Gjallar
Noormannen in de Lage Landen

Norsemen in the Low Countries

Startpagina

Home Page

Bronnen / Sources
Terug naar de inhoudsopgave

Back to the table of contents

Annales Regni Francorum - De Frankische Rijksannalen / The Royal Frankish Annals
Beslaat: 741-829
Geschreven: vanaf 795 gelijktijdig met de gebeurtenissen
Auteur: anonieme schrijvers in verband te brengen met het Karolingische hof, waarschijnlijk verschillende leden van de koninklijke kanselarij
Gedrukte uitgave: Rau, R., Quellen zur karolingischen Reichsgeschichte I, (Darmstadt 1955), 10-155.
Engelse vertaling: Scholz, B. W., Carolingian Chronicles. Royal Frankish Annals and Nithard's Histories (Michigan 1972), 37-125.
Covers: 741-829
Written: since 795 contemporaneous with the events
Author: anonymous writers close to the Carolingian court, probably several members of the royal chapel
Printed edition: Rau, R., Quellen zur karolingischen Reichsgeschichte I, (Darmstadt 1955), 10-155.
English translation: Scholz, B. W., Carolingian Chronicles. Royal Frankish Annals and Nithard's Histories (Michigan 1972), 37-125.

Rau, Quellen, 42 (782)

Etiam illuc convenerunt Nordmanni missi Sigifridi regis, id est Halptani cum sociis suis.
Er verschenen daar (*) ook noordse gezanten van koning Sigfrøğr (**), Hálfdan (***) en zijn medestanders.
(*) de rijksdag van Karel de Grote aan de Lippe
(**) Sigfrøğr wordt in geen enkele andere bron genoemd
(***) waarschijnlijk de vader van Hemingr, die in 837 op Walcheren omkwam
Norse emissaries of King Sigfrøğr (*), Hálfdan (**) with his companions, also appeared there (***).
(*) Sigfrøğr is not mentioned in any other source
(**) presumably the father of Hemingr who was killed at Walcheren in 837
(***) the assembly of Charlemagne at the River Lippe

Rau, Quellen, 92 (809)

