|
Noormannen in de Lage Landen |
![]() |
|
|
Dorestad, een van de belangrijkste handelsplaatsen van noordwest Europa in de vikingperiode, lag in het centrale
rivierengebied van de Friese kustlanden. Er zijn met name in de afgelopen 30 jaar in het tegenwoordige Wijk bij Duurstede uitgebreide archeologische
opgravingen verricht om meer van Dorestad te weten te komen. In de negende eeuw werd de plaats, zij het met onderbrekingen, bijna een halve eeuw
door Denen beheerst. Ondanks het grootschalige archeologische onderzoek is van hen echter geen spoor gevonden. Maar hun aanwezigheid kan wel
uit schriftelijke bronnen worden afgeleid, zoals hieronder zal worden uitgelegd. |
![]() |
De Mazijk in het oude stadje Wijk bij Duurstede |
|
Een algemeen overzicht van Dorestad Aan de voet van de muren van een voormalig Romeins fort ontstond aan het begin van de zevende eeuw op de oevers van de Rijn en de Lek de handelsnederzetting Dorestad. Goederen uit het Maas-Rijngebied en uit het Noordzeegebied werden hier verhandeld. De nederzetting was vanaf het begin een speelbal van de elkaar bestrijdende Franken en Friezen, totdat de Franken de definitieve hegemonie in het rivierengebied in handen kregen. De Austrasische machthebbers, en later vooral de Karolingen, steunden het emporium onder andere door handels- en ambachtslieden speciale privileges te geven. Dorestad groeide en bloeide en al snel werd de plaats aan de noordzijde met een nieuwe handelswijk langs de Rijn uitgebreid. De twee delen van Dorestad: de Merovingische 'Bovenstad' met het castrum en de Karolingische 'Benedenstad' waren door een doorlopende weg op de linkeroever van de Rijn met elkaar verbonden, te vergelijken met de Londense Strand. De loop van deze weg, de ruggengraat van de plaats, kan tegenwoordig nog steeds herkend worden in de Hoogstraat, Markt en Volderstraat. De zuidelijke voortzetting werd in de vijftiende eeuw door de bouw van het kasteel Duurstede onderbroken. De 'Benedenstad' was als een Friese Einstraßenanlage opgezet, met een havenfront met vele loopdammen in de Rijn en westelijk daarvan, op De Heul, een voornamelijk agrarische nederzetting. Het bewoonde gebied had een lengte van ongeveer 3000 meter, de plaats was voor de vroege Middeleeuwen dus behoorlijk groot. Alleen de Karolingische 'Benedenstad' kon gedetailleerd archeologisch onderzocht worden. Het havengebied in de Noorderwaard en De Heul konden onderzocht worden voordat bouwactiviteiten ten behoeve van de uitbreidingsplannen van Wijk bij Duurstede de resten van Dorestad zouden bedekken. Vanaf de hoofdweg, die waarschijnlijk met hout was geplaveid, liepen vele beloopbare dammen de rivier in. Deze werden verlengd naarmate de rivier naar het oosten, dus van het havenfront weg, meanderde. Aan de landzijde van de hoofdweg correspondeerden tamelijk smalle percelen met enige rijen nogal kleine, houten huizen met de daarvoor liggende loopdammen (1). 'De Engk', het zuidelijke deel van de 'Benedenstad', is bijna geheel door erosie van een naar het westen meanderende bocht in de Rijn verdwenen. Slechts een klein gedeelte met een grafveld, dat net buiten de nederzetting lag, kon worden onderzocht. De 'Bovenstad', die tegenwoordig op de andere oever van de rivier ligt, is nooit opgegraven. De enige aanwijzingen voor vroege bewoning op deze plaats worden gevormd door fosfaatkartering en verschillende baggervondsten die bij de kleiwinning voor de plaatselijke steenfabriek werden gedaan. Behalve Karolingische voorwerpen kunnen de meeste vondsten, zoals stukken tufsteen, in verband worden gebracht met een verdwenen Romeins fort, die als castrum wordt vermeld in een anonieme historische compilatie van de geschiedenis van de Franken, bekend als de 'voortzetting van Fredegarius' (2). Aan het einde van de zevende eeuw hebben de Friezen en de Franken hier slag geleverd. Het fort werd door riviererosie aangetast en uiteindelijk in de rivier gespoeld. Tufstenen blokken werden door de bevolking voor bouwactiviteiten gebruikt, en zijn overal verspreid teruggevonden. We kunnen veronderstellen dat in de 'Bovenstad' de grafelijke burcht, het administratieve centrum van de vertegenwoordiger van de koning, was gevestigd. In de eerste periode van Frankische occupatie en Friese herovering in de zevende eeuw zullen de handelsactiviteiten zich tot de opkomst van de 'Benedenstad' grotendeels hier hebben afgespeeld. In veel plaatsen zoals Mainz, Worms, Keulen en Straatsburg werd op een smalle strook land tussen het water en de - veelal Romeinse - stadsmuur een handelsnederzetting