Het getijdengebed in de kerken van de Reformatie
in Nederland.
Uit:
SOW-kerken: Dienstboek, een proeve. Schrift, maaltijd, gebed. Zoetermeer
1998.p.1164.vv
Markante momenten in de geschiedenis van de getijden
d. In de late Middeleeuwen: Verdere ontwikkelingen tot aan de Reformatie
1. Het brevier
Om alle getijden te kunnen volbrengen is een veelheid van boeken nodig.
waarin antifonen, responsies, hymnen, gebeden enzovoort zijn opgenomen.
Kloosters en kathedralen hadden die boeken. Daar bestond de mogelijkheid het
held 'pensum' (de hele gebedstaak) te vervullen en had men 'professionaliteit'
om er de vereiste muzikale gestalte aan te geven. Buiten de muren van het
klooster was dat onmogelijk. Voor de enkele priester was er dus behoefte aan een
verkorte uitgave van het getijdengebed in één band: het brevier (van het
Latijnse breviarium, kort overzicht, uittreksel). Want ook de priester
die buiten het klooster leefde, werd geacht de getijden te bidden. Theoretisch
blijft de oude structuur van de getijden in stand, maar praktisch wordt zij
overwoekerd door een overmaat aan heiligendagen, waarbij de schriftlezing zing
wel (eens) vervangen wordt door de heiligenlegenden.
De gemeenteleden zijn buiten spel komen te staan; het getijdengebed is een
zaak van de orden en van de geestelijken geworden. Het volk beperkt zich tot de
Apostolische Geloofsbelijdenis, het Onze Vader en het Ave Maria en tot het
bidden van de rozenkrans.
2. De Moderne Devotie
Aan het einde van de Middeleeuwen, in de dertiende en veertiende eeuw,
ontstaan her en der bewegingen die zich onttrekken aan de druk van de sociale en
kerkelijke hiërarchie.
Als voorbeelden noemen we de Begijnen, een krachtige vrouwenbeweging. en de
Broeders van het Gemene Leven onder leiding van Geert Groote. Tegelijkertijd
treden invloedrijke mystici op als Catharina van Siëna, Julia van Norwich en
Eckhart. De nadruk bij deze bewegingen en vromen ligt op de persoonlijke
vroomheid. Veel mensen blijken gevoelig voor deze tendensen.
Geert Groote en zijn 'broeders des gemenen levens' (waar ook zusters
bijhoren) vormen, hoewel in aantal gering, een invloedrijke beweging in de tijd
van de opkomende steden en handel. De broeders en zusters vormden religieuze
gemeenschappen zonder zich aan een regel te binden. Zij waren dus niet aan de
geestelijkheid gebonden, maar beoogden een integratie van clerus en leken.
Sterke nadruk viel op innerlijke persoonlijke vroomheid, die een protest was
tegen de grote uiterlijke vroomheid van die tijd. Het bidden van de getijden nam
bij de Broeders een voorname plaats in. Het getijdenboek van Geert Groote moet
één van de meest gelezen Middelnederlandse boeken zijn geweest.
e. De Reformatie
De Reformatie is daarom niet zozeer een breukvlak als wel een voortzetten en
doorzetten van bepaalde reeds bestaande tradities. Ook daar neemt het
onophoudelijk bidden een centrale plaats in. Dit gebed kan voor de reformatoren
evenwel geen zaak voor een bepaalde kerkelijke stand zijn. Men bidt als leden
van Gods volk en van één lichaam, en dus participeert iedereen in dat gebed.
Ten aanzien van de vormgeving van het gebed is de Reformatie niet eenduidig,
maar zij is eensgezind in haar kritiek op de wijze waarop het getijdengebed zich
in de Rooms-Katholieke kerk heeft ontwikkeld. Luther wil bijvoorbeeld de
getijden behouden voor de gemeente, maar gezuiverd en aangepast. Het aantal
diensten wordt gereduceerd, de vaste orde vervalt, de voertaal wordt Duits. Een
nieuw brevier komt er niet en in de praktijk bloedt het getijdengebed langzaam
dood.
De Anglicaanse kerk houdt Morning Prayer en Evening Prayer tot
op de dag van vandaag in stand.
In ons land blijven de getijdengebeden ondanks synodebesluiten die het
tegendeel willen. met name in de steden nog lang na de Reformatie gehandhaafd.
Ontmoedigingsbeleid van de synode van Dordrecht (1618/1619) leidt ertoe dat
bijvoorbeeld in 1627 in Amsterdam het laatste avondgebed temidden van de andere
diensten sneuvelt, hoewel de avondgebeden populair waren bij het volk en goed
bezocht werden. Als reden wordt genoemd dat zij afbreuk deden aan de gewone
woorddienst, aan de huisgebeden die de vader in zijn gezin behoorde te doen en
aan de vastendagen.
De Reformatie is eensgezind in haar verzet tegen een aantal elementen.
Ten eerste oordeelt men dat de vorm van de getijden een veruiterlijking van
de godsdienst in de hand werkt en ten koste van de inhoud gaat. Het volbrengen
van een gebedspensum wekt de gedachte aan zelfrechtvaardiging. Ten tweede is men
van menig dat de getijden worden overwoekerd door onbijbelse elementen, zoals de
heiligenverering. Ten derde is het getijdengebed door een zwaar en
onbegrijpelijk pensum slechts haalbaar voor de enkelen, waardoor bidden een
eindeloos gemummel wordt en de kloof tussen clerus en volk steeds groeit
Deze elementen tastten de kern van het geloof aan, namelijk de onverdiende
genade en de overtuiging dat Woord en sacrament de enige middelen tot heil zijn.
