Eelco de Geus
Vakinhoudelijke kennis is
belangrijk, maar volstaat niet voor effectief logopedisch handelen. In de
therapeutische relatie met cliënten stuit men telkens weer op de weerstand die
gepaard gaat met het willen veranderen van gedrag. In dit artikel wordt het
begrip weerstand nader bekeken en gerelateerd aan verschillende niveaus van
logopedisch handelen. Daarin wordt duidelijk dat succes bepaald wordt door de
vaardigheid van de logopedist om als counsellor op een goede wijze met de
weerstand tegen verandering om te kunnen gaan en deze op een positieve manier
te kunnen gebruiken.
Technical
knowledge is important, but not sufficient for an optimal effect of speech
therapy.
In
the therapeutic relationship with clients we often meet the resistance that is
related to the wish to change behaviour. In this article the concept
‘resistance’ is more closely reviewed and is being related to different logical
levels in the process of speech therapy. That shows clearly how success in
speech therapy depends also on the
counselling skills of the therapist, which are needed to deal with the
resistance for change in a good way and to even use this resistance in a
positive way.
Sommige cliënten zien we kort, de
behandeling is doelgericht, efficiënt en succesvol en naar tevredenheid van
zowel cliënt als therapeut wordt de behandeling afgerond. Net zo vaak
komt het echter voor dat de logopedist stuit op weerstand; iets dat de cliënt
weerhoudt om datgene wat hem of haar aangeboden wordt ofwel überhaupt aan te
nemen, ofwel toe te passen in de praktijk, ofwel te generaliseren naar
verschillende situaties en op te nemen in het repertoire van geautomatiseerd
gedrag. Duidelijke voorbeelden daarvan komen we tegen in de behandeling van
stotteren en stemstoornissen, maar eveneens bij de andere spraak- en
taaltoornissen. Het is telkens weer een kunst voor de logopedist om deze
weerstand tijdig te kunnen onderkennen, haar op waarde en functie te weten
schatten en er vervolgens zo mee om te kunnen gaan, dat weerstand
getransformeerd wordt tot motivatie.
In dit artikel wordt eerst nader
ingegaan op het begrip weerstand, waardoor het een betekenis krijgt, die ons
beter in staat stelt adequaat te reageren. Daarna wordt een model van logische
niveaus geïntroduceerd, dat behulpzaam is bij het vaststellen van de oorzaak
van weerstand en tevens aangeeft op welke verschillende manieren weerstand
benaderd kan worden. Het vinden van de juiste afstemming op deze niveaus wordt
vervolgens concreet gemaakt voor toepassing in de dagelijkse logopedische
praktijk. Daarnaast worden de begrippen overdracht en tegenoverdracht in de
therapeutische relatie toegelicht, als zijnde een belangrijke bron voor het
ontstaan van weerstand.
Het kennen van deze begrippen en
van daaruit kijken naar en omgaan met weerstand vraagt van de logopedist een
andere, therapeutische ontwikkeling, die even belangrijk en soms zelfs
belangrijker is dan de vakinhoudelijke scholing. Besproken wordt welke
counselling- vaardigheden nodig zijn om als logopedist een effectieve
therapeutische relatie aan te gaan, waarin weerstand van de cliënt een goede
plaats heeft en van daaruit beter opgevangen kan worden.
Uiteindelijk wordt een voorschot
genomen op de consequenties die een dergelijke ontwikkeling als counsellor
heeft voor de scholing van de logopedist.