ingericht. Iets dergelijks kunnen we ook aan de voet van het castrum van Dorestad vermoeden. Een deel van de 'Bovenstad' werd door de Frankische koning aan de Utrechtse kerk overgedragen, die de Lekoever begon te exploiteren. Op De Heul is achter de havenwijk een Karolingische nederzetting aangetroffen met een agrarisch karakter. De vele vondsten van nijverheidsproducten doen vermoeden dat hier tevens de nodige huisvlijt werd bedreven (4). Midden in het aanpalende grafveld op De Heul met talloze christelijke begravingen zijn de resten van wat misschien een zaalkerk was aangetroffen (5). Wellicht kunnen we hierin de 'Benedenkerk' zien, de tegenhanger van de 'Bovenkerk', de Upkirika, in de 'Bovenstad', die we in de schriftelijke bronnen tegenkomen. Er zijn rond de noordelijke handelswijk van Dorestad geen resten van grachten, wallen en palissaden aangetroffen. Ook andere handelsnederzettingen ontberen dergelijke verdedigingswerken. Later - veelal in de tiende eeuw - werden verdedigingen aangelegd, zoals de wal rond Haithabu. Of de handelslieden verhuisden hun negotie binnen de muren van een nabijgelegen - meestal Romeinse - burcht, zoals in Londen. Ten noordwesten van de agrarische nederzetting werd op 'De Geer' een Karolingische grachtenstructuur aangetroffen, die een fors terrein omsloot. De ruime afmetingen van de grachten doen een verdedigende functie vermoeden. Mede in samenhang met de bijzondere vondsten - de bekende vergulde broche is er een voorbeeld van - die hier gedaan zijn, is het aannemelijk dat we met een curtis, een hofstede van een edelman, te maken hebben. Deze was op een oeverwal van een niet meer actieve rivierarm gelegen, en vormde daardoor het hoogste punt van de omgeving. Hoewel op dezelfde plaats in de dertiende eeuw een versterkte hofstede verrees, konden archeologen geen bewoningscontinuïteit na de Karolingische periode vaststellen. Bewoning op De Geer lijkt gelijktijdig met die van het grootste gedeelte van de 'Benedenstad' te zijn opgehouden. Mede door de nabije ligging lijkt een verband tussen beide nederzettingen daardoor aannemelijk. Er is weleens gesuggereerd dat de versterking op De Geer zou hebben gediend als een vluchtburcht voor de bevolking van Dorestad, net zoals de Hochburg dat was voor het nog niet omwalde Haithabu of de Hammaburg voor de handelsnederzetting Hamburg. Ook bij Birka in Zweden was zo'n vluchtburcht, waarvan bisschop Rimbert van Hamburg-Bremen schreef dat de bewoners en handelaren hier tijdens een aanval bescherming zochten (6). In een gedicht van de Engelse geestelijke Alcuin uit het einde van de achtste eeuw wordt de plaats gespeld als 'Dorstada', dus in meervoud (7). Dit wijst ook op de verdeling van Dorestad in een 'Bovenstad' en een 'Benedenstad'. De voormalige Nederhof aan de huidige Volderstraat lijkt een stroomopwaarts gelegen - niet uit de bronnen bekende - Bovenhof te weerspiegelen, ook al zal deze laatste er niet meer geweest zijn. In de Nederhof mogen we de voormalige curtis van de abdij van Deutz zien. Deze hof kan overeenkomstig de naam in de 'Benedenstad' hebben gelegen. |
Deze tekst is een verkorte weergave van een artikel met dezelfde titel in Jaarboek Oud-Utrecht (2005), 5-40. |
|
Hinc tua vela leva, fugiens Dorstada relinque: Non tibi forte niger Hrotberct parat hospita tecta, Nec amat ecce tuum carmen mercator avarus. (Hijs van hier je zeilen, ontvlucht en laat de Dorestaden achter: Jij hebt niet het geluk dat Zwarte Hrotberct je een gastvrij dak biedt, Noch houdt de gierige koopman van je lied.) |
![]() |
![]() |
| De sociaal-politieke structuur Net als andere handelsplaatsen was Dorestad een speelbal in het politieke krachtenveld. Met name politieke ontwikkelingen in het Frankische rijk hebben een belangrijke, zo niet bepalende rol gespeeld bij zowel de opkomst als de teloorgang van de plaats. Met de opkomst van het oostelijke Frankische deelrijk Austrasië aan het begin van de zevende eeuw en de daarmee samenhangende zelfstandige positie van dit rijk nam het belang van de Rijn-Maasdelta toe. Met name het door de Friezen beheerste en op de splitsing van de Rijn en de Lek ideaal gelegen castrum Dorestad vormde het knooppunt van de handel tussen het Austrasische achterland en het Noordzeegebied. Hier zal dan ook al vroeg een ontmoetingsplaats van handelslieden ontstaan zijn. Het is daarom begrijpelijk dat de Austrasische machthebbers deze plaats wilden beheersen. Zij gaven het handelscentrum een impuls door de handel op allerlei manieren te bevorderen: er werden munten geslagen en er moet een