis (**), who came to him, and took the whole of Lothar's kingdom into his power. From there he turned his army to driving out the Norsemen who had long been settled on the River Scheldt. There was a battle in which more than five thousand of them were killed; the king's son Hugh also fell in that battle.
...
The Norsemen plundered and burnt in Gaul and among the many places and monasteries which were laid waste was Birten, where a great number of the Frisians lived, which they burnt. Turning away from there they put a strong rampart and wall around Nijmegen and made themselves winter quarters in the king's palace. Louis came against them with a strong army, and returned without having accomplished much, because of the harshness of the winter and the strength of the fortifications.
(*) Louis the Younger
(**) Louis the Stammerer
Rau, Quellen, 114 (881)
Nepos vero illius cum Nordmannis dimicans nobiliter triumphavit; nam novem milia equitum ex eis occidisse perhibetur. At illi instaurato exercitu et amplificato numero equitum plurima loca in regione regis nostri vastaverunt, hoc est Cameracum, Traiectum et pagum Haspanicum totamque Ripuariam, praecipua etiam monasteria, id est Prumiam, Indam, Stabulaus, Malmundarium et Aquense palatium, ubi in capella regis equis suis stabulum fecerunt. Praeterea Agrippinam Coloniam et Bunnam civitates cum aecclesiis et aedificiis incenderunt. Qui autem inde evadere potuerunt, sive canonici sive sanctimoniales, Mogontiacum fugerunt, thesauros aecclesiarum et sanctorum corpora secum portantes. Rex apud Franconofurt gravi infirmitate laborabat et, quia ipse non potuit, exercitum suum contra Nordmannos destinavit.
Zijn (*) neef (**) vocht tegen de Noormannen en behaalde een edele overwinning; want men zegt dat hij negenduizend man van hun ruiterij heeft gedood (***). Maar zij brachten hun leger weer op orde en vergrootten hun ruiterij en plunderden veel plaatsen in de gebieden van onze koning: Kamerijk, Maastricht, de Haspengouw en heel Ripuarië, in het bijzonder de kloosters van Prüm, Cornelimünster, Stavelot, Malmedy en de palts te Aken, waar ze de kapel van de koning gebruikten als paardenstal. Daarnaast werden de steden Keulen en Bonn met kerken en gebouwen platgebrand. Diegenen die konden ontsnappen, zowel kanunniken als nonnen, vluchtten naar Mainz, terwijl ze zelf hun kerkschatten en heilige relieken meenamen. De koning lag ernstig ziek te Frankfurt, en omdat hij er zelf niet toe in staat was, liet hij zijn leger tegen de Noormannen optrekken.
(*) Lodewijk de Jongere
(**) Lodewijk, zoon van Lodewijk de Stotteraar
(***) bij Saucourt op 3 augustus
His (*) nephew (**) fought with the Norsemen and triumphed nobly; for he is said to have killed nine thousand of their horsemen (***). But they renewed their army and increased the number of horsemen and pillaged many places in the lands of our king: Cambrai, Maastricht, the county of Hesbaye and the whole of Ripuaria, especially the monasteries of Prüm, Cornelimünster, Stavelot, Malmedy and the palace of Aachen, where they used the king's chapel as a stable for their horses. Besides this they burnt Cologne and Bonn with their churches and buildings. Those who could escape, whether canons or nuns, fled to Mainz, bringing their church treasures and the relics of the saints with them. The king was seriously ill in Frankfurt, and as he could not go himself he sent his army against the Norsemen.
(*) Louis the Younger
(**) Louis, son of Louis the Stammerer
(***) at Saucourt on August 3
Rau, Quellen, 116-118 (882)
Quod audiens exercitus, qui contra Nordmannos fuerat missus, ab expugnatione hostium desistens infecto negotio rediit. Quorum Nordmanni inde transeuntium vestigia secuti caetera, quae prius dimiserant, incendio cremaverunt usque ad Confluentem castellum, ubi Mosella Rhenum ingreditur. Murus Mogontiae civitatis restaurari coeptus et fossa murum ambiens extra civitatem facta. Nordmanni de sua munitione egressi, Trevirensem urbem invaserunt et habitatoribus civitatis partim expulsia partim occisis totam in Nonis April. incenderunt. Quibus Walah Mettensis episcopus incaute cum paucis occurrens occisus est.

Karolus imperator audito fratris sui obitu de Italia perrexit in Baioariam et optimates, qui fuerant fratris sui, ad se venientes in suum suscepit dominium. Deinde Wormatiam veniens cum suis undique venientibus consiliatus est, quomodo Nordmannos de suo regno expelleret. Statuto itaque et condicto inter eos tempore convenerunt de diversis provintiis viri innumerabiles et omnibus hostibus formidandi, si ducem habuissent idoneum sibique consentientem, hoc est Franci, Norici, Alamanni, Thuringii atque Saxones; parique intentione profecti sunt contra Nordmannos pugnare cupientes. Quo cum pervenissent, munitionem illorum, quae vocatur Ascloha, obsederunt. Cumque iam expugnanda esset munitio et hi, qui intus erant, timore perculsi mortem se evadere posse desperassent, quidam ex consiliariis augusti nomine Liutwartus pseudoepiscopus caeteris consiliariis, qui patri imperatoris assistere solebant, ignorantibus iuncto sibi Wigberto comite fraudulentissimo imperatorem adiit et ab expugnatione hostium pecunia corruptus deduxit, atque Gotafridum ducem illorum imperatori praesentavit; quem imperator more Achabico quasi amicum suscepit et cum eo pacem fecit, datis ex utraque parte obsidibus. Quod Nordmanni acceperunt pro omine; et ut pax ex illorum parte rata non dubitaretur, clipeum iuxta morem suum in sublime suspenderunt et portas munitionis aperuerunt. Nostrates autem calliditatis illorum expertes eandem munitionem ingressi sunt, alii guidem causa negotiandi, alii vero pro loci firmitate consideranda. At Nordmanni ad consuetam calliditatem conversi clipeum pacis deponunt, portas claudunt et omnes ex nostris intus inventoa aut occiderunt aut catenis ferreis ligatos ad redimendum servaverunt. Sed imperator tantam contumeliam exercitui suo illatam floccipendens praedictum Gotafridum de fonte baptismatis levavit et, quem maximum inimicum et desertorem regni sui habuerat, consortem regni constituit. Nam comitatus et beneficia, quae Rorich Nordmannus Francorum regibus fidelis in Kinnin tenuerat, eidem hosti euisque hominibus ad inhabitandum delegavit; et quod maioris est eriminis, a quo obsides accipere et tributa exigere debuit, huic pravorum usus consilio contra consuetudinem parentum suorum, regum videlicet Francorum, tributa solvere non erubuit. Nam thesauroa aecclesiarum, qui propter metum hostium absconditi fuerant, abstulit et auri purissimi atque argenti ad confusionem sui totiusque exercitua, qui illum sequebatur, libras II. CCCC. XII eisdem dedit inimicis. Praeterea, quisquis de suo exercitu in defensione sanctae aecclesiae zelo Dei commotus aliquem de Nordmannis, qui castra invadere temptabant, occidit, aut eum iugulare aut ei oculos eruere praecepit. Unde exercitus valde contristatua dolebat super ae talem venisse principem, qui hoatibus favit et eis victoriam de hostibus aubtraxit; nimiumque confusi redierunt in sua. Nordmanai vero de thesauris et numero captivorum CC naves onustas miserunt in patriam; ipsi in loco tuto se continentes iterum tempus oportunum praedandi opperientes. Imperator inde transiens Mogontiacum venit et inde ad villam Tribure ibique per plures moratus est dies. Qui etiam Wangioni placitum habuit et parum utilitatis decrevit. Nordmanni portum, qui Frisiaca lingua Taventeri nominatur, ubi sanctus Lioboinus requiescit, plurimis interfectis succenderunt.

