De Druivenplant

De druivenplant bestaat meestal uit 2 planten: de onderstam en de plant zelf.

De onderstam (het gedeelte wat in de grond zit, en waar de wortels aan zitten) is veelal een variant van een Amerikaanse druivensoort. Deze druivensoort is goed bestand tegen eventuele ziektes die uit de bodem komen (bijvoorbeeld druifluis). Daarnaast kunnen de onderstammen specifiek voor de grondsoort zijn. Een plant die op zandgrond staat heeft een andere wortelgroei nodig dat een plant die op de klei staat. Onderstammen hebben mooie namen, zoals SO4, Binova, Borner, 125AA.

Bovenop de onderstam wordt dan de bovengrondse plant geënt, waar de druiven uiteindelijk aan zullen groeien. Hiervan zijn natuurlijk zeer veel verschillende druivenrassen mogelijk. Rood, wit, beetje rood, donkerrood, zuur, fruitig. 

Voor Nederland is het van belang dat het een druivenras is die geschikt is voor ons klimaat. Daarom zal je in Nederland bijna altijd andere druivenrassen tegenkomen dan bijvoorbeeld in zuid Frankrijk, Italië of Spanje. Ondanks alle geruchten dat het de laatste jaren steeds warmer in Nederland wordt, zal een druif uit Spanje hier nooit volledig rijp worden.

In instituten in bijvoorbeeld Duitsland worden steeds nieuwe druivenrassen ontwikkeld. De nieuwe druivenrassen zijn dan kruisingen tussen bestaande rassen. Als een kruising goed aanslaat en groeit wordt en gekeken naar de druiven die de nieuwe kruising produceert, wat voor een wijn er van gemaakt kan worden, maar ook hoe resistent de plant is tegen ziektes. Onder de druk om steeds milieuvriendelijker druiven te kunnen telen is dit laatste natuurlijk ook een belangrijk kenmerk van de plant. Bij sommige druivensoorten is het eigenlijk helemaal niet meer nodig om te spuiten tegen ziektes, bij andere soorten slecht enkele keren.