Logische niveaus in logopedisch handelen

                                                               

De logopedist als counsellor

 

 

 

Eelco de Geus

 

 

 

Samenvatting

 

Vakinhoudelijke kennis is belangrijk, maar volstaat niet voor effectief logopedisch handelen. In de therapeutische relatie met cliënten stuit men telkens weer op de weerstand die gepaard gaat met het willen veranderen van gedrag. In dit artikel wordt het begrip weerstand nader bekeken en gerelateerd aan verschillende niveaus van logopedisch handelen. Daarin wordt duidelijk dat succes bepaald wordt door de vaardigheid van de logopedist om als counsellor op een goede wijze met de weerstand tegen verandering om te kunnen gaan en deze op een positieve manier te kunnen gebruiken. 

 

Summary

 

Technical knowledge is important, but not sufficient for an optimal effect of speech therapy.

In the therapeutic relationship with clients we often meet the resistance that is related to the wish to change behaviour. In this article the concept ‘resistance’ is more closely reviewed and is being related to different logical levels in the process of speech therapy. That shows clearly how success in speech therapy depends also on  the counselling skills of the therapist, which are needed to deal with the resistance for change in a good way and to even use this resistance in a positive way.

 

Inleiding

 

Sommige cliënten zien we kort, de behandeling is doelgericht, efficiënt en succesvol en naar tevredenheid van zowel cliënt als therapeut wordt de behandeling afgerond. Net zo vaak komt het echter voor dat de logopedist stuit op weerstand; iets dat de cliënt weerhoudt om datgene wat hem of haar aangeboden wordt ofwel überhaupt aan te nemen, ofwel toe te passen in de praktijk, ofwel te generaliseren naar verschillende situaties en op te nemen in het repertoire van geautomatiseerd gedrag. Duidelijke voorbeelden daarvan komen we tegen in de behandeling van stotteren en stemstoornissen, maar eveneens bij de andere spraak- en taaltoornissen. Het is telkens weer een kunst voor de logopedist om deze weerstand tijdig te kunnen onderkennen, haar op waarde en functie te weten schatten en er vervolgens zo mee om te kunnen gaan, dat weerstand getransformeerd wordt tot motivatie.

 

In dit artikel wordt eerst nader ingegaan op het begrip weerstand, waardoor het een betekenis krijgt, die ons beter in staat stelt adequaat te reageren. Daarna wordt een model van logische niveaus geïntroduceerd, dat behulpzaam is bij het vaststellen van de oorzaak van weerstand en tevens aangeeft op welke verschillende manieren weerstand benaderd kan worden. Het vinden van de juiste afstemming op deze niveaus wordt vervolgens concreet gemaakt voor toepassing in de dagelijkse logopedische praktijk. Daarnaast worden de begrippen overdracht en tegenoverdracht in de therapeutische relatie toegelicht, als zijnde een belangrijke bron voor het ontstaan van weerstand.

 

Het kennen van deze begrippen en van daaruit kijken naar en omgaan met weerstand vraagt van de logopedist een andere, therapeutische ontwikkeling, die even belangrijk en soms zelfs belangrijker is dan de vakinhoudelijke scholing. Besproken wordt welke counselling- vaardigheden nodig zijn om als logopedist een effectieve therapeutische relatie aan te gaan, waarin weerstand van de cliënt een goede plaats heeft en van daaruit beter opgevangen kan worden.  

 

Uiteindelijk wordt een voorschot genomen op de consequenties die een dergelijke ontwikkeling als counsellor heeft voor de scholing van de logopedist.