Toen ze dit (*) vernamen staakte het leger dat tegen de Noormannen was gezonden de aanval op de vijand en keerde zonder iets gedaan te hebben weer terug. De Noormannen volgden in het voetspoor van het vertrekkende leger en brandden alles plat dat ze nog overgelaten hadden, tot aan de burcht van Koblenz, waar de Moezel in de Rijn stroomt. Men was begonnen met het herstel van de stadswallen van Mainz en er was een greppel rond de wallen buiten de stad gegraven. De Noormannen verlieten hun sterkte en vielen de stad Trier binnen, de inwoners werden deels verdreven en deels gedood en de stad werd op 5 april geheel platgebrand. Wala, de bisschop van Metz, snelde hen met een klein leger tegemoet en werd gedood.

(**) Toen keizer Karel van de dood van zijn broer vernam, kwam hij uit Italië naar Beieren, en ontving de voormannen van zijn broer, die naar hem kwamen. Vandaar ging hij naar Worms en beraadslaagde met zijn mannen, die van alle kanten kwamen, hoe de Noormannen uit zijn rijk te verdrijven. Er werd onderling een tijd afgesproken en bekendgemaakt, en er kwam een ontelbaar aantal mannen van verschillende provincies, die gevreesd werden door elke vijand, mits er een geschikte en geaccepteerde leider was geweest. Er waren Franken, Bajuwaren, Alamannen, Thüringers en Saksen, en ze hadden één doel, ze wilden tegen de Noormannen vechten. Toen ze aankwamen, belegerden ze de sterkte, die Asselt heet. Toen de sterkte bijna was neergehaald en zij die binnen waren door angst werden bevangen en wanhopig de dood probeerden te ontlopen, had één van de raadgevers van de keizer, een nepbisschop, Liutward geheten, overlegd met de hoogst verraderlijke graaf Wigbert, zonder medeweten van de andere raadgevers, die altijd de vader van de keizer hadden bijgestaan. Ze gingen naar de keizer en haalden hem over de vijand niet aan te vallen, en ze stelden hun leider Guğröğr, aan de keizer voor. Zoals Achab (***) ontving de keizer hem alsof hij een vriend was en hij sloot vrede met hem, nadat gijzelaars waren uitgewisseld. De Noormannen vatten dit als een gunstig teken op, en opdat er niet aan getwijfeld zou worden dat ze vrede zouden houden, hesen ze volgens hun gewoonte een schild omhoog en maakten de poorten van hun sterkte open. De onzen gingen zonder van hun onbetrouwbaarheid te weten de sterkte binnen, deels om handel te drijven, deels om de sterkte te bekijken. De Noormannen vervielen echter in hun gebruikelijke valsheid door het vredesschild te laten zakken en de poorten te sluiten, zodat al onze mannen, die binnen waren, werden gedood of als gijzelaars in de boeien geslagen. Maar de keizer negeerde de schande die het leger was aangedaan, doopte de voornoemde Guğröğr en maakte de man die eerder de grootste vijand en verrader van zijn rijk was tot medeheerser. Want hij gaf de graafschappen en lenen die de Noorman Hrœrekr, een getrouwe van de Frankische koningen, in Kennemerland had, aan deze vijand om er zich met zijn mannen te vestigen. Het was nog misdadiger, dat hij er niet voor schroomde om tribuut te betalen aan een man die hij in gijzeling had moeten nemen om tribuut te innen. Dat deed hij op advies van slechte mannen en tegen de gewoonte van zijn voorgangers, de Frankische koningen. Want hij nam de kerkschatten weg, die uit angst voor de vijand waren verstopt, en gaf deze vijand tot zijn schande en dat van het hele leger dat hem gevolgd was, 2412 pond puur goud en zilver. Bovendien beval hij dat een ieder van zijn leger die door het vuur, om voor de heilige kerk op te komen, een Noorman die het kamp probeerde binnen te komen, zou doden, de keel afgesneden of de ogen uitgestoken zou worden. Het leger was hierover zeer bedroefd, en het betreurde hen dat een dergelijke prins over hen heerste, iemand die de vijand bevoordeelde en hen de overwinning onthield, en ze keerden vol schaamte naar huis terug. De Noormannen zonden echter schepen, geladen met buit en 200 gevangenen, terug naar hun land. Zelf bleven ze op een veilige plaats om een gunstige gelegenheid om te roven af te wachten. Na zijn vertrek kwam de keizer naar Mainz, en vandaar ging hij naar Tribur, waar hij meerdere dagen verbleef. Ook hield hij een rijksdag te Worms en verordende decreten van weinig waarde. De Noormannen legden met veel verliezen de haven, die in het Fries Deventer genoemd wordt, waar Sint-Lebuinus rust, in de as.
(*) de dood van Lodewijk de Jongere
(**) hier begint de voortzetting van het Weense manuscript.
(***) Oude Testament, 1 Koningen, 20, 4

Hearing this (*) the army which had been sent against the Norsemen broke off the attack and returned without finishing the business. The Norsemen followed the tracks of the departing army and burnt with fire all that they had previously left intact, as far as the castle of Koblenz, where the Moselle enters the Rhine. The restoration of the city walls of Mainz was begun and a ditch was built around the walls outside the city. The Norsemen left their fortification and attacked the city of Trier, driving out or killing its inhabitants and burning it down completely on April 5. Wala, bishop of Metz, came against them rashly with a small army and was killed.