De wijze waarop de ontaarding bestreden wordt, wisselt naar omstandigheden, de
invloed van bepaalde reformatoren en de volksaard. De geschiedenis van het
getijdengebed tijdens de Reformatie is daarom niet eenduidig. Enkele globale ken
merken zijn wel te noemen: nadruk valt op de inhoud (het leren) en op de zorg
voor werkelijke beleving van het gebed, reiniging van toegevoegde elementen en
ten slotte aanpassing aan het bevattingsvermogen van de gelovigen. In de
praktijk betekent dit dat gebeden op al te vaste uren worden ontmoedigd en dat
de aandacht wordt verschoven van openbare gebeden naar persoonlijke. Met het oog
op de inhoud schuiven uitleg en verkondiging in de gebedsdiensten de nog
resteren, op de voorgrond. Ten behoeve van de 'echtheid' geeft men later de
voorkeur aan het vrije gebed boven het formuliergebed. Alleen het vrije gebed
is, naar men veronderstelde, door de heilige Geest geïnspireerd. De aanpassing
aan de omstandigheden en het bevattingsvermogen van gelovigen geeft de
voorgangers grotere vrijheid ten aanzien van tekst- en liedkeuze. De
samenhangende orde in de diensten zelf en tussen de diensten onderling verdwijnt
daardoor en de getijden worden nevendiensten met een onduidelijk liturgisch
karakter. Daarmee is de teloorgang van het getijdengebed met een voorgegeven
vorm een feit. De Reformatie ontmoedigt zodoende het getijdengebed en vervangt
het door persoonlijk gebed en bijbellezing in huiselijke kring. De
huisvroomheid, met het gezin als dragende factor, wordt de belangrijkste
traditie naast de openbare eredienst. Daarbij zij wel aangetekend dat de
openbare eredienst van Woord en gebed in met name de calvinistische kerken
verwantschap vertoont met bepaalde vormen van getijdengebeden (de Morning
Prayer in de Engelse kerk; de genoemde dienst van Hippolytus).
f. De Nadere Reformatie
In de Nadere Reformatie verschijnen tal van boeken en traktaten die de
huisvroomheid stimuleren en ondersteunen. Het gezin wordt beschouwd als kleine
huisgemeente met eigen gebedsuren. Nederlandse predikanten stellen de Engelse
puriteinen aan hun gemeenten ten voorbeeld. De Middelburgse predikant Willem
Teelinck (1579-1629) raakte in Engeland diep onder de indruk van de family
worship (de familiegodsdienst) bij de puriteinen die zich in de gevestigde
kerk niet erg thuis voelden. Teelinck schreef op grond van deze ervaringen zijn Huysboeck dat in veel gezinnen een plaats kreeg.
Bijbellezing, bijbelstudie en catechese zijn belangrijke elementen in de
huisdevotie. Duidelijke orden, zoals bij de getijden, treffen we nauwelijks meer
aan, maar de drieslag bijbellezing, gebed en het zingen van enkele psalmverzen
of een geestelijk lied geeft een zekere structuur. Onder verwijzing naar Psalm
55,18 en 141,2 en naar Daniël 6,11 komt men - alweer - tot een morgen-, middag-
en avondgebed. Teelinck en anderen bepleiten ook meditatie. methodisch beoefende
vroomheid, waarbij zij teruggrijpen op schrijvers uit de kring van de Moderne
Devotie. A. Brakel (1635-1711) realiseert zich dat soms wel veel wordt gevraagd
van de gezinnen, en dat niet ieder gezin dezelfde mogelijkheid heeft. Hij
adviseert om, als er eens weinig tijd is, dan maar wat korter te bidden. Voor
het Onze Vader is altijd wel gelegenheid, zegt hij, en 'daar is alles in vervat,
als 't maar wel verstaan, ende van harte tot God gebeden is'.
Al met al is het goed ons te realiseren dat de huisdiensten geen
onmiddellijke voortzetting van de getijdendiensten zijn.
g. Verdere ontwikkelingen
In de Rooms-katholieke kerk is het getijdengebed een gebed van de orden en
van de geestelijkheid geworden. In de calvinistische traditie vervangt de
huisvroomheid het getijdengebied en in de lutherse traditie is het niet anders.
Rond 1800 heffen de laatste stadskerken in Duitsland de getijdendiensten uit
praktische overwegingen op: er is te weinig belangstelling voor en de kosten
zijn te hoog. In Engeland hebben deze praktische argumenten nooit overheerst. Morning
Prayer en Evening Prayer hebben zich in de Anglicaanse kerk altijd
weten te handhaven.
Pas in het midden van de negentiende eeuw treedt in de
Rooms-Katholieke kerk een kentering op. De Liturgische Beweging heeft ook
aandacht voor de getij den, waarin vroeg de volkstaal doordrong. Het Tweede
Vaticaans Concilie wilde het getijdengebed weer teruggeven aan de gehele
geloofsgemeenschap. Een nieuw Getijdenboek verscheen (Nederlandse
vertaling 1990). De getijden zijn primair weer e opdracht van de plaatselijke
gemeente. De Intermonasteriële werkgroep voor Liturgie verrichtte uniek
vernieuwingswerk voor Nederlandstalige kloosters en abdijen.
