ONDERHOUDT
DE TIJDEN…….
HET
GETIJDENGEBED
IN
DE CHRISTELIJKE TRADITIE VAN OOST EN WEST
DEEL
2: Het getijdengebed in de Armeense en Byzantijnse traditie
Voordat we
een overzicht geven van het getijdengebed in de Armeense en byzantijnse ritus
moeten kort een paar zaken over het getijdengebed in het oosten in het algemeen
ter sprake komen, zoals bijvoorbeeld het ontstaan van de gebedsuren van de dag
en het onderscheid tussen het officie van de monniken en in de parochiekerken.
Het oosters getijdengebed in het algemeen
In het begin
baden de christenen ‘s avonds en ‘s morgens vooral privé; daarna gingen ze
het ook in gemeenschap doen. Met de vrede van keizer Constantijn aan het begin
van de 4e eeuw ging het avond- en morgenofficie de kern van het getijdengebied
uitmaken. Op zondag kwam er nog een aparte verrijzenisdienst bij die aan het
morgenofficie voorafging.
Met de ontwikkeling van het monnikendom
werden deze morgen- en
avondbijeenkomsten van de gemeenten niet alleen uitgebreid, maar ook de
structuur veranderde en er ontstonden twee grondtypen: het urengebed van de
woestijnmonniken van Egypte, en dat van het monnikendom in de steden van
Cappadocië. In Egypte kwamen de monniken alleen '5 morgens en -s avonds samen
voor het gemeenschappelijk reciteren van twaalf psalmen, verbonden met twee
lezingen. Het stadsmonachisme van Cappadocië had van de parochiegetijden de
geselecteerde psalmen voor de morgen en de avond overgenomen, en die
uitgebreid met het derde, zesde en negende uur, de completen en een middernachtgebed.
Behalve in Egypte was het nergens in het Oosten gebruik om een schriftlezing
te lezen in het officie gedurende de week; alleen bij feesten had men ook
lezingen uit het Oude en/of Nieuwe Testament.
Bestudeert men
dus het getijdengebed in het Oosten, dan is het goed om een onderscheid te maken
tussen het zgn. kathedraalofficie, (d.w.z het getijdengebed in de parochies,
waartoe de bisschop, de geestelijkheid en de gelovigen horen) en het 'monastieke
officie'.
Bij het getijdengebed in de kloosters, dat zich over verschillende
tijden van dag en nacht uitstrekt, staat het meditatieve reciteren van de
psalmen (de psalmodie) centraal De psalmen worden daarbij niet speciaal uitgezocht,
maar volgen gewoon het psalterium.
Daarentegen bevat het kathedraal
officie van de morgen en van de avond een centraal thema, dat in de keuze van
de psalmen voor de avond of de morgen tot uitdrukking komt; dat betekent de
uitgekozen psalmen beantwoorden aan de thematiek van avond of morgen. Zo vormt
in alle ritussen van het Oosten (en ook van het Westen trouwens) psalm 140 (141)
het kernstuk van de vespers: "Heer ik roep tot U.. Laat mijn gebed mogen
stijgen als wierook omhoog voor uw ogen. Moge het als ik mijn handen ophef tot
een avondoffer U zijn". *(1)
Voor de morgen
wordt bijvoorbeeld in de byzantijnse ritus psalm 62(63) voorgeschreven: “Als
ik in de nacht op mijn bed aan u denk, houd ik u stil in gedachten...". In
de Syrische en ook in de Armeense ritus is het psalm 50(51); bovendien worden in
alle morgenofficies van het Oosten (en van het Westen) de psalmen 148 - 150
gezongen.
Ook in de manier
waarop de psalmen worden voorgedragen is er verschil tussen de monastieke en
de kathedraal-traditie .In het kathedraal-officie worden de psalmen
responsoriaal en antifonaal gezongen. In
het monastieke uren gebed zijn er drie varianten: (1) de modus
alternativus, waarbij de psalmversen
worden afgewisseld (dat is niet hetzelfde als de antifonale manier van zingen,
waarbij het refrein afwisselend door het ene of het andere koor wordt gezongen);
(2) de modus tractus, waarbij een solist de psalm zingt en de andere monniken
luisteren; (3) de modus directaneus waarbij de monniken gemeenschap de psalm
gezamenlijk reciteert.