(**) The Emperor Charles, hearing of his brother's death, came from Italy to Bavaria and received his brother's leading men, who came to him, into his lordship. From there he came to Worms and took counsel with his men who came from all sides as to how he might drive out the Norsemen from his kingdom. A time was agreed among them and made known, and there came from various provinces innumerable men, an army to be feared by any enemy, if it had had a suitable leader and one it agreed on. There were Franks, Bavarians, Alemans, Thuringians and Saxons, and they set out with one accord against the Norsemen, wanting to fight them. When they got there, they laid siege to the Norsemen's fortification, which is called Asselt. When the fortress was about to fall, and those within were struck with fear and despaired of escaping death, one of the emperor's counsellors, a false bishop called Liutward, without the knowledge of the other counsellors who had been accustomed to assist the emperor's father, got together with the most treacherous Count Wigbert and went to the emperor and persuaded him not to attack the enemy, having been bribed to do so, and presented the enemy dux Guğröğr to the emperor. Like Ahab (***) the emperor received him as if he were a friend and made peace with him; and hostages were exchanged. The Norsemen took this as a good sign, and so that it might not be doubted that they would observe the peace, they hoisted a shield on high after their fashion and threw open the doors of their fortress. Our men, knowing nothing of their treacherousness, went into the fortress, some to trade, some to look around for the fortifications. The Norsemen reverted to their usual treacherousness by hauling down the shield of peace and closing the gates: all our men inside were either killed or bound in chains and kept for later ransoming. But the emperor ignored the shame inflicted on his army, raised the aforementioned Guğröğr from the baptismal font, and made the man who before had been the greatest enemy and traitor to his kingdom into a co-ruler over it. For the counties and benefices which the Norseman Hrœrekr, a faithful man of the Frankish kings, had held in Kennemerland, he gave to that same enemy and to his men to live in. What was still more of a crime, he did not blush to pay tribute to a man from whom he ought to have taken hostages and extracted tribute, doing this on the advice of evil men and against the custom of his ancestors the kings of the Franks. He took away the churches' treasures, which had been hidden for fear of the enemy, and to his own shame and that of all the army which followed him, gave to those same enemies 2412 pounds of purest gold and silver. Moreover, he ordered that anyone in his army who should, moved by divine zeal in defense of Holy Church, kill a Norseman who was trying to break into the camp, should either be strangled or blinded. The army was greatly saddened at this, and regretted that such a prince had come to rule over them, one who favoured the enemy and had snatched victory over the enemy away from them; and they returned to their homes greatly shamed. The Norsemen, however, sent ships back to their country, loaded with treasure and captives two hundred in number; they themselves remained in a safe place, waiting until there should again be a suitable opportunity for plundering. The emperor left there and came to Mainz, and from there to the villa of Tribur, were he stayed for many days. He held an assembly at Worms and issued decrees of little use. The Norsemen burned the port called in the Frisian tongue Deventer, where St Liafwin lies, with great loss of life.
(*) the death of Louis the Younger
(**) here begins the continuation in the Vienna manuscript
(***) Old Testament, 1 Kings, 20, 4

Rau, Quellen, 130-134 (882, continuation in the Leipzig manuscript)
Nordmanni ereptis, quas poterant, rebus omnibua ac, quam pessime et visui horribilior erat, quibusdam locis et ecclesiis dimissis, quibusdam concrematis, reversi sunt in suam munitionem, quae circumsepta conatabat secus litus Mosae fluminis loco, qui dicitur Ascloha, de Hreno miliaria XIIII. Karolus quippe, cum audisset obitum fratris sui maioris, de Italia per Baiowariam iter suum in Franciam direxit, placitum generale ad Wormaciam tenuit, receptis primoribua ex regno fratris sui mense Maiarum. Post haec praeparatis copiis ex omni suo regno, Longobardis, Alamannis Francisque secum assumptis ille ex occidentali parte contra Nordmannos, Baiowarii ex orientali Hreni fluminis usque ad Antrinacham tandem se transmiserant. Ibi diviso exercitu Baiowarii cum principe eorum Arnolfo, Franci cum Heimrico missi manu cum valida ante regem et exercitum, ut quasi incautos et inaestimatos quandam partem inimicorum insidiis extra munitionem invenirent et caperent, secundum illum nobilissimum poetae veraum volentes: 'Quid moror, utrum armis contingat palma dolisve?' et ita factum foret, ni nostri muneribus corrupti, ut fama refert, de parte Francorum proditores essent et inpedirent. Sed tamen paucis occisis reversi sunt ad regem. Redeuntibus illis ilico rex arrepto itinere cum omni exercitu fines et munitionem Nordmannorum, ipsis cum eorum regibus, id est Sigifrido et Gotafrido, principibus Vurm, Hals intus inclusis occupavit; castra exercitus in circuitu prope civitatem fieri praecepit sicque per dies XII obsessam constrinxit. Mira itaque res et stupenda obsidentibus et obsessis guadam die occurrit. Nam in XII. Kal. Aug. luce postmedia tenebrosa subito caligo tota castra operuit, fulgure et tonitruo concrepente instans talis grando, ut nullus antea mortalium se tale quid videre profiteretur; non, ut solitum est lapides descendere, plana et equali superficie, sed cornuta et inequali et aspera facie omnibus cernentibus insolitum et magnum spectaculum praebuit. Mirabile et incredibile dictu, ut vel vix vel non grossitudo eorum potuit pollice et medio circumdari. Nam et ita equi stupefacti, ut efractis sudibus et habenis partim extra castra, partim in castris errore et stupore versabantur. Civitatis quoque, quam obsederant, propter impetum aeris magna pars corruit, ita ut una cohors coacervatim posset equitando ingredi, nisi vallo, quod circumierat, suspensa constaret. Igitur per tot dies obsidens tam magnus exercitus, aestivo in tempore propter putredinem cadentium hominum aegritudine correptus ac pertesus est. Nec minus inclusi simili molestia premebantur. Consultum est ex utraque parte, ut datis ex nostra parte obsidibus Sigifridus rex, qui manu validior erat, venit extra munitionem supra sex miliaria ad regem. Primum iuramento contestatus est ex illa hora et ultra usque, dum Karolus imperator viveret, numquam in suum regnum hostili praedatione iturus; dehinc christianitatem professus ipsum imperatorem patrem in baptismate adquisivit. Duos ibi dies laeti insimul versabant, tum remissis nostris obsidibus de munitione ipse e contrario cum maximis muneribus remissus ad sua. Munera autem talia erant: in auro et argento duo mille libras et LXXX vel paulo plus; quam libram XX solidos computamus expletam.
...
Heimricus quippe missus est obviam Nordmannos; ibi prospere, prout potuit, dispositia rebus reversus est.