De eerste vraag is natuurlijk;
‘Wat is weerstand?’ Dit is een vraag die vele grote psychotherapeuten van deze
eeuw heeft bezig gehouden. ‘Een stand van afweer’, zou het woord kunnen
betekenen, wat aangeeft dat iets blijkbaar bedreigend is en daarom afgeweerd
moet worden. In therapie neemt deze veelvoorkomende afweer een dusdanig grote
plaats in, dat sommigen beweren dat therapie eigenlijk alleen maar bestaat uit
het ontdekken van de weerstand en er goede oplossingen voor te vinden. Freud
(6) bijvoorbeeld beschreef weerstand als de natuurlijke en op instincten
gebaseerde afweermechanismen van de mens tegen situaties waarin (vermeend)
gevaar dreigt. Hij formuleerde zeven verschillende vormen van weerstand ofwel
afweer, allen samenhangend met de verschillende drijfveren van de mens. Jung
(10,11) ging een stap verder en zag weerstand meer als een conflicterend deel
in de mens, dat onderdrukt en onbewust is en zich door middel van weerstand
toont. Het in contact komen met en honoreren van deze onbewuste delen, zodat ze
uiteindelijk in de mens geïntegreerd kunnen worden, zag hij als de
belangrijkste taak van de psychotherapeut.
Daarmee nam Jung een min of meer positieve houding aan ten opzichte van
het begrip weerstand, wat uiteindelijk door de meer holistische
psychotherapeutische stromingen, zoals bijvoorbeeld de gestalttherapie en
psychosynthese werd overgenomen.
De directeur van het Milton Erickson Instituut in
Heidelberg, Gunther Schmidt, definieerde weerstand ooit als: ‘…..een
kostbaar communicatie-aanbod van de cliënt om tot een gezamenlijke
wijziging van de therapeutische context te komen’. Daarmee krijgt het
begrip weerstand een connotatie die positief en daardoor beter benaderbaar
en hanteerbaar voor de therapeut is.
In dit artikel wordt ervan
uitgegaan, dat weerstand direct samengaat met (de wens of noodzaak voor)
verandering. Men zou kunnen zeggen; de mens heeft zijn ideeën over de wereld en
zijn gedragingen in de loop van zijn leven op een bepaalde manier ontwikkeld,
die voor die omstandigheden en gezien vanuit de persoon zelf de meest
efficiënte waren. Aan deze overtuigingen en dit gedrag is een bepaald gevoel
van houvast, van zekerheid en van veiligheid verbonden. Op het moment dat omstandigheden
veranderen en er om nieuw gedrag gevraagd wordt, treedt er in de mens een
mechanisme in werking, dat de huidige situatie in stand wil houden. Therapie
betekent de cliënt te helpen vanuit deze status-quo een nieuw beeld en nieuwe
ideeën te vormen over een toekomst, waarin nieuw gedrag mogelijk is.
Logopedie is daarom niet zomaar
een gedragstherapeutisch beroep; het is een vak waarin we af moeten stemmen op
de huidige ideeën en gedragingen van cliënt. Van daaruit kunnen we hen helpen
nieuwe beelden en ideeën te vormen over wat nog meer mogelijk is en wie ze nog
meer zouden kunnen zijn, dan behalve wat ze nu op dit moment zijn en op dit
moment doen. Dan kan het juiste bijbehorende gedrag daarin op relatief soepele
en eenvoudige wijze zijn plaats innemen. Zolang echter gedrag getraind wordt
dat niet werkelijk bij de overtuigingen van de cliënt past staan we oog in oog
met de natuurlijke afweermechanismen van de cliënt. Vanuit dat oogpunt kan
weerstand dan ook als feedback van de cliënt gezien worden die aangeeft dat
iets niet passend is; een onbewuste vraag om aanpassing van de geboden hulp.
De antropoloog en filosoof
Gregory Bateson (1,2), een uitmuntend onderzoeker en specialist in cybernetica
(= stuurkunde, de leer van de automatische regelings- en
communicatiemechanismen), was een man die
uitermate geïnteresseerd was in de manier waarop mensen en systemen leren en
veranderen. Hij vroeg zich af onder welke condities leren en verandering
plaatsvindt en wanneer dit proces stagneert. Zonder het zo te benoemen
onderzocht hij als het ware de bron van de weerstand die optreedt als we willen
leren of veranderen.