 

Weerstand

 

De eerste vraag is natuurlijk; ‘Wat is weerstand?’ Dit is een vraag die vele grote psychotherapeuten van deze eeuw heeft bezig gehouden. ‘Een stand van afweer’, zou het woord kunnen betekenen, wat aangeeft dat iets blijkbaar bedreigend is en daarom afgeweerd moet worden. In therapie neemt deze veelvoorkomende afweer een dusdanig grote plaats in, dat sommigen beweren dat therapie eigenlijk alleen maar bestaat uit het ontdekken van de weerstand en er goede oplossingen voor te vinden. Freud (6) bijvoorbeeld beschreef weerstand als de natuurlijke en op instincten gebaseerde afweermechanismen van de mens tegen situaties waarin (vermeend) gevaar dreigt. Hij formuleerde zeven verschillende vormen van weerstand ofwel afweer, allen samenhangend met de verschillende drijfveren van de mens. Jung (10,11) ging een stap verder en zag weerstand meer als een conflicterend deel in de mens, dat onderdrukt en onbewust is en zich door middel van weerstand toont. Het in contact komen met en honoreren van deze onbewuste delen, zodat ze uiteindelijk in de mens geïntegreerd kunnen worden, zag hij als de belangrijkste taak van de psychotherapeut.  Daarmee nam Jung een min of meer positieve houding aan ten opzichte van het begrip weerstand, wat uiteindelijk door de meer holistische psychotherapeutische stromingen, zoals bijvoorbeeld de gestalttherapie en psychosynthese werd overgenomen.

 

De directeur van het Milton Erickson Instituut in Heidelberg, Gunther Schmidt, definieerde weerstand ooit als: ‘…..een kostbaar communicatie-aanbod van de cliënt om tot een gezamenlijke wijziging van de therapeutische context te komen’. Daarmee krijgt het begrip weerstand een connotatie die positief en daardoor beter benaderbaar en hanteerbaar voor de therapeut is.

 
 

 

 

 

 

De wortels van de logopedie liggen van oudsher echter in de gedragstherapie (8), waarin de innerlijke menselijke processen eigenlijk geen specifieke aandacht krijgen. Men spreekt in verband daarmee over een ‘black box’ en laat haar in principe buiten beschouwing. Men geeft een bepaalde input (stimulus) en kijkt hoe de respons daaraan gekoppeld is. Vervolgens traint of oefent men totdat aan dezelfde stimulus een andere respons gekoppeld is. En hoewel later aan dit simpele S-R model de O van organisme werd toegevoegd, is de aandacht voor de innerlijke processen van de mens altijd beperkt gebleven. Het is waarschijnlijk daarom, dat de gedragstherapie geen duidelijke modellen heeft ontwikkeld voor het omgaan met weerstand. Deze modellen kunnen dan ook het best geleend worden bij de ‘buren’ van de Jungiaanse, existentiële en holistische psychotherapieën.

 

In dit artikel wordt ervan uitgegaan, dat weerstand direct samengaat met (de wens of noodzaak voor) verandering. Men zou kunnen zeggen; de mens heeft zijn ideeën over de wereld en zijn gedragingen in de loop van zijn leven op een bepaalde manier ontwikkeld, die voor die omstandigheden en gezien vanuit de persoon zelf de meest efficiënte waren. Aan deze overtuigingen en dit gedrag is een bepaald gevoel van houvast, van zekerheid en van veiligheid verbonden. Op het moment dat omstandigheden veranderen en er om nieuw gedrag gevraagd wordt, treedt er in de mens een mechanisme in werking, dat de huidige situatie in stand wil houden. Therapie betekent de cliënt te helpen vanuit deze status-quo een nieuw beeld en nieuwe ideeën te vormen over een toekomst, waarin nieuw gedrag mogelijk is.

 

Logopedie is daarom niet zomaar een gedragstherapeutisch beroep; het is een vak waarin we af moeten stemmen op de huidige ideeën en gedragingen van cliënt. Van daaruit kunnen we hen helpen nieuwe beelden en ideeën te vormen over wat nog meer mogelijk is en wie ze nog meer zouden kunnen zijn, dan behalve wat ze nu op dit moment zijn en op dit moment doen. Dan kan het juiste bijbehorende gedrag daarin op relatief soepele en eenvoudige wijze zijn plaats innemen. Zolang echter gedrag getraind wordt dat niet werkelijk bij de overtuigingen van de cliënt past staan we oog in oog met de natuurlijke afweermechanismen van de cliënt. Vanuit dat oogpunt kan weerstand dan ook als feedback van de cliënt gezien worden die aangeeft dat iets niet passend is; een onbewuste vraag om aanpassing van de geboden hulp.