Het kathedraal
officie heeft zich in zijn zuivere vorm - behalve bij de Armeniërs - niet
doorgezet. In het Westen, vooral in Rome, is het getijdengebed van de
parochiekerken al spoedig verdwenen ten gunste van het monnikenofficie, terwijl
in het Oosten, bijv. in de byzantijnse ritus, een harmonische fusie van de
monastieke en kathedrale traditie is aan te duiden. Daar wordt het morgen- en
avondofficie geopend met de monastieke psalmgezang, waarna het eigenlijke
kathedraalofficie van de morgen of de avond volgt. De Armeniërs hebben van alle
tradities nog het zuiverst het kathedraal officie bewaard, want de monastieke
manier van psalmzingen door gewoon de nummers van het psalterium te volgen
kent men alleen in het nachtofficie. Daarom moeten we ook bij de Armeense
ritus beginnen, omdat hier gedeeltelijk de oudste traditie bewaard is
gebleven.
1.
Het Armeense Getijdengebed
De cyclus omvat: (1) Het monastieke nachtofficie (gisjerayin zjam); (2)
het morgenofficie (arawotean zjam), dat op zondag volgt op de viering van de Opstanding
(iwlaberic); (3) het uren gebed van de zonsopgang
dat tegenwoordig alleen in de vastentijd wordt gevierd (arewagali zjam);
(4) de kleine uren van terts, sext en noon; (5) het avondofficie (erekolyean
zjam); (6) het zogenaamde 'Vredes-uur (chalalakan zjam); en (7) de completen,
'Uur van de Rust' genoemd (hangstean zjam). Ons overzicht beperkt zich verder
tot het kathedraal officie en het monastieke nachtofficie.
(1)
Het Nachtofficie
De
kern van het nachtofficie van de monniken vormde het reciteren van de psalmen
gewoon volgens hun nummer; dit werd in de
loop van de tijd sterk ingekort,
terwijl er andere elementen zoals liederen en hymnen bij kwamen.
De
structuur ziet er dan zo uit:
I. Invitatorium (uitnodiging tot
gebed
1. Doxologie (met onze Vader)
2. Invitatorium
Psalm 50, 17 (met de psalmen 3, 87, 102 en 147)
3. Voorbeden
II. De psalmodie (de psalmlezing)
1. Doxologie
2. Wisselende psalmodie
3. Een wisselend kantiek
III.
Afsluiting
Voorbeden
Onze Vader
Op
het nachtofficie van de monniken volgt dan het morgenofficie van de
parochiekerken.
(2)
Het Morgenofficie
Het
hoofdbestanddeel van het morgenofficie zijn de kantieken van het Oude en Nieuwe
Testament. Zij vormen het eerste deel en ze gaan terug op de invloed die het
zondagse verrijzenisofficie uitoefende op het dagelijks morgengebed.
De
eigenlijke kern van het morgenofficie vormen de psalmen 50 en 148-150 met het Gloria
- 'eer aan God in den hoge'.
Op zondag gaat aan dit centrale bestanddeel een kathedraalvigilie
vooraf die als inhoud heeft een symbolische
voorstelling van de Verrijzen is van Jezus. Het centrum ervan vormt het
evangelie van de graflegging en de opstanding. Daardoor wordt deze vigilie
'iwlaberic' genoemd,
waarmee de vrouwen werden aangeduid die op paasmorgen met balsem en specerijen
naar het graf gingen.
De
opbouw van heel het morgenofficie ziet er zo uit:
I.
Invitatorium (uitnodiging
tot gebed)
1.
Doxologie (met Onze Vader)
2.
Invitatorium
II.
De kantieken
van het Oude en Nieuwe Testament
Kantiek van Azarja, Dan 3, 26-56
Kantiek van de drie jongens in de vuuroven,
Dan 3,57-88
Magnificat
Kantiek van Zacharias:
Benedictus
Kantiek van Simeon: Nunc dimittis
III. Alleen op zondag (= officie van de Opstanding)
3 psalmen:
psalm 112, 1-3 met doxologie
psalm 43, 26.24
psalm 145, 10.1
Evangelie van de graflegging en de
opstanding
IV. Het
eigenlijke morgenofficie
psalm 50
psalm 148-150 met Gloria
Voorbeden
Trisagion
(Heilige God, heilige
Sterke...)
Onze Vader.
(3) Het avondofficie
De onderdelen van de
vesperdienst zijn in alle ritussen - ook de Armeense - gegroepeerd rond psalm
140 (141) die de kern van het officie vormt. Bij de Armeniërs is echter het
structurele verloop niet helemaal duidelijk gebleven, omdat men in de vespers
op zaterdagavond tussen de avondpsalmen 139, 140, en 141 de hymne 'phos hilaron
- vriendelijk licht' heeft geschoven die van de Grieken was overgenomen, een
lichtritus dus.