Imperator autem, cum ei multa de iactantia et superbia regis Danorum nuntiarentur, statuit trans Albiam fluvium civitatem aedificare Francorumque in ea ponere praesidium. Cumque ad hoc per Galliam atque Germaniam homines congregasset armisque ac ceteris ad usum necessariis rebus instructos per Frisiam ad locum destinatum ducere iussisset.
De keizer (*) besloot om een sterkte te bouwen aan de overzijde van de Elbe en er een Frankische macht te legeren, omdat hij veel over de bluf en de arrogantie van de Deense koning (**) had gehoord. Voor dit doel bracht hij mannen uit Gallië en Duitsland samen, uitgerust met wapens en andere benodigdheden, en hij gaf hen orders om via Frisia hun doel te bereiken.
(*) Karel de Grote
(**) Guğröğr, die in deze annalen voor het eerst in 804 wordt genoemd
Since he (*) had heard much about the arrogance and pride of the Danish king (**), the emperor decided to build a castle on the other side of the Elbe and to garrison it with a Frankish force. For this purpose he gathered men in Gaul and Germany equipped with arms and all other necessities, and ordered them to be taken by way of Frisia to their destination.
(*) Charlemagne
(**) Guğröğr, who is mentioned in the same annals for the first time in 804
Rau, Quellen, 94 (810)
Imperator vero Aquisgrani adhuc agens et contra Godofridum regem expeditionem meditans nuntium accepit, classem ducentarum navium de Nordmannia Frisiam appulisse totasque Frisiaco litori adiacentes insulas esse vastatas iamque exercitum illum in continenti esse ternaque proelia cum Frisonibus commisisse Danosque victores tributum victis inposuisse et vectigalis nomine centum libras argenti a Frisonibus iam esse solutas, regem vero Godofridum domi esse.
...
Nam et classem, quae Frisiam vastabat, domum regressam et Godofridum regem a quodam suo satellite interfectum.
Terwijl de keizer nog in Aken verbleef en een veldtocht tegen koning Guğröğr overwoog, ontving hij het bericht, dat een vloot van 200 schepen uit Denemarken in Frisia was geland, dat alle eilanden voor de kust van Frisia waren verwoest, en het leger al aan land was gegaan en drie slagen tegen de Friezen had gevoerd, dat de zegevierende Denen de overwonnenen een tribuut hadden opgelegd, dat er bij wijze van tribuut al honderd pond zilver door de Friezen was betaald, en dat koning Guğröğr thuis was gebleven.
...
De vloot, die Frisia had verwoest, was teruggekeerd en koning Guğröğr was door iemand uit zijn gevolg vermoord.
While the emperor was still in Aachen, considering an expedition against King Guğröğr, he received the news that a fleet of two hundred ships from Denmark had landed in Frisia, that all the islands off the coast of Frisia had been ravaged, that the army had already landed and fought three battles against the Frisians, that the victorious Danes had imposed a tribute on the vanquished, that already one hundred pounds of silver had been paid as tribute by the Frisians, and that King Guğröğr was at home.
...
The fleet which ravaged Frisia had returned home and King Guğröğr had been murdered by one of his retainers.
Rau, Quellen, 98 (811)
Ipse autem interea propter classem, quam anno superiore fieri imperavit, videndam ad Bononiam civitatem maritimam, ubi eaedem naves congregatae erant, accessit farumque ibi ad navigantium cursus dirigendos antiquitus constitutam restauravit et in summitate eius nocturnum ignem accendit. Inde ad Scaldim fluvium veniens in loco, qui Gand vocatur, naves ad eandem classem aedificatas aspexit.
Ondertussen ging hij zelf naar de havenstad Boulogne om daar dezelfde verzamelde vloot te inspecteren, waarvan hij de totstandkoming het jaar daarvoor had bevolen. In Boulogne herstelde hij de vuurtoren, die lang geleden was gebouwd om de zeelieden te leiden en hij liet 's nachts in de top een vuur ontsteken. Vandaar ging hij naar de Schelde naar een plaats, die Gent genoemd wordt, en inspecteerde de schepen die voor diezelfde vloot gebouwd waren. In the meantime, the emperor himself went to the port city of Boulogne in order to inspect the fleet whose construction he had ordered the year before. There the ships in question had assembled. At Boulogne he restored the lighthouse constructed a long time ago to guide the course of sailors and had a fire lit on its top at night. From Boulogne he came to the River Scheldt at Ghent and inspected the ships built for the same fleet.
Rau, Quellen, 98-100 (812)