 

Logische niveaus

 

De antropoloog en filosoof Gregory Bateson (1,2), een uitmuntend onderzoeker en specialist in cybernetica (= stuurkunde, de leer van de automatische regelings- en communicatiemechanismen), was een man die uitermate geïnteresseerd was in de manier waarop mensen en systemen leren en veranderen. Hij vroeg zich af onder welke condities leren en verandering plaatsvindt en wanneer dit proces stagneert. Zonder het zo te benoemen onderzocht hij als het ware de bron van de weerstand die optreedt als we willen leren of veranderen.

 

Hij beschreef zes logische niveaus (4), die altijd een rol spelen in menselijk gedrag en menselijke ontwikkeling. Hieronder worden deze zes logische niveaus beschreven, met daarbij een voorbeeld uit de logopedische praktijk. Het gaat hier om een stotterende volwassen man, die binnen de therapie zijn spreken goed kan besturen. Daarbuiten durft hij zijn technische vaardigheden toe te passen. Na driekwart jaar therapie blijft hij echter terugvallen in zijn oude spreken en is daar zelf uitermate gefrustreerd over.

 

1.                  Het niveau van de omgeving

Elk gedrag vindt plaats in een specifieke omgeving. Concreet betekent dat: met bepaalde mensen, in een bepaalde materiële context. Materieel betekent hier: de fysieke plaats waar men is, de dingen die men om zich heen waarneemt, die men gebruikt of tot beschikking staan, zoals geld, hulpmiddelen, regelgeving, de organisatie waarin men werkt, enzovoort.

 

Vragen die bij dit niveau horen zijn:

·         Wat zijn de kenmerken van de omgeving, waarin bepaald gedrag toegepast wordt?

·         Wie zijn erbij aanwezig?

·         Waar precies vindt het gedrag plaats? En hoe lang?

P. past zijn nieuwe gedrag toe op zijn werk in spontane conversaties met collega’s en kan goed beschrijven met wie, hoe lang, en waar precies hij zijn nieuwe spreken toepast.

 
 

 

 

 

 


2.                  Het niveau van het gedrag

Hier gaat het om de exacte kenmerken van het gedrag dat in die bepaalde omgeving toegepast wordt. Vragen die bij dit niveau horen zijn:

·         wat doe je precies?

·         Wat doe je in die omgeving met name anders dan voorheen? 

 

P. stopt kort voor stottermomenten of in stottermomenten, houdt oogcontact en maakt een geleidelijke inzet van de eerste klank, herhalend of direct.

 
 

 

 

 

 


3.                  Het niveau van vermogens

De vraag is hier of men beschikt over de juiste vermogens om dit specifieke gedrag in die bepaalde omgeving toe te passen.

·         Welke vermogens heb je hiervoor nodig?

·         Heb je deze tot je beschikking?

 

Om zo te kunnen spreken heeft P. het vermogen nodig om stottermomenten te kunnen opmerken, ervoor of tijdens het moment te kunnen stoppen, oogcontact te maken en te houden en de techniek van geleidelijke steminzet toe te passen.

 
 

 

 

 

 


4.                  Het niveau van overtuigingen

Om deze vermogens aan te kunnen spreken, zodat dit gedrag in deze omgeving plaats kan vinden, dienen ze in overeenstemming te zijn met de waarden, normen en overtuigingen van cliënt:

·         Waarom is het belangrijk voor je?

·         Is wat je doet in overeenstemming met wat voor jou van belang is, met jouw waarden en normen?

 

P. vindt het belangrijk om beter te spreken. Hij is ervan overtuigd dat dit nieuwe spreken beter is dan het oude, dat het hem kan helpen, dat inzet leidt tot resultaten, hij vindt het essentieel dat mensen zichzelf kunnen en willen veranderen, hij vindt het belangrijk om communicatief sterker te worden, om zichzelf te overwinnen, kortom; alles lijkt in overeenstemming met zijn waarden, normen en overtuigingen. Vraag blijft: waarom doet hij het dan niet?