De invloed van de liturgie van Jeruzalem is niet alleen duidelijk in
het opstandingsofficie op zondagmorgen, maar heeft ook de lichtritus van
de vespers mee bepaald, terwijl het 'phos
hilaron - vriendelijk licht' zelfs teruggaat naar voor de vierde eeuw In
Jeruzalem begon volgens het getuigenis van de pelgrim Egeria de vespers met
een lichtceremonie, gevolgd door meerdere avondpsalmen.
De Armeense
vespers heeft echter de volgende structuur:
I.
Invitatorium (uitnodiging tot gebed)
Psalm 54, 17-18
daar werd later nog psalm 85 aan toegevoegd
II. De
avondpsalmen
psalm 139, 140
en 141
(op
zondagavond: Vriendelijk Lieht)
psalm 140,2
Voorbeden
Trisagion
(Heilige God, heilige Sterke...) en
Onze Vader
vormen de afsluiting.
Psalm 140 vers 2 luidt: "Laat mijn
gebed mogen stijgen als wierook omhoog voor uw aanschijn. Moge het als ik mijn
handen ophef een avondoffer U zijn". Dit vers van psalm 140 vormt in alle
oosterse ritussen (en ook in het westen) het refrein. Bij de Armeense vespers
zou dit dus het enige refrein op psalm 140 kunnen zijn, dat door het 'vriendelijk
licht' op een kunstmatige manier van de rest van psalm 140 gescheiden werd. Maar
je kunt het ook anders uitleggen: Als men namelijk de psalmen 139-141 weglaat
kom je terecht bij de oorspronkelijk volgorde die men ook in meerdere vroege
bronnen tegenkomt: (1) de lichtritus, (2) de avondpsalm 140 met vers 2 als
refrein, (3) voorbeden. Is de tegenwoordige Armeense vesperdienst niet een
samenstelling van twee kathedraal-vesperdiensten, namelijk de avondpsalmen als
groep, zoals dat in Jeruzalem gebruikelijk was, en de ene avondpsalm 140 zoals
traditie was in Antiochië en Constantinopel?
Kijkt men naar het geheel van de dagelijkse getijden, dan valt op dat er
na het morgenofficie (arawotean zjam) het 'uur van zonsopgang
volgt. Dat moet echter niet gelijkgesteld worden met het 'eerste uur' (de
priem) uit het Westen. Na de vespers (erekoyean zjam) volgt zo nog 'het
Vredes-uur' (chalalakan zjam). Van dit Vredesuur weten we dat het pas in de
latere middeleeuwen ingevoerd werd, en dat bijv. Chosrov van Anjewac'i (uit de
10de eeuw) het niet kende.
Een andere eigenheid ligt in de twee kantieken uit het Oude Testament
(Habakuk 3,18-19 en Daniel 3,52-56) en van het Nieuwe Testament ('Laat Heer uw
dienaar gaan' en het Magnificat) uit het 'uur van de rust' (hangstean zjam)
dat met de completen uit het westen vergeleken kan worden. Deze kantieken
hoorden oorspronkelijk bij de verrijzenisdienst van zondagmorgen. Van daaruit
kwamen ze -onder invloed van de kathedraalvigilie van zaterdagavond- terecht
in het morgenofficie (met een wisselend kantiek op het einde van de psalmen van
het nachtofficie). Bovendien werden er kantieken opgenomen in het 'uur van de
rust' dat vlak voor het nachtofficie gevierd werd. Zo hebben dus die kantieken
die karakteristiek waren
voor het opstandingsofficie
(hun oorsprong ligt natuurlijk in de paasnachtdienst) niet alleen hun invloed
gehad op het nacht- en morgenofficie , maar ook op het 'uur van de rust'.
In het algemeen
moet je vaststellen dat van alle ritussen het Armeense officie het meest
trouw de traditie van Jeruzalem wat betreft de opstandingsdienst van de zondag
heeft bewaard, en dat ook andere onderdelen van het Armeense urengebed zeer
ver teruggaan.
II. Het Byzantijnse officie
Hier
ziet men van de ene kant de grote invloed van de kloostergemeenschappen op het
kathedraal officie, maar ook kan men de invloed van Jeruzalem op het
getijdengebed in Constantinopel niet uitvlakken. Zo was het bijvoorbeeld de
invloed van de monniken dat in het morgen- en avondofficie de psalmen gewoon
volgens het nummer van het psalterium werden gezongen. Zo hebben we dus de
volgende structuur bij de opbouw van de voornaamste diensten, de Vespers en de
Orthros (Metten)
(1)
Vespers
I. Wisselende
Opening
II. Monastieke psalmodie
Invitatorium
(uitnodiging tot gebed)
Grote
Vredeslitanie
de
psalmen
III. Kathedraalvespers
1.
