Welkom bij Onze namen op FamilieLavrijsen.nl

:: Inleiding - 08.12.2005

Deze pagina bevat informatie omtrent de oorsprong en/of betekenis van onze namen. Veel informatie is natuurlijk aanwezig op het internet. Verwijzigingen naar deze paginas zijn ook opgenomen in de tekst.


:: Lavrijsen

De naam Lavrijsen, en variant Vrijsen, komt vooral in Reusel in Noord-Brabant voor. Het betreft een lokale variant van het patroniem Laurijsen uit de Latijnse voornaam Laurentius. 

" Nou moeten we nog de overgang van de u in Laurijsen naar de v in Lavrijsen verklaren. Deze overgang is dialectisch bepaald. De naam Laurijsen werd uitgesproken als Lawrijsen, de u klinkt hier als een w. Fout spreken we eigenlijk uit als fawt. De w in Lawrijsen staat voor een r. In ons dialect verandert een w voor een r in een v. Wringen spreken we uit als vringen, wrijven als vrijven. Soms is het zelfs zo dat de v nog verder verandert in een f. Dit zelfde verschijnsel heeft zich ook voorgedaan in een heel bekend Reuselse bijnaam. Frens is via Vrens ontstaan uit Wrens, dat een verkorting is van Lawrens, geschreven als Laurens en ontstaan uit Laurentius" [W. van Gompel, 'Waar komen onze achternamen vandaan? Lavrijsen, Vrijsen, Laureijs', in: De Schééper. Heemkunde Werkgroep Reusel 15 (2004), nr 60, p 11]


:: Angela

Bij deze naam en varianten hiervan, zoals Angelica, Angeline en Angine, kunnen namen van Germ. en van Gri. oorsprong vermengd zijn. Voorzover Germ. zijn ze van een stam met de betekenis `uit het volk der Angelen'. De meeste namen afgeleid van Ange gaan echter terug op Gri. angelos `boodschapper (van God), engel', of op het bijv. nw. angelikos `van een engel, aan een engel gelijk'. Heilige: Angelus, de karmeliet, geb. 1185 in Jeruzalem. Hij was martelaar op Sicilië; kerk. feestdag: 5 mei. De naam verbreidde zich over It. en verder. Vormen met Angel- kwamen in de 17e eeuw in de mode: Angela = Engel, Gld. 1608 (vgl. Engelica); id. Den Haag 1645, Antwerpen 1695; Angelica, Brussel 1661; Angeline, Brugge 1692; Angelus, Hekelgem (Belg.), ca. 1656.


:: Eric

Scand., maar ook Fri. naam. Het eerste gedeelte van de naam kan hetzelfde zijn als Ndl. eer `eer, roem' (zie er-), het kan echter ook van ee `recht, wet' zijn (zie ee-). Het tweede lid is -rijk `machtig' (zie -rik). De naam betekent dan: `heerser van de wet'. Mansion, blz. 161, denkt voor het eerste lid ook aan ari-/arja- `verheven' (vgl. ook Are, eventueel de Germ. stam *erkna, Got. *airkns `echt, rein, volkomen', zie Arkenbout en erken-). De naam kan dus oorspr. inheems geweest zijn, ook gezien het voorkomen in het Fri. Het toenemende gebruik werd echter door het Scand. sterk beïnvloed. Eirikr was de naam van de ontdekker van Groenland rond het jaar 1000. Deze vorm kan voortgekomen zijn uit Einrikr `de enig machtige'. Voor Zwe. Erik vinden we bij Otterbjörk de oudere vorm airikr, IJsl. Eiríkr, van Oernoors *Aina- of *Aiwa-rikiar `alleenheerser' of `eeuwig heerser', een zeer oude Zwe. koningsnaam (zie ook: Harny Andersen, Om navnet Erik, in het Zwe. tijdschrift `Namn och Bygd' 60 (1972), blz.126-137.). De Scand. invloed werd versterkt doordat er enkele heiligen van deze naam zijn: 1) Erik, geb. 1216, in 1241 koning van De. Hij werd door het volk als een heilige vereerd, zonder echter gecanoniseerd te zijn; feestdag: 9 febr.; 2) Erik IX Jedvardson, koning van Zwe. van ca. 1150-1160. Ook hij werd al spoedig als heilige vereerd, en wel als nationale heilige van Zwe., zonder gecanoniseerd te zijn; feestdag: 18 mei. In Eng. werd Eric door de De. geïmporteerd. In de 19e eeuw herleefde de naam, vooral door het populaire schoolverhaal van Dean Farrar: `Eric: or Little by Little' (1858).