 
 

 

 

 

 

 

 

 


5.                  Het niveau van identiteit

Naast algemene overtuigingen, waarden en normen, bouwt de mens in de loop van zijn leven een gevoel van identiteit op. Dit zijn sterke overtuigingen, sommige bewust en vele minder bewust, die de beelden bepalen over wie we zijn en wat van daaruit wel of niet bij ons past.

·         Wat zeggen deze overtuigingen, die vermogens en dat gedrag in die omgeving over de persoon die je bent?

·         Is dat alles een uitdrukking van wie jij bent en waar jij in gelooft?

 

Hier komen we bij P. incongruentie tegen; dat wil zeggen dat hij aangeeft dat hij wel graag zou willen veranderen, maar dat het spreken dusdanig vertraagt, dat het niet meer past bij de persoon die hij is, ook in de ogen van anderen. Op de vraag wat voor persoon hij dan is antwoordt hij:’ ik ben een vriendelijk mens die anderen niet laat wachten’. Hier zien we de overtuiging en het gevoel die de bron zijn voor weerstand tegen dit nieuwe gedrag. En ook de positieve intentie daarachter: stel voor dat hij zijn gevoel van zekerheid (ik ben een vriendelijk mens die anderen niet laat wachten) zou moeten inleveren voor iets, dat volgens hem als volgt klinkt: ‘ik ben asociaal doordat ik van mensen eis dat ze geduld hebben met mijn langzame spreken’; begrijpelijk dat hij, zolang dit voor hem waar blijft, niet kan veranderen.

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


6.                  Het niveau van spiritualiteit

Een stap verder dan de eigen identiteit gaat het veelal onbewuste besef verbonden te zijn met anderen en de wereld om ons heen. Dat is een besef dat er iets is dat groter is dan wij, iets dat uitstijgt boven de eigen beleving van identiteit en dat ons in hoge mate beïnvloedt. Volgens Bateson maakt dit (onbewuste) besef deel uit van het menselijk bewustzijn en is van zeer grote invloed op alle menselijk gedrag. In termen van verbondenheid met de wereld om ons heen, gaat het hierbij bijvoorbeeld om de plaats die we innemen in onze familie en onze inbedding daarin (8). Verder betreft het de plaats die we innemen temidden van anderen in de maatschappij en hoe we ons verhouden tot ons land, andere culturen, de wereld, de natuur, en, voor velen, het goddelijke. Reden om hier uitgebreid bij stil te staan, is het feit dat het juist deze verbondenheid is, die ons gedrag in hoge mate aanstuurt en bepaalt en die onze verandermogelijkheden in even hoge mate inperkt.

Een voorbeeld daarvan is hoe een mens totaal van gedrag kan veranderen als hij toetreedt tot een bepaald geloof, of hoe cultuur bepalend is voor het gedrag van mensen.  Dit heeft alles te maken met de loyaliteit die mensen voelen naar de voor hen belangrijke systemen (3). Als iets in strijd is met dit gevoel van loyaliteit, bedreigt het in het gevoel direct de bestaanszekerheid.

Hierover sprekend met P. refereert hij naar zijn familie, en hoe assertief zijn niet erg bij zijn imago past en het beeld dat anderen in de familie van hem hebben. Als hij zich voorstelt het nieuwe gedrag in zijn familie te tonen, krijgt hij het warm en ziet de gezichten van zijn familieleden voor zich. Zijn loyaliteit naar de plaats in de familie is een belangrijke bron van de weerstand tegen gedragsverandering.

 
 

 

 

 

 

 

 

 


Schematisch wordt het model van logische niveaus als onderstaand afgebeeld. De twee kruisende lijnen geven aan dat wat zich onder het kruispunt bevindt zich binnen de persoonlijke psychologie afspeelt, en dat boven de kruisende lijnen de verbondenheid met de wereld buiten de persoon zelf een grote rol speelt. Deze verbondenheid is voor een groot deel onbewust en overstijgt de bewuste beleving van de persoonlijke identiteit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


                                           

2.Gedrag

 

1.Omgeving

 
Tekstvak: Bewuste
dagelijkse
realiteit
 

 

 

 

 

 

 

 

 


Afstemmen op logische niveaus in de logopedie

 

In het bovenstaande is, mede door het daarbij beschreven voorbeeld, duidelijk geworden hoe weerstand herleid kan worden tot een probleem op een of meer van de logische niveaus.