Lichtritus
2.
Avondpsalmen: 140, 141, 129
met
doxologie-achtige psalm 116
Alleen bij de Grote Vespers op feestdagen:
-
Intocht
-
Lichthymne 'vriendelijk licht'
-
3 lezingen
3.
Voorbeden
4.
Afsluitende gebeden met het
kantiek: Laat
Heer uw dienaar gaan...
In
tegenstelling tot de Byzantijnse vespers van vandaag - die bepaald wordt door
de traditie van Jeruzalem, of beter door de kloosters van de Sint Sabbas uit de
buurt van Jeruzalem had de vespers
in de Hagia Sophia in Constantinopel de
volgende eenvoudige structuur (zoals een handschrift op Patmos uit de
9-10 eeuw laat zien):
I. Invitatorium:
psalm 85
(met
wisselende antifonen uit
de psalmen)
II. De avondpsalm 140 - met 3 antifonen
III.
Voorbeden (synapte)
Daarbij
moet men er op letten dat de vespers van Constantinopel zelfs oorspronkelijk
maar één avondpsalm kende
(namelijk psalm 140). Dat wijst op relatie met Antiochië, in
tegenstelling tot Jeruzalem, dat meer avond-psalmen
bevatte, waaronder psalm 140
Tenslotte
willen we nog ingaan op het morgenofficie dat in de byzantijnse ritus orthros
genoemd wordt en daar bestaat uit het monastieke nachtoflicie van vroeger
plus de eigenlijke orthros.
(2)
Het morgenofficie (orthros)
I. Wisselende opening (afkomstig
uit het morgen gebed van het keizerlijk paleis)
II. Monastieke psalmodie
Invitatorium (uitnodiging tot
gebed):
De Zes Psalmen 3, 37, 62,
87,102,142
Grote Voorbede (Synapte)
III. Alleen op zondag (opstandingsofficie)
3 psalmen: 134, 135 en 136
Opstandingsevangelie
IV. De
eigenlijke Orthros psalm 50
Canon van de 9 poëtische Oden psalm 148-150
Grote doxologie met Kataxiosen
(trisagion
alleen op zondag)
Voorbeden
Het oorspronkelijke invitatorium,
waarschijnlijk psalm 3, werd uitgebreid tot twee groepen van 3 psalmen dat
Hexapsalmos -Zes Psalmen genoemd werd. In tegenstelling tot het Armeense
officie van de opstanding wordt in de Byzantijnse parallel alleen het evangelie
van de verrijzenis en niet dat van de graflegging gelezen.
Bijzonder
valt de tweede' plaats op die de bijbelse kantieken innemen in het eigenlijke
morgenofficie (orthros): De canon van de 9 bijbelse kantieken is gevoegd
tussen psalm 50 en psalm 148. Tegelijkertijd moet men vaststellen dat van de oorspronkelijke
bijbelse kantieken alleen maar de troparia, de poëtische verzen, zijn
overgebleven die eigenlijk eerst het refrein bij de kantiek zelf waren.
Bovendien liet men het tweede bijbelse kantiek (vanwege zijn lengte) helemaal
vallen. In de Georgische verzameling van de Troparia (ladgari) komt deze
tweede ode nog voor. Alle kantieken, die behalve het Magnificat afkomstig zijn
uit het Oude Testament behoorden oorspronkelijk in hun kern tot de paasvigilie.
Van daaruit kwamen ze terecht in de opstandingsdienst van zondagmorgen en zo
in de dagelijkse morgendienst.
De
vergelijking tussen het Armeense en het Byzantijnse morgenofficie doet
vermoeden dat de Armeense ritus de oudste vormen bewaard heeft. Beide opstandingsdiensten
van zondagmorgen, zowel in de Armeense als in de Byzantijnse ritus, gaan terug
op gebruiken in Jeruzalem~ Ook hier heeft de Armeense traditie de oudste laag.
Beide
traditities hebben echter gemeen dat ze tot op de dag van vandaag
'functioneren', wat men van het Romeinse brevier niet zeggen kan. Dat hangt er
ook mee samen dat het officie zijn wezenlijke karakter, namelijk bedoeld voor
de parochies, niet verloren heeft,
terwijl het Romeinse brevier in zijn grond-opvatting een kloosterlijk getijdengebed
is dat niet aangepast is aan de parochie-gemeenschappen.
Gabriele
Winkler
*(1)Voor
de vertaling van de teksten volgen wij het Byzantijns Liturgikon, Tilburg-Zagreb
1991 – jm.