Hij beschreef zes logische
niveaus (4), die altijd een rol spelen in menselijk gedrag en menselijke
ontwikkeling. Hieronder worden deze zes logische niveaus beschreven, met
daarbij een voorbeeld uit de logopedische praktijk. Het gaat hier om een
stotterende volwassen man, die binnen de therapie zijn spreken goed kan
besturen. Daarbuiten durft hij zijn technische vaardigheden toe te passen. Na
driekwart jaar therapie blijft hij echter terugvallen in zijn oude spreken en
is daar zelf uitermate gefrustreerd over.
1.
Het niveau van de
omgeving
Elk
gedrag vindt plaats in een specifieke omgeving. Concreet betekent dat: met
bepaalde mensen, in een bepaalde materiële context. Materieel betekent hier: de
fysieke plaats waar men is, de dingen die men om zich heen waarneemt, die men
gebruikt of tot beschikking staan, zoals geld, hulpmiddelen, regelgeving, de
organisatie waarin men werkt, enzovoort.
Vragen
die bij dit niveau horen zijn:
·
Wat zijn de kenmerken van de
omgeving, waarin bepaald gedrag toegepast wordt?
·
Wie zijn erbij aanwezig?
·
Waar precies vindt het
gedrag plaats? En hoe lang?
P. past zijn nieuwe gedrag
toe op zijn werk in spontane conversaties met collega’s en kan goed
beschrijven met wie, hoe lang, en waar precies hij zijn nieuwe spreken
toepast.
2.
Het niveau van het
gedrag
Hier
gaat het om de exacte kenmerken van het gedrag dat in die bepaalde omgeving toegepast
wordt. Vragen die bij dit niveau horen zijn:
·
wat doe je precies?
·
Wat doe je in die omgeving
met name anders dan voorheen?
P. stopt kort voor
stottermomenten of in stottermomenten, houdt oogcontact en maakt een
geleidelijke inzet van de eerste klank, herhalend of direct.
3.
Het niveau van
vermogens
De
vraag is hier of men beschikt over de juiste vermogens om dit specifieke gedrag
in die bepaalde omgeving toe te passen.
·
Welke vermogens heb je
hiervoor nodig?
·
Heb je deze tot je
beschikking?
Om zo te kunnen spreken
heeft P. het vermogen nodig om stottermomenten te kunnen opmerken, ervoor
of tijdens het moment te kunnen stoppen, oogcontact te maken en te houden
en de techniek van geleidelijke steminzet toe te passen.
4.
Het niveau van overtuigingen
Om
deze vermogens aan te kunnen spreken, zodat dit gedrag in deze omgeving plaats
kan vinden, dienen ze in overeenstemming te zijn met de waarden, normen en
overtuigingen van cliënt:
·
Waarom is het belangrijk
voor je?
·
Is wat je doet in overeenstemming
met wat voor jou van belang is, met jouw waarden en normen?
P. vindt het belangrijk om
beter te spreken. Hij is ervan overtuigd dat dit nieuwe spreken beter is
dan het oude, dat het hem kan helpen, dat inzet leidt tot resultaten, hij
vindt het essentieel dat mensen zichzelf kunnen en willen veranderen, hij
vindt het belangrijk om communicatief sterker te worden, om zichzelf te
overwinnen, kortom; alles lijkt in overeenstemming met zijn waarden, normen
en overtuigingen. Vraag blijft: waarom doet hij het dan niet?
5.
Het niveau van
identiteit
Naast
algemene overtuigingen, waarden en normen, bouwt de mens in de loop van zijn
leven een gevoel van identiteit op. Dit zijn sterke overtuigingen, sommige
bewust en vele minder bewust, die de beelden bepalen over wie we zijn en wat
van daaruit wel of niet bij ons past.
·
Wat zeggen deze
overtuigingen, die vermogens en dat gedrag in die omgeving over de persoon die
je bent?
·
Is dat alles een uitdrukking
van wie jij bent en waar jij in gelooft?