 

Binnen de logopedie zijn we gewend te werken op de onderste drie niveaus: omgeving, gedrag en vermogens. De weerstand die we tegenkomen in de logopedische praktijk ligt meestal echter op het niveau van overtuigingen, identiteitsbeleving en spiritualiteit.

 

Verandering vindt altijd plaats, doordat op een hoger gelegen logisch niveau iets verandert.

Kortom, als we bepaalde vermogens van de cliënt getraind hebben, zullen deze pas generaliseren en beklijven, als de overtuigingen en identiteitsbeleving over dit nieuwe gedrag mee veranderen. Overtuigingen veranderen soms mee, als we in de onderste niveaus iets veranderen. Dit is het geval bij al die cliënten, die nieuw gedrag aanleren en zelf hun weg vinden om het te gebruiken; ze passen hun overtuigingen geleidelijk mee aan integreren deze in een nieuwe beleving van identiteit. We zien dit bij voorbeeld bij kinderen met dysfonemieën; als het kind goed in staat is de klank of klankverbinding te maken duurt het meestal nog enige tijd voordat het ook werkelijk  wordt toegepast.  Deze tijd is nodig voor het kind om de nieuwe wijze van woordvorming te verbinden met het eigen gevoel van identiteit; pas als het nieuwe gedrag past bij het beeld dat het kind heeft van zichzelf, zal het tot consequente toepassing komen.

 

Veel andere cliënten echter komen ergens op het niveau van overtuigingen en/of identiteit in conflict met het nieuwe gedrag. Dan is het van belang dat de logopedist kan helpen herleiden op grond van welke ideeën en overtuigingen de cliënt vastloopt. Vervolgens kan de logopedist de cliënt zelf helpen veranderingen aan te brengen in zijn overtuigingen, ofwel de doelstellingen van de therapie in overleg met de cliënt aanpassen, ofwel vaststellen dat verwijzing naar een collega of een psychotherapeut wenselijk is. In het voorbeeld van P. verliep de gewenste verandering binnen de context van de logopedische relatie als volgt:

 

Voor de volgende sessies met P. werd als doel gesteld het conflict tussen het nieuwe gedrag en de eigen beleving van identiteit te verminderen. Ik zag hem eens in de paar weken, waarin hij zelf bleef experimenteren met zijn nieuwe gedrag in verschillende contexten. Telkens voerden we gesprekken, waarbij ter discussie gesteld werd in hoeverre langzaam spreken werkelijk trager is (zijn stottermomenten duurden uiteindelijk langer). We maten dat concreet, hij vroeg feedback hierover aan mensen in zijn omgeving. Verder vroeg ik hem in hoeverre hij aanpassing aan anderen en vriendelijkheid met elkaar verwarde en discussieerden we over de mogelijkheid dat een keuze voor zichzelf door anderen zelfs gewaardeerd zou kunnen worden. Provocatief vroeg ik hem bijvoorbeeld wat hij eigenlijk vriendelijker vond: te blijven stotteren op de oude manier (waar zijn luisteraars vrij heftig op reageerden..) of zijn omgeving tegemoet te komen door zijn spreken wat aan te passen. In dezelfde tijd werkten we aan een manier van spreken, die voor zijn gevoel nog iets minder ver af stond van het beeld dat hij van zichzelf had. In een tijdsbestek van een aantal maanden, waarin we in totaal 9 keer bij elkaar kwamen, begon P. langzaam verder te veranderen. Toen we de begeleiding stopten, streed P. nog regelmatig met zichzelf. Hij gebruikte zijn vloeiender spreken echter toch steeds meer. Maar wat hij zelf nog belangrijker vond, was dat hij zich vrijer voelde om te kiezen wanneer hij zijn oude en zijn nieuwe spreken gebruikte. In de laatste sessie spraken we nogmaals over de logische niveaus; het was duidelijk dat de vermogens en het gedrag en de toepassing ervan in de omgeving nu veel beter pasten bij het beeld dat P. had van zichzelf.