vertegenwoordiger van de koning geweest zijn om tol en havenbelastingen (ripaticum) te innen. Met de groei en bloei van Dorestad kwam het zwaartepunt in de 'Benedenstad' te liggen. In een oorkonde uit 777 werd de Bovenkerk (Upkirika) ten opzichte van de 'Benedenstad' gepositioneerd (8). Voor uitbreiding langs de oevers van de 'Bovenstad' was waarschijnlijk geen plaats meer. Bovendien stond een deel van de 'Bovenstad' en het castrum, zoals wij zagen, bloot aan riviererosie en beddingverleggingen en kwam geïsoleerd te liggen door de afsnijding van de Lek. Met de opkomst van meer handelsnederzettingen begon de handel van karakter te veranderen. Er werden steeds meer gebruiksgoederen verhandeld in plaats van de traditionele luxe goederen. Tevens maar niet noodzakelijkerwijs gelijktijdig begon zich een regionale handel en nijverheid te ontwikkelen ten koste van de door het centrale gezag beheerste lange-afstandshandel. De kooplieden kwamen nu met schepen vol goederen, die ze tijdelijk moesten opslaan. De schepen moesten worden afgemeerd en de bemanning had een onderkomen nodig in afwachting van een nieuwe vracht, het juiste vaarseizoen of de samenstelling van een konvooi. We zien in deze periode, de vroege achtste eeuw, de havenconstructies in de 'Benedenstad' zienderogen groeien (9). Met het groeien van het belang van Dorestad zal de lokale elite er alles aan hebben gedaan om haar invloed op de handelsplaats te vergroten. Het is niet ondenkbaar dat zij op den duur een grotere greep op de handel in Dorestad kreeg dan de koning. De ongrijpbare handel, gedeeltelijk buiten het machtsgebied van de Franken, en de greep van de locale elite op de regionale handel noopten de Karolingische vorsten tot actie. Dit wordt vooral manifest in de eerder genoemde oorkonde uit 777 van Karel de Grote, waarin deze vorst een substantieel deel van Dorestad aan de Utrechtse kerk schonk. Ofschoon het vervreemden van een deel van het aaneengesloten koningsgoed Dorestad minder aantrekkelijk maakte voor de koning was deze begunstiging een noodzakelijke zet om de macht van locale machthebbers binnen de perken te houden. Hun kracht blijkt al uit de voor vorst en kerk ongewenste scheiding van het wereldlijke centrum in Dorestad en het kerkelijke centrum in Utrecht. De belangen van de Utrechtse kerk werden keer op keer bevestigd door de Frankische vorsten. Blijkbaar bestond er bij de Utrechtse bisschop een grote behoefte om zijn belangen in Dorestad duidelijk af te bakenen. Iets van de voortdurende druk van de plaatselijke elite en de Keulse kerk klinkt hierin door. |
| Na 830 vonden er praktisch geen uitbreidingen
van de havenconstructies meer plaats. In de houding van Lodewijk de Vrome openbaarde zich een zekere desinteresse voor Dorestad. Ondanks een
aantal vikingraids tussen 834 en 839 ondernam de keizer weinig met betrekking tot Dorestad en liever richtte hij zich op de kustverdediging. Met de
rijksdelingen van 839 en 843 werd Dorestad in het Middenrijk van Lotharius I ingedeeld en daarmee bleef de koppeling met het Austrasische
kerngebied tussen Maas en Rijn nog wel politiek gehandhaafd. Maar Lotharius en zijn nakomelingen konden zich steeds slechter handhaven tussen
de opkomende West- en Oostfrankische machten. Dorestad ondervond een economische teruggang, een tendens die ook door archeologen is
waargenomen (10). Met de Frankische verovering was het castrum Dorestad en zijn omgeving aan het koninklijke domein toegevallen. Kort daarop schonk Pippijn van Herstal de Utrechtse kerk eentiende deel van de inkomsten van dit domein. Dit blijkt later wat Dorestad betreft te zijn omgezet in de volledige opbrengst van een nader afgebakende handelszone (11). |
![]() |
|
Het ligt voor de hand om juist hier een dochterkerk van de Utrechtse bisschop te vermoeden, mogelijk de 'Benedenkerk' op De Heul.
De Utrechtse belangen in Dorestad werden in de loop van de achtste eeuw aanzienlijk uitgebreid toen de Frankische heersers de 'Bovenkerk' met
toebehoren aan de Utrechtse kerk hadden overgedragen. Deze aan Sint-Maarten gewijde kerk werd waarschijnlijk door de Frankische koning gesticht na de
definitieve herovering van Dorestad op de Friezen aan het begin van de achtste eeuw. Ook het omliggende terrein, een nabij de kerk liggende waard
tussen Rijn en Lek, alsmede het bovengenoemde ripaticum (oeverrecht) op de Lek kwamen toe aan de Utrechtse kerk (12). Deze beschikte dus
over twee samenhangende goederencomplexen: een als handelszone aan te duiden, niet nader gespecificeerd gebied en de 'Bovenkerk' met omliggend
terrein.