Hier komen we bij P.
incongruentie tegen; dat wil zeggen dat hij aangeeft dat hij wel graag zou
willen veranderen, maar dat het spreken dusdanig vertraagt, dat het niet
meer past bij de persoon die hij is, ook in de ogen van anderen. Op de
vraag wat voor persoon hij dan is antwoordt hij:’ ik ben een vriendelijk
mens die anderen niet laat wachten’. Hier zien we de overtuiging en het
gevoel die de bron zijn voor weerstand tegen dit nieuwe gedrag. En ook de
positieve intentie daarachter: stel voor dat hij zijn gevoel van zekerheid
(ik ben een vriendelijk mens die anderen niet laat wachten) zou moeten
inleveren voor iets, dat volgens hem als volgt klinkt: ‘ik ben asociaal
doordat ik van mensen eis dat ze geduld hebben met mijn langzame spreken’;
begrijpelijk dat hij, zolang dit voor hem waar blijft, niet kan veranderen.
6.
Het niveau van
spiritualiteit
Een stap verder dan de
eigen identiteit gaat het veelal onbewuste besef verbonden te zijn met anderen
en de wereld om ons heen. Dat is een besef dat er iets is dat groter is dan
wij, iets dat uitstijgt boven de eigen beleving van identiteit en dat ons in
hoge mate beïnvloedt. Volgens Bateson maakt dit (onbewuste) besef deel uit van
het menselijk bewustzijn en is van zeer grote invloed op alle menselijk gedrag.
In termen van verbondenheid met de wereld om ons heen, gaat het hierbij
bijvoorbeeld om de plaats die we innemen in onze familie en onze inbedding
daarin (8). Verder betreft het de plaats die we innemen temidden van anderen in
de maatschappij en hoe we ons verhouden tot ons land, andere culturen, de
wereld, de natuur, en, voor velen, het goddelijke. Reden om hier uitgebreid bij
stil te staan, is het feit dat het juist deze verbondenheid is, die ons gedrag
in hoge mate aanstuurt en bepaalt en die onze verandermogelijkheden in even
hoge mate inperkt.
Een
voorbeeld daarvan is hoe een mens totaal van gedrag kan veranderen als hij
toetreedt tot een bepaald geloof, of hoe cultuur bepalend is voor het gedrag
van mensen. Dit heeft alles te maken
met de loyaliteit die mensen voelen naar de voor hen belangrijke systemen (3).
Als iets in strijd is met dit gevoel van loyaliteit, bedreigt het in het gevoel
direct de bestaanszekerheid.
Hierover sprekend met P.
refereert hij naar zijn familie, en hoe assertief zijn niet erg bij zijn
imago past en het beeld dat anderen in de familie van hem hebben. Als hij
zich voorstelt het nieuwe gedrag in zijn familie te tonen, krijgt hij het
warm en ziet de gezichten van zijn familieleden voor zich. Zijn loyaliteit
naar de plaats in de familie is een belangrijke bron van de weerstand tegen
gedragsverandering.
Schematisch wordt het model van
logische niveaus als onderstaand afgebeeld. De twee kruisende lijnen geven aan
dat wat zich onder het kruispunt bevindt zich binnen de persoonlijke
psychologie afspeelt, en dat boven de kruisende lijnen de verbondenheid met de
wereld buiten de persoon zelf een grote rol speelt. Deze verbondenheid is voor
een groot deel onbewust en overstijgt de bewuste beleving van de persoonlijke
identiteit.

2.Gedrag
1.Omgeving

Afstemmen op logische niveaus
in de logopedie
In het bovenstaande is, mede door
het daarbij beschreven voorbeeld, duidelijk geworden hoe weerstand herleid kan
worden tot een probleem op een of meer van de logische niveaus.
Binnen de logopedie zijn we
gewend te werken op de onderste drie niveaus: omgeving, gedrag en vermogens. De
weerstand die we tegenkomen in de logopedische praktijk ligt meestal echter op
het niveau van overtuigingen, identiteitsbeleving en spiritualiteit.
