Kunt u geen HTML E-mail ontvangen of werken de links niet?
Lees dan de Raadpleger
online.


In deze editie:


1. Voorwoord
2. Wijziging administratieve kostenvergoeding bij ambtshalve toevoeging en voorschotregeling
3. Tweewekelijkse betaling voor advocaten die niet deelnemen aan de voorschotregeling
4. Indexering basisbedrag Besluit vergoedingen rechtsbijstand per 1 juli 2008
5. Resultaatsbeoordeling
6. Bezwaar pardonregeling
7. Toevoeging voorbereiding nader gehoor
8. Omzetting reguliere toevoeging naar Lichte Advies Toevoeging
9. Bereik toevoeging OTS/UHP
10. Belanghebbende in bezwaar en/of beroep
11. Harmonisering beleid extra urenzaken
12. Afschaffing wettelijk verplichte procureur per 1 september 2008
13. Inschrijving psychiatrisch patiëntenrecht en deelname aan het psychiatrisch patiëntenpiket en toetsing voorwaarden voortzetting inschrijving
14. Informatiecentrum Rechtspraak Rotterdam
15. Vragen en/of opmerkingen

Jaargang 3, Editie 5 - juli 2008

1. Voorwoord

Het is al weer enige tijd geleden dat ik u via dit voorwoord heb geïnformeerd over de voorgenomen bezuinigingen op het budget voor de gesubsidieerde rechtsbijstand.

Inmiddels is bekend hoe de bezuiniging van 10 miljoen euro in 2008 wordt gevonden: vermindering van de voorschotregeling met 25 % en de afschaffing van de administratieve vergoeding bij ambtshalve toevoegingen. U bent hierover al schriftelijk geïnformeerd en ook in deze nieuwsbrief wordt hierover mededeling gedaan..Uiteraard zijn dit geen plezierige maatregelen, maar het had erger gekund.

De vraag rijst nu hoe het verder gaat met de voorgenomen bezuiniging van 50 miljoen euro vanaf 2009. De Staatssecretaris van Justitie heeft daartoe het programma 'duurzame en toegankelijke rechtsbijstand' laten ontwikkelen. Dit programma beoogt om, in samenspraak met de belanghebbenden, fundamentele verbetervoorstellen te ontwikkelen voor het stelsel. Hierbij zal met een open en brede benadering gekeken worden naar mogelijke oplossingsrichtingen. Daarbij moeten concrete voorstellen worden gedaan om te komen tot realisatie van de bezuiniging. De opzet is om in nauwe samenspraak met de organisaties uit het maatschappelijke veld, overheid en wetenschap beleidsalternatieven te ontwikkelen, die het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand en de toegang tot het recht in brede zin goedkoper, sneller en beter kunnen maken. Dit traject is inmiddels afgerond. Het heeft geresulteerd in ruim twintig voorstellen. De verantwoordelijke regiegroep moet dit nu alles verwerken in een voorstel met werkbare alternatieven aan de staatssecretaris. De staatssecretaris zal vervolgens keuzes moeten maken en dit meedelen aan de Tweede Kamer. Naar verwachting zal dit in de zomermaanden gaan gebeuren. Het is dus even afwachten waarmee zij zal komen.

Ik wil hier wel enige persoonlijke observaties kwijt.
Ik heb zelf ook deelgenomen aan het programma 'duurzame en toegankelijke rechtsbijstand' en het viel mij op dat, in tegenstelling tot de opzet van het programma, belangrijke ketenpartners geheel of vrijwel geheel ontbraken. In het bijzonder het OM en de rechterlijke macht waren vrijwel geheel afwezig. Ik betreur dit, want het was een unieke gelegenheid om binnen de justitiële keten alle betrokken partners met elkaar te laten overleggen over betere onderlinge afstemming. Ten tweede is mij opgevallen dat veel van de voorstellen die uit het traject zijn voortgekomen een hoge mate van abstractie hebben en veelal grote culturele veranderingen impliceren. Ik vraag mij af of zij kunnen resulteren in concrete beleidsalternatieven. In het algemeen zou ik nog willen opmerken dat het zeker nuttig is de werking van het stelsel fundamenteel te bezien. Dit kan altijd leiden tot voorstellen die toegang tot het recht bevorderen en de transparantie vergroten. Als dit maar niet geschiedt met de vooropgezette intentie dat er in ieder geval 50 miljoen euro moet worden bezuinigd op het budget gesubsidieerde rechtsbijstand.

Tot slot even kort over de fusie tussen de raden voor rechtsbijstand. Intern wordt hard gewerkt om dit mogelijk te maken. Het is de bedoeling dat tegen het eind van dit jaar die ene raad voor rechtsbijstand feitelijk wordt gerealiseerd. De vijf kantoren blijven bestaan en er komt een centraal kantoor in Utrecht. U zult hierover later meer horen, maar het lijkt mij goed u nu vast mee te delen dat de fusie nog op schema ligt.

drs. J. van Dijk,
directeur


2. Wijziging administratieve kostenvergoeding bij     ambtshalve toevoeging en voorschotregeling

Bij besluit van 19 mei 2008 (gepubliceerd in Staatsblad 2008, 170 van 27 mei 2008), houdende aanpassing van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr), is een aantal artikelen gewijzigd.