Door verplaatsing van de Rijn in de richting van het splitsingspunt met de Lek ging de 'Bovenkerk', net als het castrum, in de loop van
de negende eeuw in de stroom verloren. Vermoedelijk werd de kerk een paar honderd meter zuidelijker herbouwd als de vanzelfsprekend eveneens aan
Sint-Maarten gewijde kerk, die we met de bijbehorende gronden in de villa Rijswijk in het goederenregister van de Utrechtse kerk
tegenkomen (13). |
Verlaten meander van de Rijn bij steenfabriek 'De Roodvoet' in de Rijswijkse Buitenpolder, ongeveer op de vermoedelijke plaats van het castrum, met op de achtergrond de kerk van Rijswijk |
|
Denen in Dorestad De eerste Noormannen in Dorestad waren handelslieden. Hoewel ze uitstekende schepen bouwden, lijkt hun rol in de marine lange-afstandshandel aanvankelijk beperkt te zijn geweest. Het waren veelal Friezen die een belangrijke rol als handelaren/vrachtvaarders in de noordelijke zeeën speelden. We horen dan ook weinig over Scandinavische handelslieden. De eerste Denen, die we in Dorestad tegenkomen, plunderden de stad in 834 (16). Van de raids op Dorestad moeten we ons over het algemeen niet te overdreven voorstellingen maken. Na een overval ging de handel door als altijd. Opgravingen in Dorestad en het hele Kromme-Rijngebied tonen aan dat de vikingperiode geen merkbare gevolgen heeft gehad voor de bewoningscontinuïteit aldaar. Gedurende de jaren dertig en veertig van de negende eeuw, de periode waarin Dorestad het meest frequent is geplunderd, werd muntslag ter plaatse op grote schaal gecontinueerd (17). Ironisch genoeg profiteerde Dorestad in zekere zin van de vikingraids door de rijkdommen die in het noorden terecht kwamen en via de handel weer terugvloeiden. Na 863 vernemen we niets meer van Dorestad, althans niet in de door geestelijken geredigeerde teksten. Toch blijkt uit archeologisch onderzoek dat althans een deel van de plaats bleef doorfunctioneren. In de periode waarin Denen in Dorestad een politieke rol hebben gespeeld, kunnen we drie fasen onderscheiden. In de eerste fase kregen de Deense broers Haraldr 'junior' en Hrœrekr, neven van de uit Denemarken gevluchte voormalige Deense koning Klakk-Haraldr, na een reeks van aanvallen in de jaren dertig van de negende eeuw Dorestad overgedragen. In de tweede fase dwong Hrœrekr na een reeks van aanvallen in de tweede helft van de jaren veertig het hem ontnomen gebied af. In de derde fase vielen door de rijksdeling van 870 zowel Dorestad als zijn Deense heerser tussen wal en schip. Dorestad ging ten onder, de kooplieden verhuisden naar Tiel en Deventer, en kort daarop zou er van Hrœrekr niets meer vernomen worden. |
![]() Karolingische Badorf tuitpot met radstempelversiering, type W II, gevonden te Dorestad, 'Hoogstraat' |
![]() Toetssteen, waarschijnlijk Karolingisch, gevonden te Dorestad, 'Hoogstraat' |
De eerste fase. De Karolingische machtsstrijd De achtergrond van de eerste reeks van vikingraids op Dorestad had een politiek karakter. Deze aanvallen werden uitgevoerd door de Deen Haraldr 'junior' op instigatie van Lotharius I. Deze laatste was in 833 tegen Lodewijk de Vrome in opstand gekomen en hij had voldoende medestanders gevonden om zijn vader af te zetten. Doch het jaar daarop keerde het tij en herkreeg Lodewijk de Vrome zijn macht en keizerlijke waardigheid. Hij ontnam Lotharius de macht over de hem toegewezen gebieden, waaronder Frisia (18). De opstandige zoon werd samen met zijn medestanders naar Italië verbannen. Lotharius intrigeerde vervolgens waar hij kon en hij wist Haraldr 'junior' tot actie te bewegen. De Friese kustlanden werden van 834 tot 839, de periode waarin Lodewijk en Lotharius met elkaar in conflict waren, praktisch jaarlijks geplunderd. De keizer maande Lotharius tevergeefs. Slechts enige graven werden wegens hun nalatigheid bij de bestrijding van de piraten bestraft (19). Haraldr 'junior' was in 826 waarschijnlijk achtergebleven aan het Karolingische hof nadat zijn oom Klakk-Haraldr was begiftigd met het Oostfriese graafschap Riustringen. Hij moet daarom een goede bekende van Lotharius zijn geweest. Het lijkt er op dat de handelswijk Dorestad, aangeduid als emporium, in de jaren dertig slechts éénmaal geplunderd werd en dat was in 834. Na dat jaar wordt Dorestad in verschillende bronnen zonder verdere aanduiding genoemd. Het emporium zelf werd pas