Ook in reformatorische kringen groeit het besef dat er tijd,
plaats en orde moet zijn om, in gemeenschap, ook de weekdagen te heiligen. De
getijden blijken dan de geschikte vorm voor het dagelijkse gebed, gezang en
schriftwoord. Het niet-ambtelijk karakter van de getijden speelt een belangrijke
rol. Bovendien ontstaat er aandacht voor retraite, waarbij zeker de in 1949
gestichte communauteit van Taizé moet worden genoemd, die een belangrijke
impuls heeft gegeven aan de nieuwe aandacht voor het getijdengebed. Voor
broeders van Taizé is het innige verband tussen liturgische spiritualiteit en
maatschappelijke betrokkenheid wezenlijk
6. De orden voor het bidden van de getijden
Het is van meet af onze bedoeling geweest een 'gebruiksboek' aan te bieden
voor het bidden van de getijden. Daarom hebben wij de huidige kerkelijke
praktijk, de vragen die her en der in het land gesteld worden en de gegroeide
traditie van het gebed zoals wij die hierboven in hoofdlijn schetsten, alle
laten meewegen bij het samenstellen van een Proeve die vorm zou kunnen
geven aan de bijbelse opdracht 'zonder ophouden te bidden'. Wij zien in de
geschiedenis enerzijds hoe het getijdengebed kan uitgroeien tot een vorm die de
eenvoud en oprechtheid van het gebed teniet doet, anderzijds dat afschaffing van
de vorm ten slotte tot het einde van een geregeld gebedsleven leidt. Wij bieden
daarom een eenvoudige vorm aan.
We zijn ervan overtuigd dat wij daarmee handelen in de geest van mensen als
Augustinus, Luther en Calvijn.
Wat heeft, zo vraagt Augustinus zich af, 'het woord van de apostel:
"Bidt zonder ophouden" anders te betekenen dan: "Verwacht met
verlangen zonder ophouden het gelukzalige leven", dat geen ander is dan het
eeuwige leven, van Hem die als enige het kan geven? Laten we dit dus altijd met
verlangen verwachten van onze God en Heer: dat is altijd bidden. Maar op andere
uren roepen wij onze geest weg van de andere zorgen en bezigheden waardoor dit
verlangen in zekere zin lauw wordt, terug naar inkeer, naar de bezigheid van het
gebed, en sporen wij ons door het mondgebed aan ons te richten op het object van
ons verlangen. (7)
En in dezelfde geest zegt Calvijn: 'Aangezien onze zwakheid zo groot is, dat
ze door vele hulpmiddelen ondersteund, en onze slapheid zodanig. dat ze door
sporen moet worden aangezet, (is het toch) passend dat ieder onzer voor zich tot
oefening bijzondere uren vaststelt, die niet zonder bidden voorbij gaan
Geregelde dagelijkse samenkomsten van de gemeente zijn slechts bij
uitzondering denkbaar. Waar in veel kerken en gemeenten getijden worden gevierd,
gebeurt dat doorgaans incidenteel, of met een tussenpoos van dagen, een week of
zelfs weken. De liturgische vorm van het getijdengebed wordt gebruikt, maar er
is geen sprake van dat deze gebedsdiensten onderdeel zijn van een onophoudelijke
reeks gebeden die onze dagen en uren heiligen. Dat bevredigt niet. In deze Proeve verbinden wij daarom het openbare en het persoonlijke gebed, doordat orden
voor morgen-, middag- en avondgebed ieder in twee vormen met eenzelfde structuur
worden aangeboden: deze kunnen worden gebruikt als openbare eredienst, in
kleinere kring en voor persoonlijk gebruik. Het dienstboek biedt zo een
continuïteit voor het gebed in onze kerken.
Zoals in paragraaf 3 van deze notitie is uiteengezet biedt deze Proeve vier
meer uitgebreide orden voor gebeden op bepaalde momenten van de dag aan, en
vervolgens worden deze herhaald in een individuele variant. De eerste meer
uitgebreide serie, is getoonzet. In de orde voor persoonlijk gebruik ontbreekt
een muzieknotatie en zijn ook in de teksten wijzigingen aangebracht; responsies
en antifonen verliezen immers hun betekenis wanneer maar een enkele stem
aanwezig is. Zoals gezegd, is de structuur wel gehandhaafd. De tweede serie is
dus gedacht als gesproken of zelfs in stilte gebeden liturgie.
Vanzelfsprekend zijn deze vormen niet bedoeld als keurslijven. Onze
suggesties bedoelen op geen enkele dwingende voorschriften te zijn. Dat geldt
ook voor de hier aangeboden toonzetting die er slechts één is onder, hopelijk
straks, zeer vele.
Voor de keuze van het aantal gebedsmomenten per dag is aansluiting gezocht
bij de traditie van de vroege kerk, die door bijvoorbeeld de Anglicaanse kerk
werd overgenomen en in ons land in verschillende liturgische geschriften te
vinden is. Wij noemen het Dienstboek voor de Nederlandse Hervormde Kerk (in
ontwerp): de Orden van dienst voor de Gereformeerde Kerken in Nederland; de Katern bij het Lied voor de Kerken ten gebruike in de eredienst (in de
Lutherse kerk) en het Dienstboek van de Evangelisch-Lutherse kerk in het
Koninkrijk der Nederlanden; de Liturgische Handreiking en Onze
Hulp. In de lijn van deze traditie staan morgen- en avond-gebed. Daarnaast
is er een orde voor een middaggebed. Voor deze drie gebeden is een rooster voor
de psalmen opgenomen. waarin het Psalter in zeven weken wordt gebeden.
Deze drie getijden corresponderen met het natuurlijke ritme van dag en nacht.
Morgen- en avondgebed word gebeden bij het rijzen en dalen van de dag, het
middaggebed als de zon gerezen is. De zon geldt in de christelijke traditie
vanouds als symbool van Christus. Met deze uren zijn vele psalmen vast
verbonden. Ook corresponderen deze met het levensritme van de mens: opstaan en
slapen gaan, ontbijt, middageten en avondmaaltijd.