Nec multo post Hemmingus Danorum rex defunctus nuntiatur. Cui cum Sigifridus nepos Godofridi regis et Anulo nepos Herioldi, et ipsius regis, succedere voluissent neque inter eos, uter regnare deberet, convenire potuisset, comparatis copiis et commisso proelio ambo moriuntur. Pars tamen Anulonis adepta victoriam fratres eius Herioldum et Reginfridum reges sibi constituit; quam necessario pars victa secuta eosdem sibi regnare non abnuit. In eo proelio XDCCCCXL viri cecidisse narrantur.
...
Harioldus et Reginfridus reges Danorum missa ad imperatorem legatione pacem petunt et fratrem suum Hemmingum sibi remitti rogant.
Niet lang daarna werd bekend, dat de Deense koning Hemingr was gestorven. Sigfrøğr, de neef van koning Guğröğr, en Óli, de neef van Haraldr en van deze koning, wilden hem allebei opvolgen. Ze konden niet tot een overeenstemming komen wie er koning zou worden. Ze verzamelden troepen en begonnen een strijd waarbij ze beiden gedood werden. De partij van Óli won, en stelde zijn broers Haraldr (*) en Ragnfröğr als koningen aan. De anderen waren genoodzaakt om zich bij hun heerschappij neer te leggen. Er wordt verteld dat 10940 mannen in de slag sneuvelden.
...
De Deense koningen Haraldr and Ragnfröğr zonden een gezantschap naar de keizer met het verzoek om vrede en de vrijlating van hun broer Hemingr (**).
(*) Klakk-Haraldr, sinds 826 graaf van Riustringen
(**) die in 837 op Walcheren sneuvelde
Not much later the news arrived that Hemingr, king of the Danes, had died. Sigfrøğr, the nephew of King Guğröğr, and Óli, the nephew of Haraldr and of the former king, both wished to succeed him. Being unable to agree on who should be king, they raised troops, fought a battle, and were both killed. The party of Óli won, however, and made his brothers Haraldr (*) and Ragnfröğr their kings. The defeated party out of necessity had to go along with the party of Óli and did not reject the brothers as their kings. They say that ten thousand nine hundred and forty men died in that battle.
...
Haraldr and Ragnfröğr, kings of the Danes, sent an embassy to the emperor, asking for peace and requesting that their brother Hemingr (**) be released.
(*) Klakk-Haraldr, Count of Riustringen since 826
(**) who was killed at Walcheren in 837
Rau, Quellen, 106 (814)
Harioldus et Reginfridus reges Danorum, qui anno superiore a filiis Godofridi victi et regno pulsi fuerunt, reparatis viribus iterum eis bellum intulerunt; in quo conflictu et Reginfridus et unus de filiis Godofridi, qui maior natu erat, interfectus est. Quo facto Herioldus rebus suis diffidens ad imperatorem venit et se in manus illius commendavit; quem ille susceptum in Saxoniam ire et oportunum tempus exspectare iussit, quo ei, sicut petierat, auxilium ferre potuisset.
De Deense koningen Haraldr en Ragnfröğr waren het afgelopen jaar door de zonen van Guğröğr, die hun troepen weer bijeen hadden gebracht om een oorlog te ontketenen, verslagen en uit hun rijk verdreven. In deze strijd werden Ragnfröğr en de oudste zoon van Guğröğr gedood. Toen dit was gebeurd, richtte Haraldr zich wanhopig tot de keizer (*), en stelde zichzelf onder zijn bescherming. De keizer nam hem aan en hij werd naar Saksen gestuurd om het juiste moment af te wachten, tot hij in staat zou zijn om hem de hulp de bieden die hij had gevraagd.
(*) Lodewijk de Vrome
Haraldr and Ragnfröğr, kings of the Danes, had been defeated and expelled from their kingdom the year before by the sons of Guğröğr, against whom they regrouped their forces and again made war. In this conflict Ragnfröğr and the oldest son of Guğröğr were killed. When this had come to pass, Haraldr despaired of his cause, came to the emperor (*), and put himself under his protection. The emperor received him and told him to go to Saxony and to wait for the proper time when he would be able to give him the help which Haraldr had requested.
(*) Louis the Pious
Rau, Quellen, 106 (815)
Donec tandem hieme transacta circa medium fere Maium mensem oportunum proficiscendi tempus adrisit. Tunc omnes Saxonici comites omnesque Abodritorum copiae cum legato imperatoris Baldrico, sicut iussum erat, ad auxilium Harioldo ferendum trans Egidoram fluvium in terram Nordmannorum vocabulo Sinlendi perveniunt et inde profecti septimo tandem die in loco, qui dicitur ---, in litore oceani castra ponunt. Ibique stativis triduo habitis, cum filii Godofridi, qui contra eos magnis copiis et ducentarum navium classe conparata in insula quadam tribus milibus a continenti separata residebant, cum eis congredi non auderent, vastatis circumquaque vicinis pagis et acceptis popularium obsidibus XL ad imperatorem in Saxoniam reversi sunt. Ipse enim tunc temporis in loco, qui dicitur Padrebrunno, generalem populi sui conventum habebat.