Verandering vindt altijd plaats,
doordat op een hoger gelegen logisch niveau iets verandert.
Kortom, als we bepaalde vermogens
van de cliënt getraind hebben, zullen deze pas generaliseren en beklijven, als
de overtuigingen en identiteitsbeleving over dit nieuwe gedrag mee veranderen.
Overtuigingen veranderen soms mee, als we in de onderste niveaus iets
veranderen. Dit is het geval bij al die cliënten, die nieuw gedrag aanleren en
zelf hun weg vinden om het te gebruiken; ze passen hun overtuigingen
geleidelijk mee aan integreren deze in een nieuwe beleving van identiteit. We
zien dit bij voorbeeld bij kinderen met dysfonemieën; als het kind goed in
staat is de klank of klankverbinding te maken duurt het meestal nog enige tijd
voordat het ook werkelijk wordt
toegepast. Deze tijd is nodig voor het
kind om de nieuwe wijze van woordvorming te verbinden met het eigen gevoel van
identiteit; pas als het nieuwe gedrag past bij het beeld dat het kind heeft van
zichzelf, zal het tot consequente toepassing komen.
Veel andere cliënten echter komen
ergens op het niveau van overtuigingen en/of identiteit in conflict met het
nieuwe gedrag. Dan is het van belang dat de logopedist kan helpen herleiden op
grond van welke ideeën en overtuigingen de cliënt vastloopt. Vervolgens kan de
logopedist de cliënt zelf helpen veranderingen aan te brengen in zijn
overtuigingen, ofwel de doelstellingen van de therapie in overleg met de cliënt
aanpassen, ofwel vaststellen dat verwijzing naar een collega of een
psychotherapeut wenselijk is. In het voorbeeld van P. verliep de gewenste
verandering binnen de context van de logopedische relatie als volgt:
Voor de
volgende sessies met P. werd als doel gesteld het conflict tussen het nieuwe
gedrag en de eigen beleving van identiteit te verminderen. Ik zag hem eens
in de paar weken, waarin hij zelf bleef experimenteren met zijn nieuwe
gedrag in verschillende contexten. Telkens voerden we gesprekken, waarbij
ter discussie gesteld werd in hoeverre langzaam spreken werkelijk trager is
(zijn stottermomenten duurden uiteindelijk langer). We maten dat concreet,
hij vroeg feedback hierover aan mensen in zijn omgeving. Verder vroeg ik
hem in hoeverre hij aanpassing aan anderen en vriendelijkheid met elkaar
verwarde en discussieerden we over de mogelijkheid dat een keuze voor
zichzelf door anderen zelfs gewaardeerd zou kunnen worden. Provocatief
vroeg ik hem bijvoorbeeld wat hij eigenlijk vriendelijker vond: te blijven
stotteren op de oude manier (waar zijn luisteraars vrij heftig op
reageerden..) of zijn omgeving tegemoet te komen door zijn spreken wat aan
te passen. In dezelfde tijd werkten we aan een manier van spreken, die voor
zijn gevoel nog iets minder ver af stond van het beeld dat hij van zichzelf
had. In een tijdsbestek van een aantal maanden, waarin we in totaal 9 keer
bij elkaar kwamen, begon P. langzaam verder te veranderen. Toen we de
begeleiding stopten, streed P. nog regelmatig met zichzelf. Hij gebruikte
zijn vloeiender spreken echter toch steeds meer. Maar wat hij zelf nog
belangrijker vond, was dat hij zich vrijer voelde om te kiezen wanneer hij
zijn oude en zijn nieuwe spreken gebruikte. In de laatste sessie spraken we
nogmaals over de logische niveaus; het was duidelijk dat de vermogens en
het gedrag en de toepassing ervan in de omgeving nu veel beter pasten bij
het beeld dat P. had van zichzelf.