weer na 12 jaar aangevallen. Misschien werd het na 834 niet meer opgebouwd en richtten de aanvallers zich nadien op het administratieve centrum, de sterkte in de 'Bovenstad'. De keizer reageerde 'woedend' na de tweede aanval in 835, waarschijnlijk omdat nu de belangrijkste koninklijke belangen werden geschaad. In 839 verzoenden vader en zoon zich met elkaar en kreeg Lotharius zijn gebieden weer terug. Min of meer in ruil voor bewezen diensten, maar ook uit eigenbelang, droeg Lotharius vervolgens aan Haraldr 'junior' en zijn broer Hrœrekr Dorestad over (20). Want - zoals we al zagen - begonnen de Karolingische vorsten hun grip op Dorestad te verliezen. Hadden Karel de Grote en Lodewijk de Vrome nog getracht door schenkingen aan de Utrechtse kerk de macht van de plaatselijke elite te beperken, Lotharius zocht vooral steun bij leden van de Deense Haraldr-clan om grip op de handelsplaats te houden. Haraldr 'junior' ontving nadien van Lotharius ook nog 'Walcheren en andere naburige plaatsen' (21). |
| De tweede fase. De claim van Hrœrekr Vanaf 840 vonden er geen raids meer plaats. De aanvallers richtten hun pijlen op het rijk van Karel de Kale, en vooral op Engeland . Na het sluiten van een vriendschapsverdrag hadden de drie zonen van Lodewijk de Vrome niet meer zo'n behoefte aan hun Deense medestanders. Omdat er geen vikingaanvallen meer plaatsvonden, zal bij Lotharius de drang tot het nemen van defensieve maatregelen afgenomen zijn. Er was een ongewenste situatie ontstaan nu de Denen, die de mondingen van de Wezer, de Rijn, de Maas en de Schelde beheersten, een niet geringe machtsfactor in zijn rijk bleken te vormen. In of kort na 844 vielen Haraldr 'junior' en Hrœrekr dan ook bij Lotharius in ongenade. Hrœrekr werd valselijk van verraad beschuldigd en gearresteerd, maar wist te ontsnappen naar het rijk van Lodewijk de Duitser. Haraldr 'junior' kwam rond deze tijd om het leven, mogelijk bij diens arrestatie. Hrœrekr werd als Lodewijks fidelis (getrouwe) in Saksen, dicht bij de Deense grens, gestationeerd . Van hieruit verzamelde hij een 'niet geringe bende Denen' om zich heen en ondernam aanvallen op de 'noordelijke kusten van het rijk van Lotharius' (22). Mogelijk gaat het om de bende die in de voorafgaande periode onder leiding van Ragnarr het Seine-gebied onveilig had gemaakt. Ook deze Deen, aan het begin van de jaren veertig door Karel de Kale met goederen in Vlaanderen begiftigd, was in ongenade gevallen. En ook hij reageerde met aanvallen op het rijk van zijn voormalige heer, maar staakte zijn wraakoefening nadat hij door de koning werd afgekocht. In 846 werden de vicus Dorestad en nog twee andere villae (nederzettingen) geplunderd (23). Blijkbaar hebben we te maken met een grootscheepse aanval, want vermoedelijk werden alledrie de kernen van het conglomeraat Dorestad geplunderd. Het jaar daarop lijken de aanvallers het niet op Dorestad gemunt te hebben en plunderden ze de stroomopwaarts 'achter Dorestad gelegen' vicus Meginhardi. De kroniekschrijver Gerward suggereerde dat de Denen vanuit Dorestad opereerden, Prudentius maakte in datzelfde jaar inderdaad melding van de Deense bezetting van het emporium Dorestad (24). Als Lotharius later Dorestad aan Hrœrekr overdraagt, lijkt de suggestie van Gerward niet uit de lucht gegrepen te zijn. Ook de annalist van Fulda maakte melding van de bezetting van Dorestad door Hrœrekr nog voordat de plaats aan hem werd overgedragen. |
![]() Karolingische reliëfbandamfoor, type W IA, gevonden te Dorestad, 'Hoogstraat' |
![]() IJzeren boothaak met gebogen haak en nagelgat, gevonden te Dorestad, 'Hoogstraat' |
Het lijkt er op dat de verdediging regionaal was georganiseerd, in 845 werden de aanvallers verslagen door 'Friezen' (25). Over maatregelen van de koning
vernemen we niets. In 850 verwoestte Hrœrekr Frisia, de Betuwe en andere plaatsen en nam Dorestad met een omvangrijk Deens leger in. Deze
aanval was de climax van de reeks van gewelddadigheden in de voorgaande jaren, uitgevoerd door Hrœrekr, hiertoe geprovoceerd door de valse
beschuldigingen van Lotharius. Eindelijk gaf de vorst toe, de Deen herkreeg de gebieden die hem ten onrechte waren ontnomen en het conflict tussen
de koning en zijn vazal was bijgelegd (26). Ook de tweede reeks van aanvallen was dus, net als die van de jaren dertig, politiek geïnspireerd.
