GEDICHTEN
a. Jacques Perk (1859 - 1881)
DORPSVESPER
Heen
is de dag - de nacht nog niet geboren,
En
langs de bergen wademt avond-dauw –
De
vogel laat een laatst geneurie horen,
In
roerloze aandacht luistert de landouw:
De
zwerver daaIt in ziels-gepeins verloren,
In
't dal, en naar 't gehucht van wit en grauw;
Daar
klinken vrome tonen uit de toren, -
De
star der liefde flonkert zilver-blauw:
Het
kerkje bracht wie danken wilden samen,
En
wierook en gezang golft uit de poort,
En
op het dank-gebed zegt alles: 'amen'
De
zwerver schrijdt, in zoet gepeins, weer voort:
Waar
zoveel eens-gezinden samen kwamen,
Daar
sterft de haat, en wordt geen klacht gehoord.
b.
Henri Bruning (1900 - 1983)
NOCTURNE
als wij geheel los zijn
en ledig
komt God dan
komt God dan
wanneer zijn wij los
wanneer ledig -
en komt hij
wist ik maar zeker
dat Hij zou spreken
als ik geheel los ben
wist ik maar zeker
dat Hij spreekt in het spreken
toch ben ik altijd weer
voor Hem bezweken
c.
Guido Gezelle (1830 - 1899)
DEN
OUDEN BREVIER
Als
zorgen mijn herte verslinden,
als moeheid van 's werelds getier;
dan zoeke ik weêrom den beminden,
dan grijpe ik den ouden brevier.
o Schat ongevalschter gebeden,
brevier, daar, in 't korte geboekt,
Gods woord, en Gods wonderlijkheden,
nooit een ongevonden en zoekt!
o 't Werk van gezetelde Pausen,
wat zegge ik, Gods eigen beworp;
o sterkte, en, als 't lijden doet flauw zijn,
onsterflijk lavend geslorp!
o Weldaad wellustiger koelheid,
o schaduwomschietende troost,
als 't vier, en de onmachtige zwoelheid,
gestookt door den vijand, mij roost...
Dan zuchte... dan zitte ik alleene;
dan biede ik den booze: "Van hier!"
dan buige en dan bidde ik, en weene...
dan grijpe ik den ouden brevier!