Het bewust zijn van en kunnen
werken met logische niveaus heeft betrekking op de belevingswereld van de
cliënt. Over het algemeen volstaat het in de logopedie om vanuit dit
perspectief de weerstand van de cliënt te benaderen. Af en toe echter raken we
als therapeut zelf in de optredende weerstand betrokken. Dit is het geval als
een cliënt een bepaalde emotie, weerstand, of beeld uit diens verleden op ons
als therapeut projecteert. Dit projecteren van gevoelens op de therapeut binnen
de therapeutische relatie wordt overdracht (12) genoemd.
Het komt veelvuldig voor, en het is belangrijk dat we ons als therapeuten
bewust zijn van dit verschijnsel. Het is bijvoorbeeld de weerstand die ontstaat
bij de cliënt als hij of zij in de therapeut zijn vader of moeder ziet of
hoort, of de weerstand die een ouder iemand onterecht tegen een veel jongere
therapeut (of omgekeerd) kan hebben. Het is met name ook de weerstand die in
langere therapeutische relaties waarin een bepaalde binding optreedt ontstaat;
bijvoorbeeld in de stottertherapie komt het regelmatig voor dat cliënten, die
door hun angst voor stotteren en door hun angst voor gedragsverandering heen
moeten gaan, een fase doormaken waarin ze weerstand voelen tegen hun therapeut.
Ook dit is een voorbeeld van overdracht. Als nu de therapeut zelf een tegenreactie
heeft op dit soort weerstand van de cliënt, dan spreken we over
tegenoverdracht. Overdracht en tegenoverdracht zijn bijna altijd de oorzaak van
negatieve gevoelens van de therapeut naar de cliënt en van de cliënt naar de
therapeut. Ze veroorzaken de meeste breuken tussen therapeuten en cliënten. In
positieve zin echter is overdracht ook het mechanisme waardoor de cliënt de
therapeut als een model ziet en van daaruit veel van hem of haar wil leren.
Als weerstand ontstaat ten
gevolge van overdracht is het altijd onbewust. De therapeut kan de cliënt
helpen uit zijn projecties te stappen, door het bewust als thema naar voren te
brengen en te belichten. Zodra de overdracht bewust is bij de cliënt verliest
het over het algemeen haar kracht en invloed en de weerstand verdwijnt of neemt
in ieder geval zienderogen af. Als de therapeut echter zelf met negatieve
gevoelens op de projecties van de cliënt reageert (tegenoverdracht), raken
zowel cliënt als therapeut verder verstrikt in toenemende weerstand naar elkaar
toe. In dat stadium kan vaak alleen nog een buitenstaander, bijvoorbeeld een
supervisor, de therapeut helpen deze negatieve cirkel te doorbreken.
Hoe meer de logopedist zich als
therapeut bewust is van de eigen persoonlijkheid, de sterke en zwakke kanten
daarin en de neiging om op bepaalde omstandigheden en cliënten heftiger te
reageren, des te sneller herkent de therapeut overdracht bij de cliënt en kan
stappen zetten om hier op goede wijze mee om te gaan. Daarom is het voor
logopedisten van belang op de hoogte te zijn van deze fenomenen, en er
bewust(er) in de therapie mee om te leren gaan.
Het vermogen van de logopedist om
weerstand van de cliënt tijdig op te kunnen merken, te kunnen plaatsen en er
efficiënt op te kunnen reageren, valt binnen het vakgebied counselling. Dit is
een relatief nieuw beroepsveld, dat zich duidelijk onderscheidt van
psychotherapie. Binnen de psychotherapie krijgen dieper liggende problemen in
vaak langere therapeutische relaties specifieke en diepgaande aandacht.
Counselling richt zich op het helpen veranderen van omstandigheden, gedragingen
en overtuigingen in een concrete context en met een concrete doelstelling (5).