Aan artikel 27 Bvr is een tweede lid toegevoegd waarin is vermeld dat de vergoeding voor de administratieve kosten niet wordt toegekend in gevallen waarin op grond van de wet aan een rechtzoekende op last van de rechter een raadsman wordt toegevoegd door de raad.

Daarnaast is artikel 35 Bvr, welke ziet op de voorschotregeling, gewijzigd. Het kwartaalvoorschot is verlaagd naar 75 procent van het normbedrag.

Voorgaande wijzigingen houden verband met de in het financieel kader van het Coalitieakkoord van 7 februari 2007 aangekondigde taakstelling op de gesubsidieerde rechtsbijstand en hebben uiteindelijk tot doel een bezuiniging van € 10 miljoen te realiseren.

De wijzigingen zijn in werking getreden vanaf 1 juni jl.


3. Tweewekelijkse betaling voor advocaten die niet     deelnemen aan de voorschotregeling

De raden voor rechtsbijstand hebben besloten om met ingang van heden voor advocaten die niet deelnemen aan de voorschotregeling de betalingsfrequentie van vastgestelde vergoedingen te verhogen van maandelijks naar tweewekelijks. De raad hoopt daarmee tegemoet te komen aan de wensen van veel rechtsbijstandverleners.

De raad roept advocaten en mediators op om het indienen van declaraties niet op te sparen maar deze zoveel mogelijk te spreiden. Op deze manier wordt de instroom van declaraties beter beheersbaar en kan aan u als rechtsbijstandverlener meer de garantie worden gegeven welke zaken al dan niet worden meegenomen met de tweewekelijkse betaling of de betaling van het voorschot.


4. Indexering basisbedrag Besluit vergoedingen     rechtsbijstand per 1 juli 2008

Per 1 juli jl. is het basisbedrag aangepast. Het bedrag is geïndexeerd naar
€ 107,02 (was € 103,19) en is van toepassing op alle toevoegingen (inclusief LAT) die zijn afgegeven na 30 juni 2008. Het nieuwe basisbedrag is ook van toepassing op vergoedingen van piketzaken waarbij de rechtsbijstand is verleend na 30 juni 2008.

Ook de vergoeding voor administratieve kosten is als gevolg van de indexering verhoogd naar € 17,63 (was € 17,00). Het nieuwe bedrag is van toepassing op toevoegingen die zijn verleend na 30 juni 2008. Sinds 1 juni 2008 wordt geen vergoeding voor administratieve kosten meer toegekend bij toevoegingen die op last zijn afgegeven (zie ook punt 2 in deze nieuwsbrief).


5. Resultaatsbeoordeling

De raden hebben op www.rvr.org de bijgewerkte richtlijnen resultaatsbeoordeling gepubliceerd. Een aantal punten is verduidelijkt:

  • In het geval waarin er (hoger) beroep of cassatie wordt ingesteld, wordt de toevoeging voor de voorafgaande instantie zonder resultaatsbeoordeling op de gebruikelijke wijze vastgesteld. De resultaatsbeoordeling zal zich in dat geval uitsluitend uitstrekken tot de laatst afgegeven toevoeging waaronder de zaak alsnog wordt beëindigd. Er wordt op deze regel één uitzondering gemaakt:
    Wordt er bij een echtscheiding alleen over de alimentatie of over de omgang geprocedeerd in hoger beroep of cassatie dan wordt wel beoordeeld of er in de fase die door de voorafgaande toevoeging werd bestreken sprake is geweest van een resultaat (denk hierbij aan afwikkeling van de boedelscheiding). In geval het ingestelde hoger beroep of cassatie niet wordt doorgezet, zal alsnog over de voorgaande aanleg een resultaatsbeoordeling moeten plaatsvinden.
  • Informatie over de opbrengst van de zaak zal verkregen moeten worden uit de beantwoording van vraag 5 van de toevoegingsdeclaratie en uit de bij de declaratie over te leggen stukken, zoals een vonnis, een beslissing op een bezwaarschrift, een convenant of mogelijk uit begeleidende correspondentie. NB: er dienen dus altijd stukken meegestuurd te worden waaruit de financiële afwikkeling/verdeling van de zaak blijkt. Om de verantwoording in personen- en familiezaken te vergemakkelijken is er een formulier ontwikkeld: Resultaatsbeoordeling in personen- en familiezaken. Dit formulier moet als bijlage bij de declaratie meegezonden worden. Het formulier is opgenomen onder de downloads voor rechtsbijstandverleners op de website van de raden.
  • Er moet een directe relatie zijn tussen de verleende rechtsbijstand en de opbrengst.
    De wetgever heeft een eenvoudige beoordeling voor ogen gehad, die zich concentreert op het resultaat van de zaak. Derhalve blijft de verdere inkomens- en vermogenssituatie van de rechtzoekende geheel buiten beschouwing. De aanwezigheid van ander vermogen of het hebben van schulden doet derhalve niet terzake. Indien er door partijen voorafgaand aan of tijdens de echtscheidingsprocedure afspraken zijn gemaakt ter verdeling van het vermogen welke onlosmakelijke met de echtscheidingsprocedure zijn verbonden, kan het onverdeelde vermogen bij de beoordeling in ogenschouw worde genomen. M.a.w.: het maakt niet uit of de boedelscheiding na afloop van de procedure plaatsvindt of dat daarop door partijen reeds is geanticipeerd.
  • Het resultaat van de zaak moet bestaan uit een geldsom of een vordering met betrekking tot een geldsom.
    Volgens de Memorie van Toelichting telt de waarde van goederen die de rechtzoekende ontvangt niet mee voor de resultaatsbeoordeling. In dat verband valt te denken aan de waarde van onroerende zaken: zoals grond, een pand, een woning, een auto, een caravan, meubels, sieraden, antiek etc..
    NB: Bij en echtscheidingsprocedure wordt een betaling/vordering wegens overbedeling en de opbrengst van de verkoop van de eigen woning tijdens de echtscheidingsprocedure wel als resultaat aangemerkt. In het geval waarin partijen bij en echtscheidingstoevoeging zich verzoenen, is een resultaatsbeoordeling niet aan de orde, omdat partijen als resultaat van de zaak geen (vordering op een) geldsom krijgen.
  • Bij het bepalen van de hoogte van de geldsom gaat het om het netto bedrag dat wordt uitgekeerd, bijvoorbeeld loon na aftrek van loonheffing en premies. Betalingen ineens of vorderingen op betaling ineens, met terugwerkende kracht, van eerder te ontvangen periodieke bedragen (loon, uitkering, alimentatie) worden wel in aanmerking genomen. Indien het resultaat ertoe leidt dat rechtzoekende ook gehouden is tot terugbetaling van loon- of inkomensvervangende uitkeringen dan worden deze terugbetalingen tevens als (negatief) resultaat van de zaak beschouwd, mits deze uitkeringen betrekking hebben op dezelfde periode en de terugbetaling is aangetoond. Hieronder valt niet een terugbetaling van een onderhandse lening van familie.
  • Er is géén sprake van zwaarwegende omstandigheden indien:
  • de rechtzoekende de opbrengst van de zaak voor een bepaald doel wil bestemmen of al heeft bestemd, zoals:
    • de aflossing van een schuld. N.B.: dit laatste is alleen anders in het geval boedelscheiding. Voorzover de rechtzoekende met de aan hem of haar toevallende opbrengsten/positieve vermogensbestanddelen huwelijkse schulden af moet lossen, wordt daarmee bij de vaststelling van de hoogte van het resultaat rekening gehouden. Dat vloeit voort uit het karakter van de boedelscheiding, waarbij immers een conglomeraat van bezittingen en schulden wordt verdeeld.
    • Specifieke uitgaven zoals de aankoop van een woning of andere goederen;
    • Een pensioenvoorziening.
  • De rechtzoekende een vordering heeft en nog niet over de desbetreffende geldsom kan beschikken. Dit wil niet zeggen dat er sprake is van zwaarwegende omstandigheden. De wettekst spreekt immers duidelijk over een vordering. Dit speelt onder andere bij het te koop staan van een woning. In dat geval kan afgerekend worden op basis van de vraagprijs minus de hypotheek of op basis van de WOZ-waarde minus de hypotheek.
  • Van zwaarwegende omstandigheden kan pas worden gesproken indien een vordering of geldsom oninbaar is, bijvoorbeeld vanwege faillissement of omdat conservatoir derdenbeslag is gelegd op de geldsom c.q. de vordering, waardoor de geldsom niet binnen afzienbare tijd beschikbaar is. Ook kan van zwaarwegende omstandigheden sprake zijn indien het resultaat niet binnen afzienbare termijn beschikbaar komt omdat de rechter heeft bepaald dat schadevergoeding/smartengeld in termijnen mag worden betaald. Eén en ander moet aannemelijk worden gemaakt, bijvoorbeeld met een vonnis of een brief van de deurwaarder.
  • In geval de rechtzoekende bezwaar maakt tegen de intrekking van de toevoeging en de zaak wordt herzien, Zal de advocaat worden geïnformeerd, omdat hij of zij in dit geval belanghebbende kan zijn.


6. Bezwaar pardonregeling

De raden hebben het toevoegbeleid terzake de pardonregeling eerder uiteengezet. Gaandeweg is het terzake gehanteerde toevoegbeleid op onderdelen nader ingevuld.