De Noormannen roofden wat ze konden en wat erger en verschrikkelijker om te zien was, legden enige plaatsen en kerken in de as en keerden terug naar hun sterkte die door een wal was omringd en op de oever van de Maas lag in een plaats die Asselt genoemd wordt, 14 mijl van de Rijn. Toen Karel van de dood van zijn oudere broer vernam, reisde hij van Italië via Beieren naar Francië, en hij hield in mei een rijksdag te Worms, waar hij de groten uit het rijk van zijn broer ontving. Hierna verzamelde hij troepen uit zijn hele rijk. Zelf nam hij Lombarden, Alamannen en Franken met zich mee en trok langs de westelijke oever van de Rijn op tegen de Noormannen. De Bajuwaren trokken langs de oostelijke oever tot aan Andernach, waar ze overstaken. Daar verdeelde het leger zich: de Bajuwaren onder hun prins Arnulf en de Franken onder Hendrik werden met een grote macht voor de koning en zijn leger uitgestuurd, zodat ze mogelijk een onvoorbereid leger buiten de sterkte zouden kunnen verrassen door ze in een hinderlaag te laten lopen, naar het vers van de beroemde dichter: 'Wat maakt het me uit of ik door kracht of door list win?' En zo zou het ook gelopen zijn als er zich tussen de Frankische mannen geen verraders hadden bevonden, men zegt door omkoping, en het voorkomen hadden. Ze keerden echter, nadat ze enige mannen gedood hadden, naar de koning terug. Na hun terugkomst vertrok de koning meteen met zijn hele leger, bezette het gebied van de Noormannen en belegerde hun versterkingen, waarbinnen zich hun koningen bevonden. Dat waren Sigfröğr en Guğröğr en de prinsen Gormr en Háls. Hij liet de legerkampen in een cirkel rond de plaats opzetten en zo belegerde hij deze 12 dagen lang. Dan gebeurde er op een dag iets merkwaardigs voor zowel de belegeraars als de belegerden. Want op 21 juli werd 's middags de hele zon verduisterd en er was een dusdanige hagelbui met donder en bliksem, dat geen sterveling kon beweren ooit iets dergelijks te hebben meegemaakt. De hagelstenen waren niet, zoals gewoonlijk, glad en van dezelfde grootte, maar ongelijkmatig en van een bijzonder uiterlijk. Het is opmerkelijk en ongelofelijk te vertellen, dat ze niet of nauwelijks met een duim en middelvinger konden worden omvat. De paarden werden ook zo schichtig dat ze de palen en de teugels lostrokken en angstig binnen en buiten de kampen rondrenden. Een groot deel van de stad, die ze belegerd hadden, stortte ook door de luchtdruk in, zodat een gesloten formatie cavalerie naar binnen had kunnen rijden, als de omliggende muur hen niet had tegengehouden. Omdat de belegering al zo veel dagen in de zomer aan de gang was, begon het grote leger ziek te worden door de vele misselijk makende rottende lijken. De belegerden waren er niet beter aan toe. Er waren onderhandelingen tussen de twee partijen, en er werd overeengekomen dat wij gijzelaars zouden stellen, en dat koning Sigfröğr (*), die sterker was, 6 mijlen buiten de sterkte naar de koning zou komen. Eerst zwoer hij een eed dat voor zolang keizer Karel zou leven hij nimmer in zijn koninkrijk zou komen om het als een vijand te plunderen. Daarop nam hij het christelijke geloof aan en de keizer zelf was zijn peetvader bij zijn doop. Zij brachten twee dagen in vreugde met elkaar door. Daarna werden onze gijzelaars teruggestuurd en hij werd met vele giften, te weten 2080 pond en iets meer in goud en zilver, naar huis gestuurd. Een pond wordt op 20 solidi gesteld.
...
Hendrik ging evenwel ten strijde tegen de Noormannen. Hij regelde de zaken zo goed als hij kon en op een gunstige wijze, en keerde weer.
(*) Guğröğr in andere bronnen
The Norsemen seized everything that they could and - what was worse and more horrible to see - burnt some places and churches and ruined others and returned to their fortress which was surrounded by a wall and situated on the banks of the Meuse in a place called Asselt. When Charles heard of the death of his elder brother, he made his way from Italy through Bavaria to Francia, and held a general assembly at Worms in the month of May, receiving the leading men from his brother's kingdom. After this he gathered troops from the whole of his kingdom. He took the Lombards, Alemans and Franks with him and moved up the western bank of the Rhine against the Norsemen; the Bavarians proceeded up the eastern bank as far as Andernach, where they crossed over. There the army divided: the Bavarians under the prince Arnulf and the Franks under Henry were sent with a strong force in advance of the king and the army so that they might find an unprepared and unsuspecting army outside their fortifications and capture them in ambushes, following the thought in the poet's famous verse: ´What do I care whether I win by force or tricks?' And so it would have turned out, if some of our men from among the Franks, bribed as it was said, had not been traitors and prevented it. However, having killed a few men, they returned to the king. On their return the king straight-away set out with all his army and occupied the Norsemen's territory and besieged their fortifications with their kings inside, that is Sigfröğr and Guğröğr and the princes Gormr and Háls. He had the camps of the army set up in a circle around the city and so held it besieged for twelve days. Then one day a thing remarkable for both besiegers and besieged occurred. For on July 21 in the afternoon a sudden darkness covered the whole of the sun, and with thunder and lightning there was such a hailstorm that no mortal could claim to have seen anything like it before. The hailstones were not, as they usually are, smooth and equal in size, but jagged and unequal and extraordinary spectacle. It is remarkable and incredible to relate that they could scarcely or not at all be spanned with one's thumb and middle finger. The horses were so startled that they uprooted their tethering-posts and tore their bridles and ran around wildly and in fright both inside and outside the camps. A great part of the city which they were besieging also collapsed under the storm, so that a column in formation could have ridden in if the wall which surrounded it had not held them back. Because the siege had gone on for so many days in the summer, the great army began to fall ill and be nauseated by the putrefaction of the many corpses. Those who were trapped inside were no less oppressed. There were negotiations between the two sides, and it was agreed that we should give hostages, and that King Sigfröğr (*), who was stronger, should come outside the fortifications for a distance of 6 miles to the king. First he swore an oath that from that hour onwards as long as the emperor Charles should live he would never again come into his kingdom to plunder it as an enemy. Then he accepted Christianity, and the emperor himself stood godfather at his baptism. They spent two days there together in joy, and then our hostages were sent back from the fortification, and he contrariwise returned home with great gifts. These were the gifts: in gold and silver 2080 pounds or a little more, we reckon a pound as being twenty solidi.
...
Henry, however, was sent against the Norsemen. He settled matters as well as he could, and returned.
(*) Guğröğr in other sources
Rau, Quellen, 120 (883, continuation in the Vienna manuscript)
Gotafrid Nordmannus, qui superiore anno fuerat baptizatus, cum Hugone Hlotharii filio foedus iniit eiusque sororem duxit in coniugium. Unde idem Hugo audacior effectus regnum patris sui suae dicioni subiugare studuit.
...