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Overdracht en tegenoverdracht

 

Het bewust zijn van en kunnen werken met logische niveaus heeft betrekking op de belevingswereld van de cliënt. Over het algemeen volstaat het in de logopedie om vanuit dit perspectief de weerstand van de cliënt te benaderen. Af en toe echter raken we als therapeut zelf in de optredende weerstand betrokken. Dit is het geval als een cliënt een bepaalde emotie, weerstand, of beeld uit diens verleden op ons als therapeut projecteert. Dit projecteren van gevoelens op de therapeut binnen de therapeutische relatie wordt overdracht (12) genoemd. Het komt veelvuldig voor, en het is belangrijk dat we ons als therapeuten bewust zijn van dit verschijnsel. Het is bijvoorbeeld de weerstand die ontstaat bij de cliënt als hij of zij in de therapeut zijn vader of moeder ziet of hoort, of de weerstand die een ouder iemand onterecht tegen een veel jongere therapeut (of omgekeerd) kan hebben. Het is met name ook de weerstand die in langere therapeutische relaties waarin een bepaalde binding optreedt ontstaat; bijvoorbeeld in de stottertherapie komt het regelmatig voor dat cliënten, die door hun angst voor stotteren en door hun angst voor gedragsverandering heen moeten gaan, een fase doormaken waarin ze weerstand voelen tegen hun therapeut. Ook dit is een voorbeeld van overdracht. Als nu de therapeut zelf een tegenreactie heeft op dit soort weerstand van de cliënt, dan spreken we over tegenoverdracht. Overdracht en tegenoverdracht zijn bijna altijd de oorzaak van negatieve gevoelens van de therapeut naar de cliënt en van de cliënt naar de therapeut. Ze veroorzaken de meeste breuken tussen therapeuten en cliënten. In positieve zin echter is overdracht ook het mechanisme waardoor de cliënt de therapeut als een model ziet en van daaruit veel van hem of haar wil leren.

 

Als weerstand ontstaat ten gevolge van overdracht is het altijd onbewust. De therapeut kan de cliënt helpen uit zijn projecties te stappen, door het bewust als thema naar voren te brengen en te belichten. Zodra de overdracht bewust is bij de cliënt verliest het over het algemeen haar kracht en invloed en de weerstand verdwijnt of neemt in ieder geval zienderogen af. Als de therapeut echter zelf met negatieve gevoelens op de projecties van de cliënt reageert (tegenoverdracht), raken zowel cliënt als therapeut verder verstrikt in toenemende weerstand naar elkaar toe. In dat stadium kan vaak alleen nog een buitenstaander, bijvoorbeeld een supervisor, de therapeut helpen deze negatieve cirkel te doorbreken.

Hoe meer de logopedist zich als therapeut bewust is van de eigen persoonlijkheid, de sterke en zwakke kanten daarin en de neiging om op bepaalde omstandigheden en cliënten heftiger te reageren, des te sneller herkent de therapeut overdracht bij de cliënt en kan stappen zetten om hier op goede wijze mee om te gaan. Daarom is het voor logopedisten van belang op de hoogte te zijn van deze fenomenen, en er bewust(er) in de therapie mee om te leren gaan.

 

De logopedist als counsellor

 

Het vermogen van de logopedist om weerstand van de cliënt tijdig op te kunnen merken, te kunnen plaatsen en er efficiënt op te kunnen reageren, valt binnen het vakgebied counselling. Dit is een relatief nieuw beroepsveld, dat zich duidelijk onderscheidt van psychotherapie. Binnen de psychotherapie krijgen dieper liggende problemen in vaak langere therapeutische relaties specifieke en diepgaande aandacht. Counselling richt zich op het helpen veranderen van omstandigheden, gedragingen en overtuigingen in een concrete context en met een concrete doelstelling (5). Voor logopedisten en andere hulpverleners is het een belangrijke verrijking als ze een goede basis als counsellor hebben, naast alle andere vakinhoudelijke kennis. De volgende kennis en vaardigheden zijn daarbij wenselijk:

goed kunnen doorvragen, afstemmen op de belevingswereld van de cliënt, bewust zijn van eigen neiging tot overdracht en tegenoverdracht, interveniëren op verschillende logische niveaus, het vaardig zijn in diverse therapeutische technieken om overtuigingen te helpen veranderen, herkennen van en kunnen afstemmen op verschillende persoonlijkheidstypen en een goed reflectievermogen aangaande de eigen persoonlijke ontwikkeling.