Hrœrekr vestigde zich in Dorestad en kreeg zijn gebieden terug op voorwaarde dat hij deze zou verdedigen tegen piratenaanvallen. Tevens had hij de
plicht de belastingen voor de koning te innen. Hield Hrœrekr in 839 slechts de vicus Dorestad in iure beneficii (in bruikleen),
nu wordt steeds Dorestad zonder verdere aanduiding genoemd als de kern van zijn gebied . Volgens Prudentius schonk Lotharius hem 'Dorestad en
andere graafschappen'. De schriftelijke bronnen weten verder weinig te melden over de Deense heersers. Maar wanneer we de gebieden in de Friese kustlanden vergelijken met die van elders in het Frankische rijk, dan blijken de eerstgenoemde nog het best gedocumenteerd. Zo is de overdracht aan Noormannen van het gebied van de benedenloop van de Seine, waaruit het hertogdom Normandië zou ontstaan, slechts indirect af te leiden uit een later opgestelde oorkonde en de onbetrouwbare en niet contemporaine kroniek van Dudo van Saint-Quentin. Hieruit valt op te maken dat Hrólfr (Rollo) werd belast met de verdediging van het rijk. Volgens Dudo moesten de plaatselijke edelen een eed van trouw afleggen aan de nieuwe heerser. Net als Hrœrekr was Hrólfr een politieke banneling. Hrœrekr zal zijn gevolg niet lang hebben kunnen vasthouden, want het is niet erg waarschijnlijk dat er veel Deense avonturiers lang in het Friese kustgebied bleven. Aanvoerders als Hrœrekr moesten hun mannen het vooruitzicht van roem en prestigegoederen geven. Maar zij brachten hun dagen door in ledigheid en liever sloten zij zich aan bij rondtrekkende sodalitates, zoals Hincmar in 861 de viking bendes noemde (27). Met een wisselende en op den duur slinkende Deense aanhang zal Hrœrekr zijn toevlucht hebben moeten nemen tot een lokale strijdmacht. We mogen aannemen dat er daarom plaatselijk krachten werden gerekruteerd. De revenuen van het emporium Dorestad zullen daarbij een belangrijke rol gespeeld hebben. Met de komst van Hrœrekr kwam er aan de muntslag in Dorestad een einde. Blijkbaar was deze te lucratief voor de koning om uit handen te geven. Hrœrekr trok waarschijnlijk rond tussen verschillende steunpunten in Frisia en liet de administratie in Dorestad aan zijn notaris (waarnemer) over. Hij zal wel een verblijfplaats in Dorestad hebben gehad. Scandinavische heersers hadden echter niet de gewoonte om zich in een vicus op te houden, liever vestigden zij zich in een sal, een grote hal, erbuiten. In de directe omgeving van de Noorse handelsnederzetting Skiringssal is een aan een hoofdman toegeschreven grote hal aangetroffen. De nederzetting heeft er zijn naam aan overgehouden. Waarschijnlijk was het castrum op de splitsing van de Rijn en de Lek in de negende eeuw dusdanig door erosie aangetast dat een plaatselijke heerser hier niet meer kon verblijven. Wellicht moeten we in het grote gebouw, dat op De Geer is aangetroffen, de sal zien die door de Denen is gebruikt, maar die mogelijkheid is niet bevestigd door archeologische vondsten. In het afslaan van piratenaanvallen blijkt Hrœrekr ondanks de roerige tijden - de Frankische kusten werden voortdurend geplunderd - te slagen, want er wordt slechts eenmaal een plundering in West Frisia gemeld. Hoewel Dorestad door de Deense aanwezigheid redelijk gevrijwaard bleef van plunderingen valt het te bezien of de bewoners wel zo blij met de Deense heersers waren. De weinig zachtzinnige inning van de belastingen, waaraan de overlevering nog lang herinnerde (28), en de ongetwijfeld met problemen gepaard gaande inkwartiering van het gevolg van Hrœrekr - een bont gezelschap van bannelingen en outlaws - zal de Denen niet populair gemaakt hebben. Het ligt voor de hand dat het recht op vrijstelling van belastingen, die de kooplieden in het gebied van de Utrechtse kerk genoten, werd genegeerd. Een heervaartplicht, die Koggedienst werd genoemd, waarschijnlijk door Hrœrekr opgelegd, zal zonder twijfel bij hen niet populair geweest zijn. Zeker als ze daarvoor ook nog hun eigen schepen moesten inzetten. De kooplieden vormden een substantieel deel van de bevolking van Dorestad, nog in 863 is er sprake van 'vele Friese handelaren' (29). Het is daarom niet onmogelijk dat zij nog tijdens het bewind van Hrœrekr een eerste aanvang hebben gemaakt met de verplaatsing van hun negotie naar plaatsen zoals Tiel en Deventer, gelegen buiten het Friese gebied van de Deense heersers. Een tendens die zich na het Verdrag van Meerssen in 870 zou voortzetten, zoals hierna nog aan de orde zal komen. En daarmee lijkt de aanwezigheid van de verdedigers van Dorestad paradoxaal genoeg een van de katalysatoren voor de teloorgang van de handelsplaats te worden. Als na de dood van de Deense koning Hárekr de betrekkingen tussen de Franken en de Denen verslechteren, wordt Hrœrekr in 857 in het noorden van Saksen gestationeerd ter versterking van de noordgrens (30). Maar al snel blijkt dat Lotharius zijn vazal harder in Frisia nodig heeft. Want een bende vikingen maakte gebruik van diens afwezigheid om Dorestad te bestormen en naburige gebieden te verwoesten (31). Hrœrekr keerde inderdaad terug naar West-Frisia, maar de aanvallers slaagden erin Dorestad en ook een 'niet geringe' villa, waar de Friezen tevergeefs hun toevlucht hadden gezocht, te overrompelen. Mogelijk wist Hrœrekr de aanvallers te bewegen hun heil buiten zijn gebied te zoeken, want ze voeren nadien de Rijn op naar Keulen. Maar onderweg bij Neuss werden zij door Frankische troepen omsingeld. Hier bemiddelde Hrœrekr tussen de belegeraars en de belegerden en op zijn advies trokken de piraten zich terug zoals zij gekomen waren (32). |