Nordmanni per alveum Rheni fluminis ascendentes plurima loca nuper restaurata succenderunt, praedam inde capientes non modicam. Quibus Liutbertus Mogontiensis archiepiscopus cum paucis occurrit; sed non paucos ex eis prostravit et praedam excussit.
Guğröğr de Noorman, die het voorgaande jaar gedoopt was, sloot een bondgenootschap met Hugo, de zoon van Lotharius, en nam diens zuster tot vrouw. Hierdoor werd Hugo brutaler en probeerde het rijk van zijn vader te onderwerpen.
...
De Noormannen voeren de Rijn op en lieten veel plaatsen, die onlangs herbouwd waren, in vlammen opgaan, waarbij ze een niet geringe buit roofden. Aartsbisschop Liutbert van Mainz trok met enige mannen tegen hen op, maar hij sloeg niet weinig van hen dood en ontnam hen de buit.
Guğröğr the Norseman, who had been baptised the previous year, made an alliance with Hugh, Lothar's son, and took his sister to wife. Hugh became bolder as a result of this, and planned to bring his father's kingdom under his own rule.
...
The Norsemen came up the Rhine and burned many places lately rebuilt, taking not a little plunder. Archbishop Liutbert of Mainz came against them with a few men; but he killed not a few of them and took back the plunder.
Rau, Quellen, 120-122 (884, continuation in the Vienna manuscript)
Imperator circa purificationem sanctae Mariae cum suis colloquium habuit in Alsatia, in loco, qui vocatur Coloburg, et inde episcopos, abbates atque comites destinavit contra Nordmannos ad tuendas regni sui partes. Nordmanni non semel neque bis cum Heimricho dimicantes superantur et, ubicumque praedatum ire volebant, fugabantur, interficiebantur, Domino illis reddente, quod meruerunt. Tandem christianis in unum congregatis et munitionem illorum expugnare cupientibus, illi timore perculsi noctu fuga lapsi sunt; quos Heimrich Rheno transito secutus et in quodam repertos loco centum duos ex eis absque detrimento suorum occidit. Imperator mense Maio mediante placitum habuit Wormatiae et inde tutores partium suarum contra Nordmannos destinavit. Venit etiam illuc filia Hlotharii, a Gotafrido, cui tradita fuerat in matrimonium, ad imperatorem transmissa; quam imperator secum aliquanto retinuit tempore et ad maritum redire non permisit.
...
Nordmanni cum Frisionibus in loco, qui vocatur Norditi, dimicantes superantur et plurimi ex eis occiduntur. Super quo proelio extat epistola Rinberti episcopi eiusdem loci ad Liutbertum Mogontiensem archiepiscopum destinata hunc modum continens --- .
De keizer hield rond Maria Lichtmis (*) een bijenkomst met zijn mannen in Colmar in de Elzas, en vandaar zond hij bisschoppen, abten en graven tegen de Noormannen, om de betreffende delen van het rijk te bewaken. De Noormannen werden in de strijd met Hendrik meerdere malen verslagen, en waar ze ook wilden plunderen, werden ze verjaagd en gedood. De Heer gaf hen wat ze verdienden. Toen de christenen zich eindelijk verenigd hadden om hun sterkte aan te vallen, werden ze door angst bevangen en vluchtten ze in de nacht. Hendrik volgde hen tot over de Rijn en toen hij ze op een bepaalde plaats vond, wist hij 102 van hen te doden zonder enig verlies van zijn eigen mannen. De keizer hield half mei een rijksdag en vandaar zond hij bewakers van zijn gebieden tegen de Noormannen. Daar kwam ook naar de keizer, van Guğröğr, de dochter van Lotharius, die hem ten huwelijk gegeven was. De keizer hield haar enige tijd vast en stond haar niet toe naar haar echtgenoot terug te keren.
...
De Noormannen streden met de Friezen in een plaats, Norden geheten, ze werden verslagen en er werden veel van hen gedood. Er is een brief over deze slag, die Rimbert, de bisschop van die plaats, naar aartsbisschop Liutbert van Mainz zond, die gaat als volgt: --- (**).
(*) 2 februari
(**) deze brief ontbreekt in het manuscript; voor de rol van Rimbert bij deze aanval, zie Adam van Bremen bij 884
The emperor had a meeting with his men about the time of the Purification of the Blessed Mary (*) in the place in Alsace which is called Colmar, and from there he sent bishops, abbots and counts against the Norsemen to guard the frontiers of his kingdom. The Norsemen fought not just once or twice with Henry, and were defeated, and wherever they wished to go to plunder, they were put to flight and killed. God giving them what they deserved. Then, as the Christians came together as one, seeking to attack their stronghold, they were struck with fear and fled at night; Henry following them to the crossing of the Rhine, and finding them in a certain place slew one hundred and two of them without loss to his own men. The emperor had a meeting at Worms in the middle of May and from there he sent guardians of his frontiers against the Norsemen. Lothar's daughter, who had been given in marriage also came there from Guğröğr. The emperor kept her with him for a time and did not allow her to return to her husband.
...
The Norsemen fought with the Frisians in a place called Norden and were defeated and many of them were killed. There is a letter about this battle, which Rimbert, bishop of the same place, sent to Archbishop Liutbert of Mainz, which runs as follows: --- (**).
(*) February 2
(**) this letter is not present in the manuscript; for the part of Rimbert in this raid, see Adam of Bremen at 884
Rau, Quellen, 142 (885, continuation in the Leipzig manuscript)
Gotafridus rex accusatus, ut in regnum Francorum cum Nordmannis consuleret, ab ipsis etiam accusatoribus occisus est. Hugo filius Hlotharii incaute in regno imperatoris agens oculorum luce orbatus est.
Koning Guğröğr werd ervan beschuldigd met de Noormannen samen te spannen tegen het Frankische rijk, en werd ook door de aanklagers zelf gedood. Hugo, de zoon van koning Lotharius, had zich dom in het keizerrijk gedragen, en hem werden de ogen uitgestoken. King Guğröğr was accused of plotting with the Norsemen against the kingdom of the Franks, and was killed by his accusers themselves. Hugh, the son of King Lothar, acted unwisely in the emperor's kingdom, and was blinded.