:: Jaimy

Jaimy komt van de naam Jacob. Hebr. ja'aqob, van onzekere betekenis, maar in verband met de geschiedenis van Jakob en Esau, de zonen van Isaak, verklaard als `hij greep de hiel, hij verdrong (zijn broer), bedrieger' (Gen. 25). De Gri. vorm werd Jakobos en daaruit ontstond Lat. Jacobus, daarnaast ook Jacomus. Uit de laatste vorm moeten de vormen met m (Eng. James, Spa. Jaime, Ndl. Jacomina enz.) verklaard worden. De naam kreeg reeds vroeg zijn grote populariteit door de twee apostelen van deze naam, vaak onderscheiden in major en minor, de oudste en de jongste of de meerdere en de mindere. De eerste was de zoon van Zebedeus en broeder van Johannes. Met Petrus werden zij wegens hun stormachtige ijver door Christus Boanérgas genoemd `dat is zonen des donders' (Marcus 3,17). Zie ook Hand. 12, 1-3. Volgens een legende uit de 7e eeuw zou hij in Spa. gepredikt hebben en daar begraven zijn. Volgens een oude Spa. traditie werd zijn lichaam overgebracht naar Santiago de Compostela. Van de 10e tot de 15e eeuw was dit een van de beroemdste pelgrimsplaatsen in West-Europa. Die gaf aanleiding tot een grote verering langs de wegen daarheen. Ook ontstonden er sagen en legenden die weer invloed in de middeleeuwse literatuur hadden. Daardoor werd Jacobus zeer populair als heilige. Hij werd patroon van de pelgrims, schutspatroon in de strijd tegen de mohammedanen en uiteraard van Spa. De kerkelijke feestdag is 25 juli, een datum die in het volksgeloof een belangrijke plaats innam, bijv. als geluksdag voor het beginnen van de oogst. Jacobus minor, apostel, was de zoon van Alfeüs, vermeld in Marcus 3, 18. Men is het er niet over eens of hij dezelfde is als de Jacobus genoemd als broeder van Christus in Marcus 6, 3 (ook vermeld in Galaten 1,19 als broeder des Heren en in Galaten 2,9 als steunpilaar van de jonge gemeente). Volgens de traditie was hij eerste bisschop van Jeruzalem. Kort voor de joodse opstand in 66 na Chr. stierf hij de marteldood; kerk. feestdag: 11 mei. Zie ook Jacoba. De populariteit van de naam in West-Europa werd ook nog bevorderd dordat verscheidene vorsten hem droegen: koningen van Aragon (Jaime) en koningen van Eng. De naam is sinds de vroege middeleeuwen in gebruik. Oudste voorbeeld bij Socin: Straatsburg 749; Rijnland 2e helft van de 9e eeuw (Littger). In Holl. 1156; Coep, Arnhem 1353; Jacomaer, Dordt 1385 (SRD). Vanaf de 13e eeuw vormen als Coppa(e)rt. Fra. vormen: Jaecx, St.-Winoksbergen 1389 (Vla. St. II, 84); Kortrijk ca. 1400 (Debrabandere): Jacob, Jacot, Jaquemijn; Jaques Masureel fs. Jacops (!), Brugge 1557 (Schouteet 99); Jaeques Martini, Breda 1585 (Ned. L. 1957, 172); Yakis Nauwens Schoonhoven 1636 (GHG); Jaecques Baert, Rotterdam 1644 (SR); Jacomo van Uffelen, Rotterdam 1844 (SR); Jaques van Sminia (Fri. adel), Utingeradeel 1652 (Ned. L. 1961, 436). Ontwikkeling van vr. vormen: Jacoba, Genève 1181 (Socin). In Fra. zijn sedert de 12e/13e eeuw vr. vormen aan te treffen (Dauzat 59), 13e eeuw: Jaqueta. Kortrijk ca. 1400 (Debrabandere): Jaquemijne, Jaquemine en Jaquemijnkin. Jacob, hertogin van Beieren 1417 (RvR) (zie over het gebruik van jongensnamen voor meisjes/vrouwen: Van der Schaar 1953, 32 v.). Jacob Danielsdr. van Matenesse,1452 (Ned. L. 1965, 39); Jacopmijne, Den Haag 1527 (Ned. L. 1950, 48); Jaquemijne, Brugge 1550 (Schouteet 40); Jaquelyne, dochter van Boudewijn, heer van Rhoon, geb. Brussel 1552 (T. A. v.d. Vlies, `De eerste eeuwen van Rhoon', 63); Jaexmyntgen, Dordt 1553 (GD 50); Jkvr. Jacquemine Cobrij, Brugge 1589 (Schouteet 35); Iacobtien, Medemblik 1590 (Belonje IV. 101); Jacqueline Robijns, geb. Meldert (Belg.) ca. 1605 (Vla. St. II, 102); Jakelijn, Jakeline Westerbaen, geb. Den Haag 1642, de moeder heette Jacolijn, resp. Jacobmina (Ned. L. 1962, 109). In Ze. kwam de vorm Jakelintge in de 17e eeuw voor.


:: Romy

Du. vleivorm van Rosemarie. De naam is bekend geworden door de actrice Romy Schneider (= Rosemarie Albach-Retty, 1938-1982). 

Bron: Meertens Instituut http://www.meertens.knaw.nl

 


This site is designed by Eric Lavrijsen and supplied by Quibuss.nl