Vanwege het feit dat de vergunning in het kader van de pardonregeling ambtshalve wordt verleend, geldt onverkort als hoofdregel dat in beginsel niet wordt toegevoegd. Ingevolge artikel 8 lid 2 Brt kan in afwijking van de hoofdregel wel een toevoeging in het kader van de pardonregeling worden afgegeven, indien de bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van het geval dat vereist. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat de IND gedurende de ambthalve beoordeling nadere informatie vraagt over de juistheid van de identiteit van de vreemdeling. Afwijking van de hoofdregel kan overigens pas aan de orde zijn, indien de feitelijke of juridisch ingewikkeldheid van de zaak voldoende is gedocumenteerd en toegelicht.
Ook kan afwijking van de hoofdregel aan de orde zijn indien de IND via een schriftelijk document aan de rechtzoekende kenbaar maakt, waarom hij of zij niet in aanmerking komt voor de Generaal Pardonregeling. De raden zijn van mening dat in een dergelijk geval een toevoeging in beginsel is geïndiceerd, omdat van een rechtzoekende in dat geval niet verwacht kan worden dat hij/zij in deze zelf zijn belangen kan behartigen. De aanvragende advocaat dient in dat geval wel aan te geven, op grond waarvan hij meent dat hij het besluit succesvol kan aanvechten. Hierbij gaat het niet zozeer om de vraag of er wel of niet bezwaar open staat tegen de minuut / het schriftelijke document. Er moet wel nader worden toegelicht op welke gronden de rechtzoekende tot de pardonregeling moet worden toegelaten.


7. Toevoeging voorbereiding nader gehoor

De centrale plankamer van de SRAN distribueert vervolgzaken (na aanmelding in het AC) aan deelnemende rechtsbijstandverleners ten behoeve van voorbereiding van het nader gehoor.
Sinds 1 januari 2008 worden deze zaken niet meer op het rechtsbijstandkantoor, maar op het kantoor van de advocaat zelf behandeld. Reden hiervoor is dat de SRAN wordt opgeheven en de rechtsbijstandkantoren daarmee eenvoudigweg niet meer beschikbaar zijn.

Wat blijft is dat de werkzaamheden in het kader van voorbereiding nader gehoor net als voorheen vallen onder het toevoegmoment aanvraag c.q. voornemen.

Omdat het hier een voorbereiding betreft, kan niet een nader gehoor verslag of voornemen worden overgelegd bij de toevoegingsaanvraag. Voldoende is dat wordt aangetoond dat 'er een zaak en een cliënt is'. Dit kan worden aangetoond met een verklaring van de centrale plankamer dat cliënt ('vermelding persoonsgegevens cliënt') voor rechtsbijstand ('voorbereiding nader gehoor óf nabespreken nader gehoor') is doorverwezen naar de advocaat.


8. Omzetting reguliere toevoeging naar Lichte Advies     Toevoeging

Vooruitlopend op de stelselwijziging, waarbij de Stichtingen Rechtsbijstand worden opgeheven en de juridische loketten in de Wrb worden opgenomen, is de lichte adviestoevoeging ingevoerd.

Het is in eerste instantie aan de rechtsbijstandverlener, om te beoordelen of sprake is van een licht advies of dat de zaak uitgebreidere werkzaamheden omvat, indien er sprake is van een toevoegwaardig rechtsbelang. De tijd die gebruikt kan worden voor beoordeling of sprake is van een licht advies of een reguliere toevoeging bedraagt minimaal vier weken. Een LAT (inclusief declaratie daarvan) kan aangevraagd worden binnen vier weken na beëindiging van de werkzaamheden en de werkzaamheden voor de reguliere toevoeging zijn declarabel tot vier weken voor aanvraag van de toevoeging.

Het kan voorkomen dat de eerste inschatting van licht advies door omstandigheden leidt tot de aanname dat toch sprake is van uitgebreidere werkzaamheden. In het toekomstige artikel 24a van de Wrb is de regeling opgenomen dat mutatie kan plaatsvinden van LAT naar regulier.

De situatie dat de inschatting regulier niet juist is geweest en dat een licht advies volstaat, zal niet vaak voorkomen en indien dit het geval is dan zal dit plaatsvinden binnen korte tijd na aanvraag van de toevoeging regulier. De mogelijkheid tot omzetting van de reguliere toevoeging naar een lichte advies toevoeging wordt dan ook niet genoemd in de Wrb na stelselwijziging.

De raad zal geen verzoeken tot omzetting van reguliere toevoeging naar lichte advies toevoeging honoreren, omdat de (toekomstige) wetgeving daarin niet voorziet. Slechts wanneer de toevoeging nog niet is verstrekt kan tot wijziging worden overgegaan.


9. Bereik toevoeging OTS/UHP

Ingevolge artikel 32 Wet op de rechtsbijstand (Wrb) geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend, en in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

Dit artikel kent dus twee vereisten: rechtsbelang en diversiteit van instanties.