Rau, Quellen, 122-124 (885, continuation in the Vienna manuscript)
Idem Nordmanni pagum Haspanicum invadentea caeteros in circuitu vicinos occupaverunt atque fruges diversi generia congregantes sibi ad hiemandum et inhabitandum quasi nullo resistente disposuerunt, viris ac mulieribus, quos invenire potuerunt, ad suum servitium reservatis. Quibus Liutbertus archiepiscopus et Heimrih comes aliique nonnulli insperate supervenerunt et plurimia prostratis caeteros in quandam munitiunculam fugere compulerunt, frugibus, quas congregaverant, sublatis. Cumque diu obsessi et fame fatigati manum conserere non auderent, nocte quadam fuga lapsi sunt. Gotafrid Nordmannus, qui christianus effectus fidem imperatori et christiano populo se servaturum esse sacramento firmavit, fidem mentitus exercitum non modicum de sua gente congregavit et per alveum Rheni fluminis ascendere et plurima loca suae dicioni subiugare disposuit; quod dum mediante mense Maio facere instituisset, Deo renuente perficere non potuit. Nam ab Heimricho aliisgue fidelibus imperatoris ad colloquium invitatus et infidelitatis correptus, cum eos convitiis variisgue ludibriis exacerbaret, occisus est et omnes, qui cum illo erant, Domino illi condignam infidelitatis suae mercedem retribuente. Nordmanni autem ab eo invitati nescientes, quod factum erat, in Saxoniam praedatum ire pergebant; quibus cum pauci Saxones occurrissent et tantae multitudini rebellare timuissent, terga verterunt. At illi longo spatio a suis navibus remoti, fugientes persecuti sunt, quasi eos esaent comprehensuri. Interea Frisiones, qui vocantur Destarbenzon, quasi a Domino destinati parvissimis, ut eis est consuetudo, naviculis vecti supervenerunt et eos a tergo inpugnare coeperunt. Quod cum vidissent, Saxones, qui prius fugerant, reversi sunt et graviter eis repugnando insistebant, integratumque est proelium ex utraque parte contra Nordmannos. Tanta denique in eos christiani caede bachati sunt, ut pauci de tanta multitudine relinquerentur. Quibus gestis idem Frisiones eorum naves invaserunt tantumque thesaurum in auro et argento variaque suppellectile repererunt, ut omnes a minimo ueque ad maximum divites efficerentur. Hugo Hlotharii regis filius, cuius sororem praedictus Gotafrid duxit uxorem, insimulatus est apud imperatorem, quod eiusdem conspirationis Gotafridi contra regnum imperatoris fautor existeret. Quamobrem ad imperatorem vocatus et noxa convictus lumine oculorum una cum avinculo suo privatus est et in monasterium sancti Bonifatii apud Fuldam retrusus finem suae habuit tyrannidis. Caeteri vero, qui cum eo erant, equis et armis ac vestibus spoliati vix nudi evaserunt.
Dezelfde Noormannen vielen de Haspengouw binnen en bezetten ook de omliggende gebieden, en maakten zonder op enige weerstand te stuiten plannen om te overwinteren, terwijl ze de vruchten van verschillende aard bijeenbrachten. Daartoe dwongen ze zoveel mannen en vrouwen als ze konden vinden tot slavernij. Aartsbisschop Liutbert en graaf Hendrik en enige anderen brachten velen om en dwongen de overigen in een kleine sterkte te vluchten en ze namen hen de verzamelde vruchten af. Vanwege een lange belegering door honger gedreven, durfden ze een open gevecht niet aan en ze vluchtten in de nacht. Guğröğr de Noorman, die christen geworden was en een eed had gezworen om de keizer en het christelijke volk trouw te blijven, brak zijn belofte, verzamelde een niet gering leger van zijn mensen en maakte zich op om de Rijn op te varen om de meeste plaatsen onder zijn heerschappij te brengen. Hij was hier halverwege mei mee begonnen, maar God was erop tegen, waardoor hij niet in staat was om zijn plan uit te voeren. Want hij werd door Hendrik en andere getrouwen van de keizer uitgenodigd voor een bijeenkomst, waar hij van verraad beschuldigd werd, en toen hij hen verbitterd had door zijn scheldwoorden en veelvuldige hoon, werd hij met al zijn begeleiders gedood. De Heer gaf hem zijn verdiende loon voor zijn verraad. Maar de Noormannen die hij opgeroepen had, wisten niets van hetgeen voorgevallen was en vertrokken naar Saksen om te plunderen. Een gering aantal Saksen trokken tegen hen op, maar sloegen op de vlucht, omdat ze tegen een zo'n grote groep geen tegenstand durfden te bieden. En de Noormannen volgden de vluchtenden om ze gevangen te kunnen nemen, hoewel ze zich al ver van hun schepen hadden verwijderd. Ondertussen kwamen de Friezen, die 'Destarbenzon' (*) genoemd worden, als door de Heer gezonden, in hun kleine schepen, zoals ze gewend waren, en begonnen hen van achteren aan te vallen. Toen de Saksen, die eerst gevlucht waren, dit zagen, keerden ze om en ondernamen een sterke tegenaanval, waardoor er van beide zijden een nieuw gevecht met de Noormannen ontstond. Uiteindelijk richtten de christenen zo'n bloedbad onder hen aan, dat er van de grote menigte maar weinig overbleef. Hierna vielen dezelfde Friezen hun schepen aan, en daar vonden ze zoveel schatten aan goud en zilver en andere roerende zaken, dat een ieder van klein tot groot rijk werd. Hugo, de zoon van koning Lotharius, wiens zuster de voornoemde Guğröğr tot vrouw had genomen, werd ervan beschuldigd dat hij had deelgenomen aan de samenzwering van Guğröğr tegen het keizerrijk. Daarom werd hij door de keizer ontboden en veroordeeld voor die misdaad, van hem en van zijn oom werden de ogen uitgestoken, en hij werd opgesloten in het Sint-Bonifatiusklooster te Fulda, en zo kwam er een eind aan zijn tirannie. De overigen die bij hem waren, werden ontdaan van hun paarden, wapenen en kleren en wisten ternauwernood hun naakte lijf te redden.
(*) inwoners van Teisterbant
The same Norsemen invaded the Hesbaye and occupied the regions around it and, gathering crops of various kind together, made plans to over-winter there and live there, as if there were none to resist them. They set aside for their service those men and women whom they could find. Archbishop Liutbert and Count Henry and some others came upon them unexpectedly and, having killed many of them, forced the rest to take refuge in a certain small fortification and took away from them the supplies which they had gathered together. Besieged for a long time, and wearied by hunger, they did not dare to risk open battle and fled one night. Guğröğr the Norseman, who had become a Christian and promised on oath to keep faith with the emperor and the Christian people, broke his faith, gathered not a small army from his people, and prepared to come up the river Rhine and put many places under his dominion. He had begun to do this around the middle of May, but God was against it and he was unable to carry out his plan. For he was invited to a meeting by Henry and other faithful men of the emperor and accused of treason; and, when he had infuriated them by abuse and scornful words, he was killed, along with all who were with him. God gave him the due reward for his treachery. But the Norsemen whom he had summoned did not know what had been done and set off for Saxony to plunder. A few Saxons came against them, but, fearing to offer resistance to so large an army, fled; and the Norsemen, although they were already a long way from their ships, followed the fleeing men as if to take them prisoner. Meanwhile the Frisians who are called 'Destarbenzon' (*) as if sent by God, came along in tiny ships, as is their custom, and began to attack the Norsemen from the rear. When they saw this, the Saxons, who had at first fled, returned and made a fierce counter-attack, and so battle was joined from both sides against the Norsemen. At length the Christians made such a slaughter of them that very few were left of the whole multitude. After this had been done, the same Frisians attacked their ships, and there they found such treasure in gold, silver and other kinds of moveable goods that all from the smallest to the greatest were made rich. It was alleged to the emperor that Hugh, the son of King Lothar, whose sister the aforementioned Guğröğr had taken to wife, had taken part in the conspiracy which Guğröğr had organised against the emperor's kingdom. For this reason he was summoned to the emperor and convicted of the crime; he was blinded, together with his uncle, and shut away in the monastery of St Boniface at Fulda, and so there was an end to his tyranny. The others who were with him were stripped of their horses, arms, and clothing, and scarcely escaped naked.