Daarnaast is een orde voor de 'completen', de dagsluiting opgenomen. Daarin
is verwoord hoe weerloos de mens is prijsgegeven aan de machten van de nacht en
hoe de Allerhoogste zijn schaduw biedt om in te overnachten (Ps. 4 en 91 en 1
Petr. 5,8.9 hebben in de loop der eeuwen hun plaats gekregen in dit gebedsuur).
Voor persoonlijk gebruik namen wij - zoals gezegd -, ook een nachtgebed op.
De reeks orden wordt besloten met een gebed ter opening en sluiting van een
bijeenkomst.
7. De rubrieken in de orden
Wij kozen een orde voor het getijdengebed die nauw aansluit bij nagenoeg de
gehele westerse traditie. Die orde is eenvoudig en contemplatief. Alleen al
daarom is de getijdendienst niet bedoeld voor grote groepen. Wezenlijk is het
bidden van de psalmen. Zij geven als het ware de richting aan en zetten de toon
voor de andere gebeden die gezegd of gezongen worden.
De structuur voor de orden is als volgt:
stilte
openingstekst met lofprijzing
[schuldbelijdenis - alleen in de completen] hymne/lied
psalmgebed
korte inleiding op de lezing
schriftlezing
moment van inkeer en verstilling canticum (Bijbelse lofzang)
gebeden
(de gecursiveerde rubrieken zijn als facultatief bedoeld)
a. De opening: psalmvers, 'Gloria Patri' en halleluja
De openingsverzen zijn van oudsher uit de psalmen genomen. Psalm 51,17:
'Heer, open mijn lippen / en mijn mond
verkondigt uw lof. En Psalm 70,2: 'Haast U, o Heer, tot hulp / en wees tot
mijn redding gereed'.
Zoals verderop in het getijdengebed de psalmen telkens worden besloten met
het zogenaamde Gloria Patri ('Eer aan de Vader...') wordt ook het ene
psalmvers dat de gebedsdienst opent met een Gloria Patri - dikwijls 'klein-gloria'
genoemd - afgesloten.
Wij danken het aan Christus dat wij de psalmen kunnen meezeggen met Israël.
Wie het trinitarische Gloria Patri na een psalm (of na een
oudtestamentisch canticum, zie onder) aanheft, geeft daarmee aan die psalm in de
eerste plaats met het oog op Christus en als gebed van Hem te zeggen. Daarbij
gaat men er dus van uit dat alle nood en vreugde van deze wereld door het leven,
lijden, sterven en opstaan van Christus zijn omvat en begrepen.
De vraag is wel gesteld of het aanheffen van het Gloria Patri na de
psalmen een ongeoorloofde toe-eigening is van de liederen van Israël.
De reden waarom het Gloria Patri de psalmen is gaan afsluiten, is
vermoedelijk tweeledig. Ten eerste kon de gemeente dit telkens terugkerende vers
meezingen met de voorganger of het koor. Cassianus betuigt ons dat dit omstreeks
420 in Gallië ook gebeurde. Ten tweede werd de formulering waarin Vader, Zoon
en heilige Geest van eeuwigheid tot eeuwigheid nevengeschikt en dus even
belangrijk
zijn, uitgesproken tégen de Arianen, die de Christus loochenden. Er zijn
evenwel ook formuleringen van vóór-Ariaanse lofprijzingen als besluit van de
psalmen. Deze formuleringen benadrukken minder Gods verheven majesteit en leggen
het accent erop dat Christus Eén van ons is: Ere zij de Vader door Christus in
de heilige Geest' of '...onze Jezus Christus, door wie en met wie U de eer zij,
met de heilige Geest'. Een derde formulering, waaraan de ons welbekende vorm van
het Gloria Patri ontleend is, 'Want Gij zijt een goede en barmhartige
God, en aan U gen wij eer, aan de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en
altijd en in alle eeuwigheid'. Cassianus en Benedictus stellen het Gloria
Patri aan het einde van de psalmen verplicht.
Het luistert nauw in zaken die de verhouding tussen de beide testamenten en
dus tussen Israël en de kerk tot houd hebben. De gedachte dat de kerk op de
plaats van Israël komt, verwerpen wij ten stelligste. Ook weten we maar al te goed dat het Arianisme niet is overwonnen. In deze Proeve wordt
het Gloria Patri ter afsluiting van psalmen en oudtestamentische cantica
voor een goede mogelijkheid gehouden, maar niet voor noodzakelijk. Verschillende
alternatieve lofprijzingen worden aangeboden. Een ieder beslisse naar eigen
inzicht en naargelang de omstandigheden vereisen. Wel moet worden opgemerkt dat
een strofisch gezongen psalm om muzikale redenen geen Gloria Patri verdraagt.
Men zinge het alleen na een onberijmd gezongen psalm en tezamen met de antifoon.
In de vertaling van het Gloria Patri lijkt het woord eeuwigheid' voor
moderne oren moeilijk te verstaan. Het is niet onwaarschijnlijk dat dogmatische
speculaties over de oneindigheid, eeuwigheid en alomtegenwoordigheid van God
daar oorzaak van zijn. De bijbel bedoelt het woord eeuwigheid in formules zoals
aan het slot van het Gloria Patri niet in die filosofische zin, maar wil
er de Heer mee prijzen 'die is en die was en die komt'. De formulering 'in de
eeuwen der eeuwen' moet dus lofprijzend en niet dogmatisch worden verstaan.