Het begrip rechtsbelang moet ruim worden uitgelegd. In de onderhavige kwestie is dat bijvoorbeeld 'het gezin'.

Diversiteit van instanties houdt in dat bij verschillende instanties een zaak aanhangig moet zijn. Dit kan zelfs zo ruim worden uitgelegd dat als meerdere procedures bij dezelfde rechtbank aanhangig gemaakt moeten worden terzake van hetzelfde rechtsbelang, er geen sprake is van diversiteit van instanties. De raad heeft een aantal zaken uitgezonderd, die u kunt vinden in het Handboek Toevoegen 07-04, Artikel 32, pagina 15 tot en met 17.
Voorts heeft de jurisprudentie (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juni 2001, JSV 2001/167) uitgewezen dat de vraag of een nieuwe, afzonderlijke toevoeging aan de orde is, afhankelijk is van het zelfstandig karakter van het geschil waarvoor de nieuwe toevoeging wordt aangevraagd en van de verschillende procedurele, feitelijke en inhoudelijke juridische omstandigheden van de gevallen. De omvang van de door de rechtsbijstandverlener te verrichten werkzaamheden is een bijkomende maatstaf zonder zelfstandige betekenis.

Indien gelijktijdig dan wel nagenoeg gelijktijdig rechtsbijstand wordt aangevraagd terzake van verweer tegen (verlenging van de) ondertoezichtstelling en tegen uithuisplaatsing wordt daarvoor één toevoeging verstrekt. Deze toevoeging omvat de behandeling van beide kwesties (het rechtsbelang is immers hetzelfde). Van belang is dat uithuisplaatsing (UHP) nooit langer kan duren dan de ondertoezichtstelling (OTS). Bij de beoordeling of sprake is van bereik met een eerder afgegeven toevoeging is bepalend of er sprake is van een zelfstandig karakter van de zaak. In de meeste gevallen (rechtbanken Rotterdam en Den Haag) is dit zo zodra er door de rechtbank een nieuw nummer aan de zaak is gegeven. Het feit dat sprake is van uitvoerbaarheid bij voorraad van de uitspraak zegt alleen maar iets over het feit dat de beschikking gelijk ten uitvoer kan worden gelegd, hoewel er de mogelijkheid van hoger beroep bestaat.

De reguliere procedure
De hoofdzaak betreft de OTS, daarnaast kan een UHP worden gevorderd. Dit is dus geen regel. In de reguliere procedure OTS, welke meestal wordt verzocht door de Raad voor de Kinderbescherming, ligt er vaak al een deskundigenrapport waardoor de OTS voor een bepaalde periode kan worden bevolen. Dit is een einduitspraak. Is het dossier nog niet compleet of zijn er nog nadere onderzoekswensen dan volgt aanhouding. Een afzonderlijke toevoeging voor de nieuwe zitting is niet noodzakelijk. Een verlenging van de OTS moet bij afzonderlijk verzoekschrift worden ingediend en dit krijgt een nieuw zaaknummer. Er moet dan een nieuwe toevoeging worden aangevraagd. Gedurende de looptijd kan het noodzakelijk zijn dat de minderjarige uit huis wordt geplaatst. Dit is dan een procedure welke niet gelijktijdig plaats vindt met de OTS. Er kan een afzonderlijke toevoeging worden verstrekt.

Verlenging van de UHP moet door middel van een afzonderlijk verzoekschrift worden ingediend. Indien dit plaatsvindt binnen de definitieve OTS periode, krijgt het nieuwe verzoekschrift een nieuw nummer en aangezien de procedure niet gelijktijdig plaats vindt kan er dus een afzonderlijke toevoeging worden verstrekt. Wanneer verlenging OTS en verlenging UHP gelijktijdig plaats vinden geldt dit als één zaak en dus één toevoeging.

De spoedprocedure
Het kan ook voorkomen dat het niet mogelijk is om een openbare zitting te bepalen en dat een minderjarige met spoed onder toezicht moet worden gesteld en uit huis moet worden geplaatst, gezien de urgentie van de zaak. De kinderrechter kan dan een voorlopige OTS en een UHP voor een beperkte duur bevelen. Hierbij worden de ouders in principe niet (direct) gehoord. Er is dus nog geen sprake van een procedure waarvoor rechtsbijstand noodzakelijk is. De voorlopige OTS geldt voor hoogstens drie maanden. In de artikelen 800 lid 3 en 809 lid 3 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) is geregeld dat de ouders of verzorgers binnen twee weken moeten worden gehoord over het verzoek OTS en UHP. Hiermee vangt de procedure echt aan. Op dat moment moet een toevoeging worden aangevraagd. Gelet op de uitleg van artikel 32 Wrb is dit één toevoeging. Indien het deskundigenrapport nog niet gereed is, wordt de OTS aangehouden, maar wordt wel een verlenging UHP bevolen voor een beperkte periode in afwachting van de beslissing over de OTS. Dit is een beslissing uitvoerbaar bij voorraad en hier is hoger beroep tegen mogelijk. De zaak heeft twee nummers, één voor de OTS en één voor de (verlenging) UHP. Na aanhouding volgt een zitting betreffende de definitieve OTS en zal een beslissing worden genomen met betrekking tot de eventuele verlenging UHP. Dit laatste geschiedt door middel van een aanvullend verzoekschrift. Het is dan niet noodzakelijk om een nieuwe toevoeging aan te vragen. Verder verloopt de procedure zoals hierboven geschetst onder de reguliere procedure.