 

Scholing van de logopedist

 

Hoewel men zich af kan vragen waar de grenzen van de logopedist liggen en waar verwijzing naar psychotherapie de aangewezen weg zou zijn, is het mijn persoonlijke mening dat de logopedist in eerste instantie de aangewezen persoon is om ook op hogere logische niveaus gedragsverandering te helpen ondersteunen. Niet in de laatste plaats omdat de logopedist de verbinding tussen de hogere logische niveaus en de lagere als enige kan leggen. Het blijkt dat psychologen en psychotherapeuten, daar waar het om specifiek logopedische vermogens en gedrag gaat, vaak tekort schieten in het concretiseren van hun hulp naar toepassingen in de praktijk.

Dat betekent dat hier een lans gebroken wordt om binnen het vakgebied logopedie meer ruimte te maken voor opleiding en training op het gebied van omgaan met weerstand en de daarvoor benodigde counsellingvaardigheden.

 

Conclusie

 

Weerstand is een veelvoorkomend verschijnsel binnen elk veranderingsproces en elke hulpverleningssituatie. Ook in de logopedische praktijk komt weerstand in vele vormen bij  cliënten voor. Het herkennen van deze vormen en van de niveaus waarop weerstand optreedt, alsmede het op grond daarvan plannen van interventies, zijn belangrijke vaardigheden. Deze vaardigheden dragen bij aan de kwaliteit van het logopedisch handelen, zowel in de diepte als in de breedte.

 

Literatuur

 

1.                  Bateson, G., Steps to an Ecology of Mind. Ballantine, New York 1972.

2.        Bateson, G., Mind and Nature. Dutton, New York 1977.

3.        Boszormenyi-Nagy, I.,  Invisible loyalties. Harper & Row, New York 1973

4.        Derks, L. en Hollander, J., Essenties van NLP. Servire, Utrecht 1996

5.        Egan, G., Deskundig hulpverlenen. Van Gorcum, Assen

6.        Freud, S., Inleiding tot de psychoanalyse. Wereldbibliotheek, Amsterdam 1967

7.        Geus, E. de, Ik stotter gewoon. Stottercentrum Zwolle, Zwolle 1996

8.        Hellinger, B., Love’s Hidden Symmetry. Zeig Tucker & Co, Phoenix Arizona 1998]

9.        Janssen, P., Gedragstherapie bij stotteren. Bonn, Scheltema en Holkema, Utrecht 1985

10.    Jung, G.G.,  Psychologie en praktijk. Lemniscaat, Rotterdam 1985

11.    Jung, G.G.,  Persoonlijkheid en overdracht. Lemniscaat, Rotterdam 1985

12.    Kalmthout, M.A. van, Psychotherapie, het bos en de bomen, De Tijdstroom, Utrecht 1991

 

 

Over de auteur

 

Eelco de Geus is logopedist en specialiseerde zich in gedragstherapie, gezinstherapie, NLP, counselling en stottertherapie. Hij werkte op diverse Hogescholen als docent logopedie en is oprichter van Stottercentrum Zwolle. De laatste jaren breidde hij zijn werkterrein uit naar de systemische therapie, en richtte het Instituut voor Systemische Opstellingen op. Daarbinnen geeft hij seminars familie- en organisatieopstellingen. Binnen het vakgebied logopedie geeft hij na- en bijscholing aan logopedisten op de vakgebieden stottertherapie, counselling, NLP en systemisch werk. Hij is auteur van het boekje ‘Ik stotter gewoon’ en schreef diverse artikelen over logopedie, counselling en  systemisch werk.