Het psalter is in de bijbel ingedeeld in vijf boeken (Ps. 2-41; 42-72; 73-89;
90-106; 107-150). Telkens aan het einde van een boek is een doxologie opgenomen
(41,14; 72,19; 89,53; 106,48; 150). Hoewel er geen historisch verband lijkt te
bestaan tussen deze doxologieën en de trinitarische lofprijzingen bij de
psalmen, bieden zij wellicht ook een mogelijkheid om de psalmen mee te
besluiten.
Behalve in de Veertigdagentijd, kan het Gloria Patri na de
openingsverzen steeds worden gevolgd door een 'Halleluja'.
b.
De hymnen
Paulus spreekt van 'psalmen, lofzangen en geestelijke liederen' (Kol. 3,16).
Met de lofzangen zijn vermoedelijk nieuwe liederen bedoeld, zoals we die bij
Paulus zelf (Fi1. 2,5-11) en in de Openbaring van Johannes vinden. Al in de
nieuwtestamentische tijd worden dus christelijke gezangen geschreven. Ambrosius
(339-397), bisschop van Milaan, neemt de praktijk van de oosterse Griekse kerk
over voor de westerse Latijnse kerk, en geldt daar als de eerste hymendichter.
In het Liedboek voor de Kerken zijn drie hymnen van hem of aan hem
toegeschreven, opgenomen (Gez. 253, 370 en 382).
De hymnen zijn vooral in de kloosters gedicht en gezongen
door de monniken tijdens de getijdendiensten. Blijkens hun hymnen waren zij
steeds gefascineerd door de wisseling van dag en nacht en door de opeenvolging
van seizoenen, kortom door het natuurlijke ritme. Van der Meer schrijft: 'Zij waren
veel onmiddellijker in den gang van de kosmos betrokken dan wij' die met ons
kunstlicht den nacht veranderen in een kunstmatigen dag. Geheel hun leven werd
beheerst en geregeld door de opeenvolging van lichten dag en schrikwekkend
duisteren nacht; door het krimpen en lengen der dagen; door de zevendagencyclus
van de week, die . onophoudelijk herinnerde aan het Zesdagenwerk en de Rust
Gods, zoals die zijn beschreven in Genesis'.9 De natuurlijke
symboliek wordt in de hymnen in verband gebracht met geestelijke leven.
Datzelfde zien wij in de morgen- en avond-liederen van het Liedboek voor de
Kerken (de gezangen t/m 395). Uiteindelijk zijn er in de christelijke
traditie hymnen voor dag en nacht, morgen en avond, voor de verschillende dagen
van de week, voor de kerkelijke feestdagen en tenslotte voor de heiligendagen.
De keuze van een hymne in de orden voor de dagelijkse
gebedsdiensten, die wij hierbij aanbieden, zal in de regel bepaald worden door
het uur van de dag, door de tijd van het jaar of door de gebeurtenis waarmee de
gebedsdienst verbonden is. Vaste voorschriften zijn er in dezen niet.
c. De psalmen
De psalmen vormen het hart van de getijden. Voor mens van onze tijd is het
allerminst vanzelfsprekend ze te bidden. Wij kunnen die psalmen immers dikwijls
nauwelijks meevoelen of zelfs meedenken. De psalmist zegt inderdaad dingen, die
welbeschouwd niet gezegd kunnen worden, bijvoorbeeld in de zogenaamde wraak- of
vloekpsalmen. Zoals gezegd heeft Jezus de psalmen voor zijn rekening willen
nemen, als wij ze vervolgens in de mond nemen is het met het oog op Hem en als
gebed van Hem. De nood van de wereld is Hem omvat en begrepen. Zo identificeren
we ons biddenderwijze met die mensen die zó aan het eind zijn. dat ze zulke
ondenkbare en verschrikkelijke dingen zeggen. Juist ook die mensen zullen niet
alleen zijn! De psalmenbiddende gemeente stemt in met en geeft stem aan mensen
die op onnavoelbare wijze tot het uiterste worden geschoffeerd en gemarteld en
die als slachtvee worden gedood. Daarom wagen wij het om vol te houden dat de
psalmen het hart van de getijden vormen.
'Psalmen zijn bonte weefsels, zo kleurrijk als het leven zelf - ze zullen
daarom moeilijk zijn onder te brengen in een systematische ordening. Voor de
tijd van Benedictus volgden de psalmroosters dan ook meestal eenvoudigweg de
volgorde van hun nummering. Toch werd in vroegchristelijke en mogelijk zelfs al
in voorchristelijke tijden een aantal psalmen verbonden aan een bepaalde dag of
gebeurtenis. Morgengebed (hier genomen als verzamelnaam voor metten, landen en
soms ook nocturnen) en vespers hebben ieder hun eigen psalmen.
Het morgengebed heeft psalm 63 als kern - een gewoonte die uit synagogale
traditie is overgenomen. Aan het eind van de vierde eeuw vormen de psalmen
148-150 een vast onderdeel van het morgengebed. In het westen wordt op veel
plaatsen psalm 63 vervangen door psalm 51 en verschijnt psalm 95 als de
openingspsalm van het morgengebed (zo bij Benedictus). De vesper heeft psalm 141
als kern. Benedictus schrijft als eerste expliciet over de completen en noemt
daarbij de psalmen 4 en 91. In Antiochië leest men hij het hanengekraai psalm
134, een gewoonte die tot op heden in sommige orthodoxe kerken wordt gevolgd
(Servisch, Maronitisch en Koptisch). In andere tradities komt psalm 134 juist in
de completen terecht. Als andere morgenpsalmen worden in de eerste zeven of acht
eeuwen van het christendom genoemd 141,143 (Eusebius); 5,90 (Ordo Monasterii); 119, 147-148 (Cassianus). Als andere avond-psalmen 143, 113 (Eusebius); 104
(in plaats van 141 hij Caesarius van Arles); 142; 130; 117 (Byzantium, 8e eeuw).