Toen uiteindelijk, rond het midden van mei, de winter voorbij was, deed zich de juiste gelegenheid voor om te vertrekken. Daarop marcheerden alle Saksische graven en alle troepen van de Obodrieten, met de opdracht om Haraldr te helpen, met de keizerlijke gezant Balderik, over de Eider, naar Silendi (*), het land van de Noormannen. En vandaar trokken ze verder en uiteindelijk sloegen ze op de zevende dag op een plaats, die --- (**) heet, aan de kust hun kamp op. Daar bleven ze drie dagen, maar de zonen van Guğröğr, die een groot leger en een vloot van 200 schepen tegen hen hadden ingezet, bleven op een eiland dat drie mijlen uit de kust lag en ze hadden niet de moed om de strijd aan te gaan. Ze keerden naar de keizer in Saksen terug, nadat ze alles in de naburige districten hadden verwoest en 40 gijzelaars van het volk hadden geaccepteerd.
(*) het noorden van Sleeswijk
(**) de naam ontbreekt in de manuscripten
Finally, when the winter was over, about the middle of May, the proper time to begin the march arrived. Then all Saxon counts and all troops of the Obodrites, under orders to bring help to Haraldr, marched with the imperial emissary Baldrich across the river Eider into the land of the Norsemen called Silendi (*). From there they went on and, finally, on the seventh day, pitched camp on the coast at --- (**). There they halted for three days. But the sons of Guğröğr, who had raised against them a large army and a fleet of two hundred ships, remained on an island three miles off the shore and did not dare engage them. Therefore, after everywhere laying waste the neighbouring districts and receiving 40 hostages from the people, they returned to the emperor in Saxony.
(*) the northern part of Schleswig
(**) the name is missing in the manuscripts
Rau, Quellen, 110-112 (817)
Filii quoque Godofridi regis Danorum propter assiduam Herioldi infestationem missa ad imperatorem legatione pacem petunt eamque a se servandam pollicentur; sed cum haec simulata magis quam veracia viderentur, velut inania neglecta sunt, et auxilium contra eos Herioldo datum.
De zonen van de Deense koning Guğröğr zonden ook een gezant naar de keizer, vanwege het voortdurende getreiter van Haraldr. Ze vroegen om vrede en beloofden zich hieraan te houden. Maar dit leek eerder een verzinsel dan de waarheid, en het werd als een holle belofte genegeerd. En er werd aan Haraldr hulp tegen hen geboden. Because of the persistent aggression of Haraldr, the sons of Guğröğr, king of the Danes, also sent an embassy to the emperor, asked for peace, and promised to preserve it. This sounded more like hypocrisy than truth, so it was dismissed as empty talk and aid was given to Haraldr against them.
Rau, Quellen, 120 (819)
Harioldus quoque iussu imperatoris ad naves suas per Abodritos reductus in patriam quasi regnum ibi accepturus navigavit. Cui se duo ex filiis Godofridi quasi una cum eo regnum habituri sociasse dicuntur, aliis duobus patria expulsis; sed hoc dolo factum putatur.
Op bevel van de keizer werd Haraldr door de Obodrieten naar zijn schepen geleid en hij voer naar zijn vaderland om de heerschappij op zich de nemen. Men zegt dat twee zonen van Guğröğr een bondgenootschap met hem hadden gesloten om de troon te delen, twee anderen werden uit hun vaderland verdreven. Maar men veronderstelt dat dit door bedrog is gebeurd. On the emperor's order Haraldr was taken to his ships by the Obodrites and sailed back to his homeland to take over the kingdom. Two of the sons of Guğröğr are said to have made an alliance with him to share the throne; two others were driven out of the country. But this is believed to have been done by trickery.
Rau, Quellen, 122 (820)
De Nordmannia vero tredecim piraticae naves egressae primo in Flandrensi litore praedari molientes ab his, qui in praesidio erant, repulsae sunt; ubi tamen ab eis propter custodum incuriam aliquot casae viles incensae et parvus pecoris numerus abactus est.
Uit het land van de Noormannen kwamen echter 13 piratenschepen, die eerst op de Vlaamse kust landden om te plunderen, maar ze werden door de wacht verdreven. Echter door onvoorzichtigheid van de wachters werden enige eenvoudige behuizingen platgebrand en enige stuks vee gestolen. From the land of the Norsemen, on the other hand, thirteen pirate vessels set out and tried to plunder on the shore of Flanders, but were repelled by guards. But because of the carelessness of the defenders, some wretched huts were burned down and a small number of cattle taken away.