(*) inhabitants of Teisterbant, between the Rivers Rhine and Meuse
Rau, Quellen, 128 (886, continuation in the Vienna manuscript)
Mense Iulio imperator cum suis colloquium habuit in urbe Mettensi et inde contra Nordmannos profectus est. Ubi dum aliquanto tempore moraretur, Heimrih comes a suis desertus et ab hostibus circumdatus occiditur. Interea Sigifrid cum magna multitudine Nordmannorum caeteris, qui ibi residebant, auxilium laturus venit ac christianis magnum intulit metum. Unde imperator perterritus quibusdam per Burgundiam vagandi licentiam dedit, quibusdam plurimam promisit pecuniam, si a regno eius statuto inter eos tempore discederent.
In mei had de keizer een bijeenkomst met zijn mannen in de stad Metz en vandaar marcheerden zij op tegen de Noormannen. Terwijl hij daar een tijd verbleef, werd graaf Hendrik door de zijnen in de steek gelaten, werd door de vijand omsingeld en gedood. Ondertussen kwam Sigfröğr met een groot aantal Noormannen om de anderen, die zich daar verschanst hadden, te helpen en veroorzaakten een grote angst onder de christenen. Uit angst gaf de keizer sommigen toestemming om in Bourgondië huis te houden, anderen beloofde hij veel geld als ze zijn rijk op een onderling afgesproken moment zouden verlaten. In the month of July the emperor had a meeting with his men in the town of Metz and from there set off against the Norsemen. While he was staying there Count Henry was abandoned by his men, surrounded by the enemy, and killed. Meanwhile Sigfröğr came with a great host of Norsemen to bring help to the others who were already in residence, and caused great fear among the Christians. At this the emperor, terrified, gave leave to some to go plundering through Burgundy, and promised much money to others if they would leave his kingdom by a time agreed between them.
Rau, Quellen, 150-154 (891, continuation in the Leipzig manuscript)
Nordmanni igitur fines occidentalium Francorum invadentes, quod ad defendendum exercitus a Francia dirigitur; ibi Sundaroldus Magonciacensis archiepiscopus incaute illis occurrens interfectus est, in cuius locum Haddo abbas Augensis cenobii, homo subtilis ingenii, antistes constituitur. Arnolfus ergo rex ob hoc ulciscendum in Nordmannos cum Francis Alamannico exercitu inutile secum assumpto iter arripuit. Sed Alamanni quasi egrotantes a rege domum relapsi sunt; ipse cum Francis ad occidentem prospere profectus est. Nordmanni devastata ex maxima parte Hlotharici regni regione prope Fluvio Dyla loco, qui dicitur Lovonnium, sepibus more eorum municione septa securi consederunt. Ex inproviso enim rex et exercitus pervenere ad eundem locum. Transito igitur celeriter eodem fluvio nec mora meditatum est proelium applicari. Cunctanti namque regi, ne tam valida manus periclitaretur, quia interiacente palude ex parte una, ex altera circumfluente ripa non donatur facultas equitibus aggredi, oculis, cogitatione, consilio huc illuc pervagabatur, quid consilii opus sit, quia Francis pedetemptim certare inusitatum est, anxie meditans, tandem heros primores Francorum advocans sic alloquitur patienter: 'Viri, Deum recolentes et semper sub Dei gratia patriam tuendo fuistis invincibiles; inspirate animis, si ab inimicis quandoquidem more paganissimo furentibus pium sanguinem parentum vestrorum effusum vindicari recolitis et sacra sub honore sanctorum creatoris vestri templa eversa iam in patria vestra cernitis, ministros eciam Dei summo gradu consistentes prostratos videtis. Nunc, milites, agite, ipsos sceleris factores ante oculos habentes, me primum equo descendentem, signa manu praeferentem sequimini; non nostram, sed eius, qui omnia potest, contumeliam vindicantes inimicos nostros in Dei nomine aggredimur!' His incitati dictis, omnibus, senis et iuvenibus, par voluntas et audatia pedestre bellum aggredere datur; prius regem flagitantes, ut equitando eos procuraret, ne quid eis pugnantibus a tergo insidiis inimicorum timendum sit. Clamor a christianis in celum attollitur, nec minus pagani more suo clamantes, signa horribilia per castra movebantur. Evaginatis gladiis ex utraque parte, ut lapis ferro, in invicem ad invicem occursum est. Erat autem ibi gens fortissima inter Nordmannos Danorum, quae numquam antea in aliqua munitione vel capta vel superata auditur. Dure certatum est; sed non in diu subveniente gratia Dei victoria ad christianos concessit. Nordmanni fuge praesidium querentes, flumen, quod antea eis a tergo pro muro habebatur, pro morte occurrebat. Nam instantibus ex altera parte cede christianis coacti sunt in flumen praecipitari, coacervatim se per manus et colla cruribusque complectentes in profundum per centena vel milis numero mergebantur, ita ut cadaveribus interceptum alveum amnis siccum appareret. In eo proelio cesi sunt duo reges eorum, Sigifridus scilicet et Gotafridus; regia signa XVI ablata et in Baioaria in testimonium transmissa sunt. Eodem in loco die ---Kal --- letanias rex celebrare praecipit; ipse cum omni exercitu laudes Deo canendo processit, qui talem victoriam suis tribuit, ut uno bomine tantum occiso de parte christianorum compertum est, tanta milia hominum ex altera parte perierunt.