Minder duidelijk zijn psalmen voor de kleine uren en voor de vigilies.
Psalmroosters zijn er in overvloed. Hun 'omlooptijd' wisselt: wekelijks (Brevier), dertig dagen (Book of Comrnon Prayer), vier weken (het
rooms-katholieke Getijdenboek). vijf tot zes weken (Taizé), zeven weken
(Nikola Communiteit), tien weken (Alternative Service Book). Deze
roosters volgen geheel of voornamelijk de volgorde op nummer. Vrijwel alle
hebben ten dele psalmen die passen bij een bepaald uur of een bepaalde dag, en
maken voorts uitzonderingen voor feesten en dergelijke. De aansluiting bij het
liturgisch jaar overigens formeel. Zo begint het Getijdenboek met week 1
Advent 1, de eerste zondag van de Veertigdagentijd, Pasen 1, de eerste zondag
door het jaar, etcetera. In deze Proeve bieden wij een psalmrooster aan
van zeven weken, waardoor maar tweemaal per jaar met een sprong opnieuw begonnen
hoeft te worden. De paastijd correspondeert dan met een volledig gezongen
psalterium. In zekere zin is dat willekeur. Het voornaamste bij alle roosters is
het doorgaande bidden van de psalmen, ongeacht het liturgisch jaar.
De antifonen spelen vanouds een belangrijke rol bij de psalmen, evenals bij
de cantica (zie onder). In het hedendaagse taalgebruik is de antifoon een vers,
gezongen en gebeden voor en na een psalm, na ieder vers of na een aantal verzen, en dat de toon zet. Dit laatste in dubbele zin: muzikaal, maar
ook inhoudelijk. De antifoon geeft aan hoe psalm of gezang gehoord moet worden
en is dus interpretatie van het lied. Idealiter wordt de psalm door een
dubbelkoor gezongen: men zingt elkaar als het ware toe. Dit is antifonaal
zingen, en het woord antifoon moet dus letterlijk genomen worden: tegenstem,
tegenzang, tegenlied.
De antifonale zangwijze kwam al in de tweede eeuw te Antiochië in zwang, en
verbreidde zich via Syrië over Byzantium naar Milaan en het westen. In Milaan
raakte Augustinus in 386 diep onder de indruk van deze zangwijze, die daar een
jaar eerder was ingevoerd terwijl het volk met Ambrosius in de kerk waakte onder
Ariaanse vervolgingen. (10) Vermoedelijk zongen de geestelijken in twee koren
verdeeld de psalm en zong het volk na ieder psalmvers een keervers. Dit vers
werd nu de antilfoon genoemd. De frequentie waarmee het keervers werd gezongen,
werd allengs minder en uiteindelijk klonk het nog slechts aan het begin en einde
van de psalm.
Ook de antifoon wordt op den duur door het koor gezongen. Het is voorgekomen
dat de antifoon de psalm ging verdringen. Soms werd de antifoon een min of meer
zelfstandig muziekstuk dat de psalm zelf terugdrong tot één vers of zelfs
geheel verdrong, soms wisselden verschillende antifonen de psalm af.
Zoals gezegd zet de antifoon de toon. Uit alle gedachten en stemmingen van
een psalm krijgt er één de voorkeur gaat functioneren als de sleutel tot de
psalm.
De psalm kan dus door de antifoon een geheel andere kleur krijgen. Psalm 130
kan bijvoorbeeld aangeheven worden in de dienst voor de gestorvenen, maar ook in
de vespers van het kerstfeest, als de antifoon luidt: 'Want bij de Heer is
ontferming en overvloed van verlossing'.
Naast deze 'sleutelfunctie' van de antifoon is er ook nog een omlijstende
antifoon met een louter versierende functie. Daarin wordt bijvoorbeeld de
gedachte van een bepaalde zondag of feestdag gememoreerd.
In Het dagelijks gebed: getijden en huisdiensten worden per psalm
telkens twee aan de psalm ontleende kernverzen als antifonen gesuggereerd. Het
is zeker niet onze bedoeling die twee als enige mogelijkheid te zien. Antifonen
behorend bij de tijd van het liturgisch jaar hebben wij bij de psalmen niet
opgenomen. Deze hebben in de orden voor getijden en huisdiensten hun plaats
gekregen bij de cantica.
Voor wat betreft het zingen van het Gloria Patri na de psalmen zie men
onder 7a.
d. De schriftlezing
Juist in de getijdendiensten in de kloosters is de hele Schrift gelezen, ook
het Oude Testament. Wanneer wij in onze dagen getijdendiensten vieren, zal dat
vaak incidenteel zijn, bijvoorbeeld op bijzondere dagen of bij bijzondere
gebeurtenissen. Het ligt voor de hand dan een passende schriftlezing te zoeken. Gemeentevieringen
naast de zondagmorgendienst hebben dikwijls het karakter van een getijdendienst.
Ook die zijn in zekere zin incidenteel, bijvoorbeeld op een dag in de week of in
het jaar. Voor wat betreft de lezing van de Schrift in zulke diensten kan
aansluiting worden gezocht bij het zondagsrooster, terwijl ook een thematische
lezing niet is uitgesloten. Viert men bijvoorbeeld op zondagavond de vespers,
dan is het een goede mogelijkheid om de brieflezing van die zondag als die in de
morgendienst niet heeft geklonken - te kiezen. En waarom zou men bij
bijvoorbeeld zes vespers in de Veertigdagentijd niet kiezen voor een aantal
thema's dat verbonden is met die karakteristieke tijd van het jaar?