Voor logopedisten en andere hulpverleners is het een belangrijke verrijking als
ze een goede basis als counsellor hebben, naast alle andere vakinhoudelijke
kennis. De volgende kennis en vaardigheden zijn daarbij wenselijk:
goed kunnen doorvragen, afstemmen
op de belevingswereld van de cliënt, bewust zijn van eigen neiging tot overdracht
en tegenoverdracht, interveniëren op verschillende logische niveaus, het
vaardig zijn in diverse therapeutische technieken om overtuigingen te helpen
veranderen, herkennen van en kunnen afstemmen op verschillende
persoonlijkheidstypen en een goed reflectievermogen aangaande de eigen
persoonlijke ontwikkeling.
Scholing van de logopedist
Hoewel men zich af kan vragen
waar de grenzen van de logopedist liggen en waar verwijzing naar psychotherapie
de aangewezen weg zou zijn, is het mijn persoonlijke mening dat de logopedist
in eerste instantie de aangewezen persoon is om ook op hogere logische niveaus
gedragsverandering te helpen ondersteunen. Niet in de laatste plaats omdat de
logopedist de verbinding tussen de hogere logische niveaus en de lagere als enige
kan leggen. Het blijkt dat psychologen en psychotherapeuten, daar waar het om
specifiek logopedische vermogens en gedrag gaat, vaak tekort schieten in het
concretiseren van hun hulp naar toepassingen in de praktijk.
Dat betekent dat hier een lans
gebroken wordt om binnen het vakgebied logopedie meer ruimte te maken voor
opleiding en training op het gebied van omgaan met weerstand en de daarvoor
benodigde counsellingvaardigheden.
Weerstand is een veelvoorkomend
verschijnsel binnen elk veranderingsproces en elke hulpverleningssituatie. Ook
in de logopedische praktijk komt weerstand in vele vormen bij cliënten voor. Het herkennen van deze vormen
en van de niveaus waarop weerstand optreedt, alsmede het op grond daarvan
plannen van interventies, zijn belangrijke vaardigheden. Deze vaardigheden
dragen bij aan de kwaliteit van het logopedisch handelen, zowel in de diepte
als in de breedte.
1.
Bateson, G., Steps to an Ecology of Mind. Ballantine, New York 1972.
2.
Bateson, G., Mind and Nature. Dutton, New York 1977.
3.
Boszormenyi-Nagy, I., Invisible
loyalties. Harper & Row, New York 1973
4.
Derks,
L. en Hollander, J., Essenties van NLP. Servire, Utrecht 1996
5.
Egan,
G., Deskundig hulpverlenen. Van
Gorcum, Assen
6.
Freud, S., Inleiding tot
de psychoanalyse. Wereldbibliotheek, Amsterdam 1967
7.
Geus, E. de, Ik stotter
gewoon. Stottercentrum Zwolle, Zwolle 1996
8.
Hellinger, B., Love’s
Hidden Symmetry. Zeig Tucker & Co, Phoenix Arizona 1998]
9.
Janssen, P., Gedragstherapie
bij stotteren. Bonn, Scheltema en Holkema, Utrecht 1985
10. Jung, G.G., Psychologie
en praktijk. Lemniscaat, Rotterdam 1985
11. Jung, G.G., Persoonlijkheid
en overdracht. Lemniscaat, Rotterdam 1985
12. Kalmthout, M.A. van, Psychotherapie, het bos en de
bomen, De Tijdstroom, Utrecht 1991
Eelco de Geus is logopedist en specialiseerde zich in
gedragstherapie, gezinstherapie, NLP, counselling en stottertherapie. Hij
werkte op diverse Hogescholen als docent logopedie en is oprichter van
Stottercentrum Zwolle. De laatste jaren breidde hij zijn werkterrein uit naar
de systemische therapie, en richtte het Instituut voor Systemische Opstellingen
op. Daarbinnen geeft hij seminars familie- en organisatieopstellingen. Binnen
het vakgebied logopedie geeft hij na- en bijscholing aan logopedisten op de
vakgebieden stottertherapie, counselling, NLP en systemisch werk. Hij is auteur
van het boekje ‘Ik stotter gewoon’ en schreef diverse artikelen over logopedie,
counselling en systemisch werk.