Vervolgens vielen de Noormannen het Westfrankische rijk binnen, en er werd vanuit Francië ter verdediging een leger gezonden. Daarbij werd Sunderolt, de aartsbisschop van Mainz, die hen op onvoorzichtige wijze aanviel, gedood. En in zijn plaats werd Hatto, de abt van Reichenau, een fijnzinnige man, als aartsbisschop aangesteld. Om zich daarvoor op de Noormannen te wreken, marcheerde koning Arnulf met de Franken, nadat hij een leger van waardeloze Alamannen had verzameld, tegen hen op. Maar de Alamannen deden of ze ziek waren en verlieten de koning om naar huis terug te keren. Maar hij marcheerde voorspoedig met de Franken naar het westen. De Noormannen, die het grootste deel van het rijk van Lotharius hadden verwoest, richtten bij de Dijle zonder problemen hun kamp op, in een plaats die Leuven heet, en omgaven het volgens hun gewoonte met een versterkte omwalling. De koning met zijn leger arriveerde onverwacht op die plaats. Ze staken snel de rivier over en dachten zonder uitstel het gevecht aan te gaan. De koning aarzelde weliswaar om zo'n groot leger in de waagschaal te stellen, want met een moeras aan de ene zijde en de oever waarlangs de rivier stroomde aan de andere zijde was er voor de ruiterij geen ruimte om aan te vallen. Hij overzag de situatie, dacht erover na en won advies in om een plan te trekken, want de Franken waren niet gewend om te voet te vechten. Hij bekeek de zaak met aandacht en uiteindelijk riep de held de Frankische leiders bij zich en sprak ze op een rustige manier toe: 'Mannen, terwijl jullie God hebben geëerd, en altijd met Gods gratie het vaderland hebben verdedigd, waren jullie onoverwinnelijk. Put moed, wanneer je denkt aan het vrome bloed van jullie ouders, dat is vergoten door een vijand, die op de meest heidense manier tekeer is gegaan, wanneer je denkt aan de vernietiging van de heilige kerken in jullie vaderland, die aan de heiligen en aan jullie schepper zijn gewijd, en wanneer je denkt aan de dood van zelfs de meest hooggeplaatste dienaren van God. Neem actie, soldaten, jullie zien degenen die deze misdaden hebben begaan voor je, en volg me als ik van mijn paard afkom en de banier in mijn hand vooruit draag. Laten we in Gods naam onze vijanden aanvallen, en niet onze, maar de schande van Hem, de Almachtige, wreken.' Door deze toespraak opgejut, maakten allen, jong en oud, met gelijke wilskracht en moed, zich op voor de strijd te voet. Eerst vroegen ze de koning er met de ruiterij op toe te zien, dat ze niet bang voor vijandige aanvallen in de rug hoefden te zijn. De kreten van de christenen stegen op naar de hemel en niet minder schreeuwden de heidenen, volgens hun gewoonte. Vreselijke banieren bewogen door het kamp. Aan beide zijden werden zwaarden getrokken, en de legers stuitten op elkaar als ijzer op steen. Het waren echter Denen, het sterkste volk van de Noormannen, waarvan onbekend is of ze ooit werden gevangengenomen of verslagen. Er woedde een hevige slag, maar na een korte tijd was de overwinning, met de hulp van Gods gratie, aan de christenen. De Noormannen brachten zich door te vluchten in veiligheid, en nu werd de rivier, die ze eerst als rugdekking zagen, hun dood. Want doordat de christenen vanaf de ene zijde dood en verderf zaaiden, werden ze gedwongen om in de rivier te springen, en naar elkaars handen, nekken en ledematen grijpend, zonken ze bij honderden en duizenden, waardoor hun lichamen de rivier blokkeerden en deze daardoor leek op te drogen. In die slag werden twee van hun koningen gedood, namelijk Sigfröğr en Guğröğr, en zestien koninklijke banieren werden weggevoerd en als bewijs naar Beieren gestuurd. In die plaats verordonneerde de koning dat er op --- (*) litanieën werden gebeden, zelf ging hij in processie met heel zijn leger en zij zongen gebeden tot God, die zijn mannen zo'n overwinning had bezorgd. Aan christelijke zijde was slechts één man gesneuveld, terwijl aan de andere zijde vele duizenden waren omgekomen.
(*) de datum is niet ingevuld
Then the Norsemen invaded the lands of the western Franks, and an army was sent from Francia to repel them. There Sunderolt, the archbishop of Mainz, attacked them rashly and was killed, and in his place Hatto, abbot of Reichenau, a man of subtle mind, was made archbishop. Therefore King Arnulf set out with the Franks, after gathering to him a useless Aleman army, to avenge this on the Norsemen. But the Alemans pretended to be sick and left the king and returned home. But he continued succesfully with the Franks to the west. The Norsemen, having laid waste a great part of Lothar's kingdom, pitched their camp, untroubled, by the River Dyle in the place which is called Louvain, and after their fashion surrounded it with a fortified ditch. The king and his army then arrived unexpectedly at that place. They quickly crossed the river and thought of joining battle without delay. The king indeed hesitated to risk so large an army, because with a marsh on one side and the bank of the river on the other there was not room for cavalry to attack. He looked the position over, he thought about it, and took advice as to what plan was needed, for the Franks are not used to fighting while advancing step by step. He considered the matter anxiously, and at length the hero called the leaders of the Franks to him and addressed them in a relaxed manner as follows: 'Men, while you have honoured God, and have always protected the fatherland under God's grace, you have been invincible. Take courage, when you think of revenging the blood of your pious relatives shed by an enemy raging in a most pagan fashion, when you behold the overthrow even in your fatherland of holy churches dedicated to the honour of saints and of your Creator, and when you see the death of God's ministers of the highest rank. Now, soldiers, act! you have the authors of these crimes before your eyes, and when I get down from my horse and signal with my hand, follow me! Let us attack our enemies in God's name, avenging not our shame but that of Him who can do all things.' Stirred up by this speech, all, young and old, with equal will and boldness, prepared to give battle on foot. First they begged the king that he would see to it with cavalry that they should have nothing to fear from attacks by the enemy in the rear. The shouts of the Christians rose to heaven, and the pagans after their fashion shouted no less; terrible battle-standards moved through the camps. Swords were drawn on both sides, and the armies clashed like iron on stone. The Danes were there, the most powerful people among the Norsemen, who had never been heard to have been captured or conquered in any fortification. There was a fierce battle, but after a short time, with the aid of God's grace, the victory fell to the Christians. The Norsemen sought safety in flight and found that the river, which before they had thought of as a wall to their rear, was now their death. For with the Christians bringing death from the other side they were forced to throw themselves into the river, and, grasping at each other in heaps by hand, neck and limbs, they sank in hundreds and thousands, so that their corpses blocked the river bed and it seemed to run dry. In that battle two of their kings were killed, that is Sigfröğr and Guğröğr, and sixteen royal standards were carried off and were sent to Bavaria as a witness. In the same place, on the --- kalends of --- (*), the king ordered litanies to be celebrated, and he went in prossession there with his army singing praises to God, who had given such a victory to his men, with only one man found to have been killed on the Christian side, and so many thousands perishing on the other side.
(*) the date is not filled in
Startpagina

Home Page

Terug naar de inhoudsopgave

Back to the table of contents

Begin van de pagina

Top of the page