Voor wie driemaal daags de getijden wil bidden, hebben wij het leesrooster
van de Oud-Kathoheke Kerk in ons land mogen overnemen in deze Proeve. Daarin
wordt nagenoeg de hele Schrift bestreken. Bij de keuze van juist dit rooster
speelde een praktisch motief een grote rol. Het noteert namelijk lezingen voor
drie gebedsmomenten per dag, terwijl vele roosters met slechts twee of juist
veel meer gebedsuren rekening houden. Zoals bekend rekent de lutherse kerk, net
als de rooms-katholieke en oud-katholieke kerken, ook de zogenoemde apocriefe
boeken tot de heilige Schrift. Het rooster kwam ook wat dat betreft daarom
tegemoet aan behoeften die in onze gezamenlijke kerken leven.
e. Stilte en meditatie
'Zolang er nog ergens iemand bestaat
met wie ik als mens kan spreken
vind ik ook wel eens de stilte
midden op straat
een stilte die niemand kan breken.
Een kostbare stilte van zuiver glas
dat ik zelf
met mijn stem heb geslepen.
Als ik er niet was
had niemand die stilte begrepen.
Maar als Hij er niet was
en Zijn stem was er niet
dan was er van stilte geen sprake.
Alleen maar van zwijgen,
zo hard als graniet
en dat kan je doodeenzaam maken.
Maar de stilte,
dit is een tweestemmig lied,
waarin God en de mens elkaar raken.'
(Guillaume van der
Graft)
Stilte is een wezenlijk onderdeel van het dagelijkse Gebed is het zoeken van
Gods aanwezigheid, en stil worden. Onze eigen woorden zwijgen om ruimte te maken
voor het spreken van de ander. Jezus zocht de stilte om Gods verborgen omgang te
vinden. Hij roept zijn leerlingen op om die stilte welbewust te creëren
(Mat.6,6).
De stap van zwijgen naar stil worden, verstillen kan heel
groot zijn. Het vergt oefening om in de uiterlijke stilte ook innerlijk stil te
worden. Stilte kan bedreigend en oeverloos zijn. Dan is het goed om met bepaalde
meditatietechnieken de aandacht te richten. Dergelijke technieken hoeven niet
van ver te komen: onze eigen traditie biedt een schat aan mogelijkheden. In een
apart hoofdstuk in deze Proeve doen wij daarvoor een aantal suggesties.
Eerder al schreven wij dat het gebed een innerlijke zaak is en dat het alles
bloot legt van onszelf. Dit zal eens te meer blijken in de stilte. Zeker daar
komen we onszelf tegen in onze verwarring en onrust. Pijn en verdriet komen,
vaak merkbaar, naar boven. Waar stilte met anderen samen wordt beleefd, kan zij
een groot gevoel van verbondenheid geven, omdat de moeite en de pijn van ëën
in de stille voor-bede van de groep is opgenomen.
f. De cantica
Cantica zijn niet aan het psalter maar wel aan de Schrift ontleende
lofliederen. Al rond 400 zijn in verschillende kerken cantica-series in gebruik,
die onderling weliswaar enigszins verschillen, maar vermoedelijk alle op een
niet lang tevoren in het oosten opgestelde lijst teruggaan. De westerse kerk
neemt ze over. Zij hebben hun plaats gekregen in de getijden. Een deel van de
cantica komt uit de apocriefe boeken. Cantica zijn (in willekeurige volgorde):
Dan. 3,52-88 (het lied van de drie mannen in de vurige oven); 1 Kron. 29,10-13
(een loflied v-10 (de lofzang van Hanna); Jer. 31,10-14; Ex. 15,1-19 (het lied
van an David); Jes. 12,1-6; Tobias 13,1-10; Jes. 38,10-20; Juditli 16,15-21; 1
Sam. 2,1 Mozes); Jes. 45,15-26; Hab. 3,2-19; Eccl. 36,1-16; Deut. 32,1-43 (het
lied van Mozes).
Aan het evangelie van Lucas werden drie cantica ontleend, die we nog altijd
aanduiden met hun Latijnse aanvangswoorden: Benedictus (gezegend) of
lofzang van Zacharias (Luc. 1,68-79); Magnificat (mijn ziel maakt groot)
of lofzang van Maria (Luc. 1,46-55) en Nunc dimittis (nu laat Gij gaan)
of lofzang van Simeon (Luc. 1,29-32). In de getijdenliturgie van de kloosters
werden ze aangeheven ter afsluiting van respectievelijk lauden (vanwege 1,78 -
de opgang uit de hoogte?), vespers (als avondlof vanwege Gods barrnhartigheid?)
en completen (vanwege het gezien hebben van het heil?). De reformatoren namen
deze drie lucaanse cantica over en in ons land bepaalt de Nationale Synode van
Dordrecht in 1618: 'In de kercken zullen alleen de 150 Psalmen Davidis, de thyen
Geboden, het Vader onser, de twaaelff articulen des ghelooffs. de loffsangen
Mariae, Zachariae ende Simonis gesonghen worden'. We treffen berijmingen van de
liederen dan ook aan bij de 'enige gezangen' die voorheen in de liedboeken
stonden voorafgaand aan rijmpsalter of de gezangen. en in het Liedboek voor
de Kerken (gezangen 67, 66 en 68).