Anders ligt het wanneer de UHP in eerste instantie wordt verzocht door de Raad voor de Kinderbescherming en er bij de verlenging UHP, welke gelijktijdig dient ter zitting van de definitieve OTS, een verzoekschrift wordt ingediend door een andere instantie dan de Raad voor de Kinderbescherming, bijv. Jeugdzorg. De zaak UHP krijgt bij de rechtbank een nieuw zaaknummer en geldt dan als een nieuwe procedure. Er moet een afzonderlijke toevoeging worden aangevraagd.

Resumerend:
Verzoekschrift OTS = toevoeging
Gelijktijdig verzoek UHP = bereik
Tussentijdse UHP = toevoeging
Verlenging OTS = toevoeging
Gelijktijdige verlenging UHP = bereik

Gerelateerde procedures
In het kader van de ondertoezichtstelling (en de uithuisplaatsing) kunnen meerdere procedures noodzakelijk zijn, zoals:

  • een verzoek om vervanging van de gezinsvoogdijinstelling die het toezicht heeft (art. 1:254.4 BW)
  • een verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling (art 1:256.2 BW)
  • een verzoek om opheffing van de ondertoezichtstelling (art 1:256.4 BW)
  • een verzoek om een aanwijzing ex art 1:258 BW vervallen te verklaren (art 1:259 BW) of in te trekken (art 1:260 BW)
  • een verzoek om uithuisplaatsing (art 1:261 BW)
  • een verzoek om verlenging van de uithuisplaatsing (art 1:262 BW)
  • een verzoek om de uithuisplaatsing te beëindigen, te bekorten (art 1:263 BW) etc.
Hoewel voor de indiening van deze verzoekschriften bij de kinderrechter, geen procureurstelling vereist is, kan de bijstand van een rechtsbijstandverlener noodzakelijk zijn. Naast de ouders (of een van hen) kan ook een kind dat de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, de meeste verzoeken indienen. Uitgangspunt is dat aan de ouders en het kind tezamen één toevoeging wordt verstrekt. Dit is slechts anders indien sprake is van tegengestelde belangen tussen de ouders en het kind.
Wanneer de ouders en het kind dezelfde rechtsbijstandverlener hebben, kan ervan worden uitgegaan dat het kind en de ouders geen tegengesteld belang hebben. Er moet dan één toevoeging worden aangevraagd. Wanneer twee toevoegingen worden aangevraagd, wordt een van beide aanvragen afgewezen met de mededeling dat met één toevoeging kan worden volstaan, nu niet is gesteld en gebleken dat sprake is van tegengestelde belangen tussen de ouders en het kind.

Wanneer de ouders en het kind niet dezelfde rechtsbijstandverlener hebben, hoeft dit niet te betekenen dat er wel sprake is van tegengestelde belangen. Wanneer uit de toevoegingsaanvraag niet duidelijk blijkt dat er sprake is van tegengestelde belangen, zal raad om nadere informatie verzoeken met als toelichting dat aan de ouders reeds een toevoeging is verstrekt, en dat op basis van deze toevoeging ook de belangen van de minderjarige kunnen worden behartigd, tenzij sprake is van tegengestelde belangen. Aan u wordt vervolgens de vraag voorgelegd waarom in casu een afzonderlijke toevoeging verstrekt behoort te worden. (Indien aan de minderjarige reeds een toevoeging is verstrekt en vervolgens door de ouders een toevoeging wordt gevraagd, geldt m.m. hetzelfde.)

OTS en/of UHP bij meerdere minderjarige kinderen
Het rechtsbelang ziet in deze zaken op het gezinsleven en de eventuele verblijfplaats van de kinderen. Indien geprocedeerd moet worden is dit bij dezelfde instantie. Daarom volstaat in principe één toevoeging waarbij wel het bovenstaande met betrekking tot de al dan niet tegenstrijdige belangen van ouder(s) en kind(eren) in acht moet worden genomen. Het kan echter voorkomen dat de kinderen al uit huis zijn geplaatst en bij diverse instellingen/gastgezinnen zijn ondergebracht. In dat geval kan er sprake zijn van diverse van elkaar verschillende verweren en kan de rechtsbijstand per uit huisgeplaatst kind een dusdanig zelfstandig karakter hebben dat een afzonderlijke toevoeging op zijn plaats is. Dit dient dan van geval tot geval beoordeeld te worden. Eveneens kan zich de situatie voordoen dat binnen het gezin er meerdere kinderen zijn en de problematiek niet identiek is. Ook in dat geval kan er sprake zijn van verschillende verweren per kind.