Rau, Quellen, 126-128 (821)
De parte Danorum omnia quieta eo anno fuerunt, et Harioldus a filiis Godofridi in societatem regni receptus; quae res tranquillum inter eos huius temporis statum fecisse putatur.
Aan de Deense zijde bleef alles rustig dit jaar, en Haraldr werd als bondgenoot door de zonen van Guğröğr ontvangen. Men neemt aan dat dit in die tijd de rustige situatie tussen hen heeft veroorzaakt. Everything was quiet on the Danish front in this year, and Haraldr was received as partner in the rule by the sons of Guğröğr. This is believed to have caused the peaceful relations among them at this time.
Rau, Quellen, 130 (822)
Fuerunt in eodem conventu et legationes de Nordmannia, tam de parte Harioldi quam filiorum Godofridi.
Op deze rijksdag (*) waren eveneens gezanten, zowel van Haraldr als van de zonen van Guğröğr.
(*) te Frankfurt
Embassies from Nordmannia were also at this assembly (*), from Haraldr as well as from the sons of Guğröğr.
(*) at Frankfurt
Rau, Quellen, 134-136 (823)
Venerat et Harioldus de Nordmannia, auxilium petens contra filios Godofridi, qui eum patria pellere minabantur; ob cuius causam diligentius explorandam ad eosdem filios Godofridi Theotharius et Hruodmundus comites missi fuerunt, qui et causam filiorum Godofridi et statum totius regni Nordmannorum diligenter explorantes adventum Harioldi praecesserunt et imperatori omnia, quae in illis partibus comperire potuerunt, patefecerunt. Cum quibus et Ebo Remorum archiepiscopus, qui consilio imperatoris et auctoritate Romani pontificis praedicandi gratia ad terminos Danorum accesserat et aestate praeterita multos ex eis ad fidem venientes baptizaverat, regressus est.
Haraldr kwam uit het land van de Noormannen en vroeg om hulp tegen de zonen van Guğröğr, die dreigden hem uit het land te zullen verdrijven. Om deze zaak nauwkeurig te onderzoeken werden de graven Theothar en Hruodmund naar de zonen van Guğröğr gezonden. Zij reisden voor Haraldr uit en bestudeerden het geschil met de zonen van Guğröğr en ook de situatie van het hele Noormannenrijk en ze informeerden de keizer over alles wat ze ter plaatse konden ontdekken. Zij keerden weer met aartsbisschop Ebo van Reims terug, die op aanraden van de keizer en met toestemming van de paus naar het land van de Denen was getrokken om het evangelie te prediken en die de vorige zomer velen had bekeerd en gedoopt. Also Haraldr came from Nordmannia, asking for help against the sons of Guğröğr, who threatened to drive him out of his country. To explore this matter more thoroughly Counts Theothari and Hruodmund were sent to the sons of Guğröğr. Traveling ahead of Haraldr they carefully studied the dispute with the sons of Guğröğr as well as the condition of the whole kingdom of the Norsemen and informed the emperor of all they could find out in these lands. They returned with archbishop Ebo of Rheims, who had gone to preach in the land of the Danes on the counsel of the emperor and with the approval of the Roman pontiff and had baptized many converts to the faith during the previous summer.
Rau, Quellen, 144 (826)
Eodem tempore Herioldus cum uxore et magna Danorum multitudine veniens Mogontiaci apud sanctum Albanum cum his, quos secum adduxit, baptizatus est; multisque muneribus ab imperatore donatus per Frisiam, qua venerat via, reversus est. In qua provincia unus comitatus, qui Hriustri vocatur, eidem datus est, ut in eum se cum rebus suis, si necessitas exigeret, recipere potuisset.
In diezelfde tijd kwam Haraldr met zijn echtgenote en een groot aantal Denen en zij werden met hun gezelschap in Sint-Albanus te Mainz gedoopt. De keizer gaf hem veel geschenken voordat hij via Frisia, de weg waarlangs hij was gekomen, naar huis terugkeerde. In deze provincie kreeg hij een graafschap, Riustringen genaamd, zodat hij in staat was om met zijn bezittingen toevlucht te zoeken, als de noodzaak zich zou voordoen. At the same time Haraldr came with his wife and a great number of Danes and was baptized with his companions at St. Alban's in Mainz. The emperor presented him with many gifts before he returned home through Frisia, the route by which he had come. In this province one county was given to him, the county of Riustringen, so that he would be able to find refuge there with his possessions if he were ever in danger.
