"Nee, dat is die andere"
Als je de namen op de ratinglijst onder elkaar ziet
staan zou je denken dat ze makkelijk uit elkaar te houden zouden
moeten zijn: De bovenste is meester in de rechten en heeft een dikke
100 elopunten meer, de onderste is titelloos en heeft 100 punten
minder. Toch overkomt het mij steeds vaker dat ik aangezien word voor
die naamgenoot die ook schaakt. Men feliciteert mij met het verslaan
van een duitse meester van bijna 2500, van wie ik de naam voor het
eerst hoor. Of met het behalen van een tweede plaats op een
weekeinde-toernooi, waar ik nooit ben geweest. Niet altijd haast ik
mij in zo'n geval te zeggen dat er nog ergens een Henk van Putten
rondloopt en dat die het moet zijn; dat is veel te vermoeiend.
Op
de brief die ik naar uitgeverij Duurstede stuurde om toestemming te
vragen een hoofdstuk over te nemen uit een recentelijk bij hen
verschenen boek (zie elders in deze EP) ontving ik hieronder
afgedrukt antwoord.
Het begon allemaal zo'n tien jaar geleden.
Volgens mijn tante stond ik in de krant. Zij liet mij de
schaakrubriek van het Puttener Nieuwsblad (ook nog eens; veel familie
van mij woont toevalligerwijs in Putten) zien. Een schreeuwende kop:
Henk van Putten wint Open kampioenschap van Amersfoort. Ik was tien
en al twee keer jeugdkampioen van Elburg geworden. Ook deed ik heel
af en toe mee aan een toernooi, maar hier werd beslist iemand anders
bedoeld wist ik. Toch blijf ik erbij dat het een veel te grote
teleurstelling voor mijn tante geweest zou zijn wanneer ik dit toen
tegen haar gezegd had.
Het eerste toernooi waaraan wij allebei
deelnamen was het Kagawa/sv De Ooievaar-weekeindetoernooi zo'n
tweeënhalfjaar geleden in Den Haag. Het gebeurde dat ene E.
Brandenburg in de derde ronde tegen andere Henk van Putten werd
ingedeeld en de ronde erna tegen mij moest spelen. Beide partijen
gingen voor hem verloren. Hij kon er zelf ook wel om lachen. De
volgende ochtend zou ik mijn naamgenoot voor het eerst in levende
lijve ontmoeten. Het eerste wat ik van hem zag was zijn jas. Die hing
aan mijn stoel. Ook liep de klok van mijn tegenstander, maar dat was
mogelijk, want ik had zwart en het was vroeg en de ronde nog maar net
begonnen. Ik legde mijn boekje neer en ging kijken of ik het
bordnummer wel goed had gezien. Toen ik terugkwam zag ik nog net hoe
Henk zijn jas weghaalde en een paar borden verderop plaatsnam. Beiden
hadden we op dat moment 3 uit 4, als ik ook gewonnen had was de kans
reëel geweest dat we de laatste ronde tegen elkaar hadden gemoeten.
Helaas, ik verloor.
De tweede keer dat ik hem tegenkwam was vorig
jaar toen wij met Groningen 2 in Bussum tegen BSG moesten spelen. Op
dat moment, toevalliger kan het haast niet, kwam BSG II, toen ook
eerste-klasse-team, net uit tegen LSG, de vereniging van andere Henk.
Toen ik van De Ruiter had gewonnen merkte hij tegen mijn tegenstander
op: "Dus ik ben niet de enige Henk van Putten met wie je moeite hebt,
Tom". Jammergenoeg zitten wij dit jaar weer niet in dezelfde eerste
klasse als LSG.
Doordat Erik in de laatste ronde voor de zoveelste
keer won van Henk van Putten (zo is het wel genoeg Erik) slaagde ik
er onlangs op het DD-weekeindetoernooi voor het eerst in boven mijn
naamgenoot te eindigen. Mocht onze naam in Schakend Nederland komen
te staan (ik was gedeeld tweede) dan zal hij een keer felicitaties
moeten afslaan: "Nee, dat is die andere".