Extra uren
Het kan op grond van het vorenstaande voorkomen dat er rond een (spoed) OTS vele zittingen plaatsvinden omdat bijvoorbeeld de rapportage niet compleet is. Indien een rechtsbijstandverlener een verzoek doet om extra uren aan de zaak te mogen besteden, dient beoordeeld te worden of er sprake is van juridische dan wel feitelijke complexiteit. Meestal zijn dit soort zaken eerder intensief door het aantal bij te wonen zittingen dan feitelijk of juridisch complex en zal de gevraagde toestemming extra uren worden onthouden.


10. Belanghebbende in bezwaar en/of beroep

Bij uitspraken van 6 juni (200700246/1) en 4 juli 2007 (200700106/1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat een bezwaar of beroep met betrekking tot een toevoegingsaanvraag niet ontvankelijk moet worden verklaard indien dit niet expliciet namens de rechtzoekende is ingediend.

In de eerste uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat: "(...) In het bezwaarschrift heeft de advocaat op eigen naam bezwaar gemaakt, nu daarin staat: "maak ik bezwaar", "De reden van mijn bezwaar", en "Bij deze verzoek ik u". Bovendien staat de naam van de advocaat onder het bezwaarschrift en is het namens hem door diens secretaresse ondertekend. Dat het gemaakte bezwaar omstandigheden betreft die de cliënt aangaan, maakt dit niet anders. Dat de advocaat naderhand heeft gesteld dat hij in opdracht van de cliënt heeft gehandeld, doet dat evenmin. (...)".

De Afdeling heeft in de tweede uitspraak overwogen dat: "(...) Als uitgangspunt stelt de Afdeling voorop dat bij het instellen van beroep voor het einde van de beroepstermijn duidelijk dient te zijn wie beroep instelt. Gelet op de bewoordingen van het beroepschrift bij de rechtbank kan dit niet worden begrepen als ingediend namens appellante. Dit valt af te leiden uit de zinsneden: "ga ik in beroep", en "Ik verzoek u", terwijl hierbij noch elders is vermeld dat het beroep namens appellante is ingediend. Dat de advocaat voor de zitting van de rechtbank, maar na het verstrijken van de beroepstermijn heeft aangevoerd dat het op zijn eigen naam instellen van beroep op een kennelijke vergissing van hem berust, brengt daarin, gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt, geen verandering. Van de advocaat als rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij in staat is aan te duiden voor wie hij beroep instelt. (...)".

De raad herhaalt hier nogmaals dat tegen de beslissing op de toevoegingaansvraag altijd de rechtzoekende belanghebbende is. Een bezwaar moet dan ook expliciet namens de rechtzoekende worden ingediend. Tegen de beslissing tot vaststelling van de vergoeding is altijd en uitsluitend de rechtsbijstandverlener de belanghebbende. U als rechtsbijstandverlener moet het bezwaar dan expliciet op eigen naam indienen.

Het vorenstaande geldt eveneens voor een herzieningsverzoek binnen de bezwaartermijn (al dan niet met de zinsnede waarin om doorgeleiding aan de Commissie voor bezwaar wordt verzocht). Een dergelijk herzieningsverzoek kent de Algemene wet bestuursrecht in beginsel niet als rechtsmiddel en moet eigenlijk als een bezwaar worden aangemerkt. De raad heeft echter als efficiëntie-uitgangspunt dat een dergelijk verzoek ingediend kan worden bij kennelijke fouten, zodat een foutieve beslissing sneller hersteld kan worden zonder de wettelijke termijnen van de afhandeling van een bezwaar af te wachten. Dus ook een herzieningsverzoek op een toevoegingsbeslissing moet namens de rechtzoekende en op een vaststelbeslissing namens de rechtsbijstandverlener worden ingediend.


11. Harmonisering beleid extra urenzaken

Bij de Nieuwsbrief van december 2007 is de Leidraad extra urenzaken gepubliceerd. Naar aanleiding daarvan wil de raad nog graag het volgende onder de aandacht brengen.