|
De derde fase. De ondergang van Dorestad Na de dood van Lotharius II in 869 probeerde Karel de Kale Lotharingen bij West-Francië in te lijven. Onder Oostfrankische druk mislukte een poging om een vertrouweling van Karel op de vacante bisschopszetel in Utrecht te krijgen. Meer succes had Karel met Hrœrekr met wie hij in Nijmegen een overeenkomst sloot (33). Mogelijk had hij hem al op voorhand de Friese kustlanden beloofd om hem binnen zijn kamp te krijgen. Want door de invloedrijke Deen bleef diens gebied bij het Verdrag van Meerssen intact en werd aan het Westfrankische rijk wordt toegevoegd. Ook al zouden we aannemen dat de rijksgrens door Frisia naar de letter van de tekst van het verdrag van Meerssen grotendeels langs de Maas kwam te liggen, dan nog zal Karel de Kale door de dominantie van Hrœrekr heel West Frisia tot aan het Vlie de facto hebben beheerst. Over Dorestad wordt in de tekst van het verdrag, niet meer gerept. Karel de Kale toonde weinig belangstelling voor de handelsplaats en bevorderde liever een haven als Quentovic, gunstig gelegen tussen het Kanaal en het Westfrankische achterland. Het toch al zieltogende Dorestad werd door de nieuwe verdeling politiek van het achterland afgesneden en daarmee was het lot van dit eens zo belangrijke handelscentrum bezegeld. Mogelijk heeft een grote overstroming kort na 870 ook nog een rol gespeeld (34). De Oostfrankische heersers verplaatsten hun steun en daarmee hun invloed naar de binnen hun rijk gelegen plaatsen Tiel en Deventer. Om de overgang naar Tiel aantrekkelijk te maken, kregen handelslieden aan het einde van de negende eeuw dezelfde privileges die ze eerder in Dorestad hadden genoten (35). De overeenkomst in opbouw tussen Dorestad en Tiel, slechts 10 km van elkaar gelegen, is opmerkelijk. Beide plaatsen hadden een havenstrook langs een oudere zijtak van een rivier. Op het splitsingspunt lag een versterking ten behoeve van de fiscus. Op de oeverwal in de binnenbocht van de oudere zijtak bevonden zich koopmanswoningen of opslagplaatsen parallel aan een verbindingsweg langs de oever, in beide gevallen Hoogstraat geheten. Achter de mercantiele strook bevond zich een ruimer opgezette agrarische sector en daarachter was (en is in Tiel nog steeds) de kerk gelegen (36). Het ziet er dan ook naar uit dat veel handelslieden uit Dorestad naar Tiel zijn verhuisd. Een geestelijke kroniekschrijver uit de vroege elfde eeuw had geen goed woord over voor deze ruwe, onbetrouwbare, goddeloze, overspelige lieden zonder tucht, die zich nog het liefste overgaven aan gezamenlijke drinkgelagen. En in het bijzonder merkte hij de afwijkende gewoonten en instellingen op waarmee de Tielse kooplieden zich onderscheidden. Hij doelde wellicht op Friese handelaren, die oorspronkelijk uit Dorestad afkomstig waren, want ze bestraften volgens hun eigen recht, waarvoor ze goedkeuring van de keizer hebben gekregen (37). De gesignaleerde drinkgelagen op feestdagen en de vrije seksuele moraal doen denken aan Noordse gebruiken zoals we die kennen uit IJslandse sagen en Arabische getuigenissen. Het lijkt daarom niet uitgesloten dat er tevens een Deens element aanwezig was in de hechte Tielse koopliedenpopulatie. In dit verband is de vondst in Tiel van tiende-eeuwse munten met het opschrift IOIIISTATAS, waarin we het verbasterde Dorestatus kunnen herkennen, opmerkelijk (38). Hoewel Tiel ook geplunderd werd kon de plaats dankzij koninklijke steun opbloeien en kwam de raids te boven. De verplaatsing van de handel van Dorestad naar Tiel en Deventer moet voor Hrœrekr een hard gelag geweest zijn en moet hem hebben aangezet om in 873 met Lodewijk de Duitser besprekingen te voeren. Eerder had het door Hrœrekr beheerste gebied zich al tot de Betuwe en Teisterbant (met Tiel) uitgestrekt, maar hij moet deze gebieden door de Verdeling van Meerssen zijn kwijtgeraakt. Hij ontmoette de vorst in een sfeer van wantrouwen. Desondanks accepteerde Lodewijk de Deen als zijn vazal, waarschijnlijk in Fries gebied ten oosten van het Vlie (39). Sindsdien vernemen we niets meer van hem, zijn rol was - net als van Dorestad - uitgespeeld. De machtsbasis van Guðröðr, die in 882 werd aangesteld als bestuurder over Frisia, lag in het Kennemerland. Over Dorestad werd niet meer gerept. Nadat in de tiende eeuw de Oostfrankische keizer geheel Lotharingen in zijn greep had gekregen, lang nadat de rol van de Deense heersers in de Lage Landen was uitgespeeld, werd de Utrechtse kerk hersteld in haar macht. De bisschop liet Utrecht opbloeien, maar liet de handelsplaats van de 'gierige koopman' links liggen. De handelsfunctie behoorde tot het verleden en de bestuurlijke functie werd naar Utrecht verplaatst. De 'Benedenstad' werd in de tiende eeuw Wik of vicus genoemd. Wik werd Wijk (bij Duurstede). De eens zo fameuze mercantiele vicus was veranderd in het agrarische Wik met terra cum mancipiis (land met horige boeren). |