De antifonen bij het Benedictus en Magnificat hebben een eigen betekenis. Ze
lichten de eigen betekenis van een dag of feest eruit. Op zondagen zijn ze
doorgaans aan het evangelie ontleend. Liturgisch vormen ze niet zelden een
hoogtepunt van de dag. In deze Proeve verwijzen de antifonen bij de
cantica naar de tijd van het liturgisch jaar. Een ruime keuze werd opgenomen.
Het is in de lijn der traditie als wij voor het morgen-gebed de lofzang van
Zacharias suggereren en voor het avond- en nachtgebed de lofzangen van Maria en
Simeon. Wij achten het evenwel ook heel goed mogelijk om een van de andere
cantica te zingen.
g.
De gebeden
De orden die wij in deze Proeve aanbieden, geven vorm aan het
dagelijks gebed. In hun geheel zijn zij gebed. Zij zijn de vorm waarin het
biddende leven van de gemeente mede gestalte krijgt. De aan de psalmen ontleende
openingsverzen en de psalmen worden biddend gelezen en gezongen. Wanneer na de
opening de hymne, het psalmengebed, de schriftlezing, de meditatie en het
canticum ten slotte de rubriek 'gebeden' volgt, is dat niet anders dan een
toespitsing van wat eerder al aan de orde was. De toespitsing bestaat met name
in de actualiteit van de gebeden die nu worden aangeheven. De nood van het
moment wordt verwoord in de voorbede. Deze kan ook, bijvoorbeeld in de vorm van
een litanie, zingenderwijs worden gebeden. Het gebed van de dag bepaalt ons bij
de dag van de week, en het morgen- en avondgebed bij het uur van de dag. Het
Onze Vader, altijd gelijkblijvende gebed van de gemeente dat de haar zelf heeft
geleerd, is een vast onderdeel in deze rubriek. Dit geldt ook van de zegenbede.
h. Het lucernarium of de lichtzegen
Al in de vierde eeuw is er sprake van een lofprijzing van het licht in de
avonddiensten, als de lamp is aangestoken en wordt binnengebracht. Daarbij wordt
een hymne gezongen, vermoedelijk het zogenoemde 'Phoos hilaron'. Dit lied wordt
in de oosterse kerk nog altijd gezongen, tezamen met de vesperpsalm 141. Egeria
beschrijft, ook in de vierde eeuw, in haar reisverslag dat in Jeruzalem de
avonddienst met een lichtrite begint. Op de achtergrond van dit gebruik staat
het ontsteken van de sabbatslamp in het jodendom en misschien ook de lichtgroet
uit de Helleense religie.
Veel omtrent het lucernarium blijft in het duister. De term
functioneerde in de eerste plaats als tijdsaanduiding. In de zesde eeuw zien we
dan ook dat lucernarium eenvoudigweg 'avondofficie' betekent. Ook de
westerse kerk kent een lucernarium. We treffen het bijvoorbeeld aan in Milaan en
in Spanje. De vespers beginnen met een antifoon, meteen nadat een luchter of
twee brandende kaarsen op het altaar
zijn gezet. Daarmee is een aantal psalmverzen verbonden: in ieder geval 141,1
en voorts 4,7; 18,29; 36,10; 97,11; 112,4; en voorts 119,105; 132,17.
Op veel plaatsen worden aan het begin van de vesper kaarsen aangestoken. Wij
hebben daarom een eenvoudige vorm van het lucernarium opgenomen als
mogelijke opening van de vespers wanneer die later op de avond of althans bij
het vallen van de duisternis worden gevierd. De lichtzegen fungeert als
lofprijzing op het licht van de zojuist aangestoken kaarsen, dat symbool is voor
de verrezen Heer. De lof van het licht' in de paasnacht heeft in deze rite zijn
wortels.
In alle liturgieën keert psalm 141 terug, waarin sprake is van het gebed dat
als een avondoffer, zoals wierook, ten hemel stijgt. Het valt te overwegen hier
ook werkelijk wierook te branden.
i. Schuldbelijdenis en vergeving in de completen
De completen, die de dag voltooien, zijn een voorbereiding op de nacht. Zij
worden gekenmerkt door de gedachte van overgave. Zo klinkt uit psalm 31 het
woord dat de Heer aan het kruis spreekt: 'In uw handen beveel ik mijn geest'. De
overgave aan de slaap en aan de nacht is het symbool voor de overgave aan het
einde van ons leven. De overgave aan de Heer mag vol vertrouwen gebeuren, maar
bestaat niet zonder de erkenning van eigen tekort. Vanouds kennen de completen
dan ook een schuldbelijdenis als aanvang.
(7) Augustinus, De brief aan Proba over het gebed,
IX, 18.
(8) J. Calvijn. Institutie lll.xx,50, velt. A. Sizoo, Delft z.j.
(9) F. van der Meer, Lofzangen der Latijnse Kerk, UtrechtIAntwerpen
1970, 15.
(10) Augustinus, Confessiones, IX.vii,15.
2.5.4. Het getijdengebed in de Nederlandse en Vlaamse katholieke
kerkprovincie.
Uit: Directorium van de Nederlandse kerkprovincie in het jaar 2001. Zeist
2000.p.56vv
Uit: Algemene inleiding op het getijdengebed.1990.
Uit: Constitutie over de Liturgie (Vaticanum II), hoofdstuk
IV.
Uit: Apostolische Constitutie Laudis Canticum van paus Paulus VI, 1 nov.1970.
(zie ook alg.inleiding v.h.Getijdenboek: "nu het gebed van de heilige
kerk".
Uit:
J.Bluijssen, Het vernieuwde getijdengebed (NRL 1990) p.23-26. gericht op
de nederlandse situatie.
(in een volgende editie)