Rau, Quellen, 148-150 (827)Imperator autem duobus conventibus habitis, uno apud Niumagam propter falsas Hohrici filii Godefridi regis Danorum pollicitationes, quibus se illo ad imperatoris praesentiam venturum promiserat.
...
Interea reges Danorum, filii videlicet Godofridi, Herioldum de consortio regni eicientes Nordmannorum finibus excedere conpulerunt.
De keizer hield twee bijeenkomsten. Een te Nijmegen, vanwege de valse beloftes van Hárekr, de zoon van de Deense koning Guğröğr, om voor de keizer te verschijnen.
...
Ondertussen verdreven de Deense koningen, dat waren de zonen van Guğröğr, Haraldr als medekoning en joegen hem over de grens van het Noormannenrijk.
The emperor held two assemblies. One was at Nijmegen because Hárekr, son of Guğröğr, the king of the Danes, had falsely promised to appear before the emperor.
...
In the meantime the kings of the Danes, that is, the sons of Guğröğr, deprived Haraldr of his share of the kingship and forced him to leave Nordmannia.
Rau, Quellen, 152 (828)
Interea, cum in confinibus Nordmannorum tam de foedere inter illos et Francos confirmando quam de Herioldi rebus tractandum esset et ad hoc totius pene Saxoniae comites simul cum markionibus illo convenissent, Herioldus rerum gerendarum nimis cupidus condictam et per obsides firmatam pacem incensis ac direptis aliquot Nordmannorum villulis inrupit. Quod audientes filii Godofridi contractis subito copiis ad marcam veniunt et nostros in ripa Egidore fluminis sedentes ac nihil tale opinantes transito flumine adorti castris exuunt eisque in fugam actis cuncta diripiunt ac se cum omnibus copiis suis in sua castra recipiunt. Deinde inito consilio, ut ultionem huius facti praevenirent, missa legatione ad imperatorem, quam inviti et quanta necessitate coacti id fecerint, exposuerunt, se tamen ad satisfactionem esse paratos, et hoc in imperatoris esset arbitrio, qualiter ita fieret emendatum, ut de reliquo inter partes pax firma maneret.
Er werden ondertussen onderhandelingen nabij de grens van het Noormannenrijk gepland om de vrede tussen de Noormannen en de Franken te bekrachtigen en om de zaak van Haraldr te bespreken. Hiervoor kwamen graven en markgraven uit bijna heel Saksen. Maar Haraldr verlangde sterk naar actie. Hij brak de vrede, die was overeengekomen en bezegeld door het stellen van gijzelaars. Hij plunderde en legde enige kleine dorpen van de Noormannen in de as. Toen de zonen van Guğröğr dit vernamen, verzamelden ze meteen troepen. Onze mensen waren op de oever van de Eider gestationneerd en verwachtten geen moeilijkheden. De zonen van Guğröğr trokken op naar de grens, staken de rivier over en vielen de Franken aan, ze verdreven hen uit hun fort en joegen hen op de vlucht. Ze namen alles van hen mee en trokken zich met al hun troepen in hun fort terug. Daarna overlegden ze hoe ze een vergelding van deze actie moesten voorkomen. Ze vaardigden een gezantschap naar de keizer af en ze legden uit dat ze hiertoe genoodzaakt waren, en dat ze bereid waren om genoegdoening te geven. En het was geheel aan de keizer hoe dit kon worden rechtgezet, opdat de vrede tussen de twee partijen bewaard zou blijven. Near the border of Nordmannia in the meantime negotiations were planned to ratify the peace between Norsemen and Franks and to discuss the affair of Haraldr. For this business counts and margraves came from almost all of Saxony. But Haraldr was too thirsty for action. He broke the peace that had agreed upon and confirmed by hostages, and burned and pillaged some small villages of the Norsemen. Upon hearing this the sons of Guğröğr immediately gathered troops. Our people were stationed on the bank of the River Eider, not expecting any trouble. The sons of Guğröğr advanced towards the march, crossed the river and attacked the Franks, driving them out of their castle and putting them to flight. They took everything from them and retreated with all their forces to their camp. Then they deliberated how to ward off revenge for this action. They dispatched an embassy to the emperor and explained that need had compelled their will to do this, that they were ready to give satisfaction, and that it was entirely up to the emperor how amends should be made in order to preserve peace between the two parties.
Startpagina

Home Page

Terug naar de inhoudsopgave

Back to the table of contents

Begin van de pagina

Top of the page