Reconstructie van een Boerderij in het park 'De Schothorst' in Amersfoort, aan de hand van een op 'De Heul' gevonden huisplattegrond. |
| |
(1) Fredegarii continuationes, Krusch, 1888, 172. (2) Van Es & Verwers, 1980, 22 e.v. (3) OSU no. 48; OSU no. 49; er is een toponiem 'De Woerd' ten oosten van Rijswijk. Voor OSU, zie: Muller en Bouman, 1920. (4) Van Es, 1969, 193 e.v. (5) Hoewel het gebouw midden in een grafveld stond en er resten van wat als een klokkenstoel zou kunnen worden opgevat werden aangetroffen, is het geenszins zeker dat we met een kerk te maken hebben (vriendelijke mededeling prof.dr W.A. van Es). (6) VA, c. 19, zie: Robinson, 1921. (7) Alcuini poeti, Dümmler, 1881, 220 ; Alcuin heeft eveneens de handelsplaats Quentovic met een meervoudsvorm aangeduid: vici, vicos (Dümmler, 1881, 66). (8) oorkonde van Karel de Grote uit 777 (OSU no. 48). (9) zie voor de periodisering van de havenconstructies Van Es & Verwers, 1980, 300 e.v. (10) Sarfatij, 1999, 267. (11) Dekker, 1983, 283. (12) OSU no. 48. (13) Rijswijk behoorde tot de parochie Dorestad. (14) Dekker, 1983, 100. (15) Scholz, 1972, 167 (16) AB 834, 24. (17) Coupland, 2002, 226 ; mogelijk hebben we met Friese imitaties te maken (Henstra, 2000, 63-64). (18) Ordinatio imperii, Pertz, 1835, 270-273. (19) Astronomus (Tremp, 1995, 504). (20) AF850, 38. (21) AB 841, 54. (22) AF 850, 38. (23) AX 846, 348. (24) AB 847, 70; AF 847, 34; AX 847, 348. (25) AX 845, 346. (26) AB 850, 76; AF 850, 38; AX 850, 350. (27) AB 861, 106. (28) Gosses, 1946, 148. (29) AB 863, 116. (30) AB 857, 94. (31) AB 859, 100. (32) AB 863, 116; AX 864, 354. (33) AB 870, 206. (34) Hessing, 1994, 227. (35) OSU no. 88. (36) Sarfatij, 1999, 268 (37) Van Rij, 1980, 80. (38) Sarfatij, 1999, 273-274. (39) AF 873, 90 |
| |
Coupland, S., 'Trading places: Quentovic and Dorestad reassessed', Early Medieval Europe, 11 (2002) 209-232. Dekker, C., Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen (Zutphen 1983). Dümmler, E. (ed.), Monumenta Germaniae historica, Poetae Latini aevi Carolini I (Hannover 1881). Gosses, I.H., 'Deensche heerschappijen in Friesland gedurende den Noormannentijd', in: Gosses, F. & Niermeyer, J.F. (eds.) Verspreide Geschriften (Groningen/Batavia 1946), 130-151. Henstra, D.J., The Evolution of the Money Standard in medieval Frisia (Groningen 2000). Hessing, W.A.M., 'Wijk bij Duurstede-De Horden', in: W.A. van Es & W.A.M. Hessing (eds.), Romeinen, Friezen en Franken in het hart van Nederland (Utrecht/Amersfoort 1994), 226-230. Krusch, B. (ed.), 'Chronicarum quae dicuntur Fredegarii Scholastici libri IV, Continuationibus', in: Monumenta Germaniae historica, Scriptores rerum Merovingicarum II, (Hannover 1888), 168-193. Muller Fz., S. & Bouman, A.C. (eds.), Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 I (Utrecht 1920) Pertz, G.H. (ed.), Capitularia regum Francorum, Monumenta Germaniae historica, Leges (Hannover 1835). Rau, R. (ed.), 'Annales Bertiniani', Quellen zur karolingischen Reichsgeschichte II (Darmstadt 1958), 11-287 Rau, R. (ed.), 'Annales Xantenses', Quellen zur karolingischen Reichsgeschichte II (Darmstadt 1958), 339-371 Rau, R. (ed.), 'Annales Fuldenses', Quellen zur karolingischen Reichsgeschichte III (Darmstadt 1960), 19-177 Robinson, C.H., Anskar, The Apostle of the North, 801-865, translated from the Vita Anskarii by Bishop Rimbert his fellow missionary and successor (Londen 1921). Sarfatij, H., 'Tiel in Succession to Dorestad', in: H. Sarfatij, W.J.H. Verwers & P.J. Woltering (eds.), In Discussion with the Past, Archaeological studies presented to W.A. van Es (Amersfoort 1999), 267-278. Scholz, B.W., (ed.), Carolingian Chronicles: Royal Frankish Annals and Nithard's Histories (Michigan 1972). Tremp, E. Thegan - Die Taten Kaiser Ludwigs; Astronomer - Das Leben Kaiser Ludwigs (Hannover 1995). Van Es, W.A., 'Excavations at Dorestad; a Pre-preliminary Report: 1967-1968', Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, 19, 1969 ('s-Gravenhage 1970), 183-207. Van Es, W.A. & Verwers, W.J.H., Excavations at Dorestad 1, The Harbour: Hoogstraat I (Amersfoort 1980). Van Rij, H. (ed.), Alpertus van Metz, Gebeurtenissen van deze tijd & Een fragment over bisschop Diederik I van Metz (Amsterdam 1980). |
![]() |
Wijk bij Duurstede |
|
|