Uit de wet- en regelgeving en de inhoud van de leidraad volgt als uitgangspunt dat alleen de werkzaamheden van de toegevoegde rechtsbijstandverlener declarabel zijn (waarnemingen en bijzondere gevallen uitgezonderd). Dit kan tot problemen leiden indien, vooral in strafzaken op lastgeving, binnen het advocatenkantoor zaken feitelijk behandeld worden door een kantoorgenoot van de toegevoegde rechtsbijstandverlener. Het is de Raad voor Rechtsbijstand bekend dat vooral de rechtbanken Rotterdam en Den Haag geen lasten tot in de plaatsstelling verstrekken. Indien het vorenstaande het geval is en de zaak leent zich voor een aanvraag voor extra uren, dan dient bij de eerste aanvraag expliciet vermeld te worden wie de rechtsbijstandverlener is die de zaak behandelt en zal de beslissing met betrekking tot de toekenning van extra uren op naam worden gesteld van deze rechtsbijstandverlener. Een last tot mutatie of een mutatieverzoek is dan niet noodzakelijk.

In het geval dat de toegevoegde rechtsbijstandverlener niet alleen de feitelijke behandelaar van de zaak is, dient dit bij de eerste aanvraag voor extra uren gemotiveerd te worden toegelicht, zodat een beslissing genomen kan worden met betrekking tot toelaatbaarheid van de uitzondering op de regel.

Zoals u wellicht heeft opgemerkt is de raad in maart begonnen met de termijnbewaking van onvolledige aanvragen extra uren. Nogmaals wijst de raad u er op dat indien niet binnen vier weken na het bericht om informatie een reactie wordt ontvangen, de aanvraag terstond buiten behandeling zal worden gesteld. In het verzoek om nadere informatie c.q. gegevens wordt daarop nog eens expliciet gewezen.


12. Afschaffing wettelijk verplichte procureur per
      1 september 2008

Per 1 september 2008 treedt in werking de Wet van 20 maart 2008 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Advocatenwet en andere wetten in verband met het afschaffen van het procuraat in burgerlijke zaken en de invoering van elektronisch berichtenverkeer (Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer).

Doel van deze wet is de procesvoering te vereenvoudigen door afschaffing van de verplichte procesvertegenwoordiging door een procureur in civiele zaken. Een advocaat kan voortaan zelf bij iedere rechtbank en bij elk gerechtshof alle proceshandelingen verrichten. Het civiele recht wordt daarmee geharmoniseerd met het bestuurs- en strafrecht, waar de procureursvertegenwoordiging ontbreekt.

Het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 wordt met ingang van
1 september 2008 gewijzigd. Artikel 10 inzake het uitbetalen van de procureurstoeslag (twee extra punten) vervalt. Het overgangsrecht bepaalt dat het recht zoals dit gold voor deze wijziging van toepassing blijft ten aanzien van het recht op de vergoeding voor handelingen verricht door procureurs voor inwerkingtreding van dit besluit.


13. Inschrijving psychiatrisch patiëntenrecht en      deelname aan het psychiatrisch patiëntenpiket en      toetsing voorwaarden voortzetting inschrijving

Sinds de raad heeft besloten om geen wachtlijsten meer te hanteren is het aantal advocaten dat deelneemt aan het psychiatrisch piket in omvang toegenomen, met name in het arrondissement Rotterdam. Gevolg daarvan is dat een advocaat minder piketdiensten heeft in vergelijking met voorgaande jaren. De raad is van mening dat het opnieuw invoeren van wachtlijsten en het aldus creëren van een "closed shop" niet het geëigende middel is om een hoog kwaliteitsniveau te handhaven. Hij meent dat handhaving van het gewenste kwaliteitsniveau ook bereikt kan worden door de inschrijvingsvoorwaarden én de voorwaarden tot voorzetting van de inschrijving stringent(er) te toetsen.

De nieuwe inschrijvingsvoorwaarden zijn sinds 1 juli 2006 van kracht. Die houden onder meer in dat de ingeschreven advocaat tenminste één keer per twee jaar een op het terrein van het psychiatrisch patiëntenrecht toegesneden cursus dient te volgen, welke is gewaardeerd met tenminste 4 opleidingspunten. Bovendien dient hij alle vergaderingen of ten minste 75% van de vergaderingen van de vereniging c.q. werkgroep in het betreffende arrondissement bij te wonen.

Normaliter vindt de controle op de voorwaarden voor voortzetting aan het eind van ieder jaar of van iedere twee jaar, afhankelijk van de specialisatie, plaats. Dit geldt ook voor de advocaten die zijn ingeschreven op het rechtsterrein psychiatrisch patiëntenrecht ná inwerkingtreding van de nieuwe inschrijvingsvoorwaarden, te weten op 1 juli 2006.

Advocaten die al vóór 1 juli 2006 bij de raad waren ingeschreven voor het onderhavige rechtsterrein, zullen derhalve vóór 1 juli 2008 aan de voorwaarden voor voorzetting moeten voldoen. Zij zullen naar verwachting in juli door de raad worden aangeschreven met het verzoek aan te geven of is voldaan aan de voorwaarden. Een afschrift van een certificaat van deelname aan een op het terrein van het psychiatrisch patiëntenrecht toegesneden cursus dient aan de raad te worden toegestuurd. Bovendien dient te worden verklaard dat alle vergaderingen of tenminste 75% van de vergaderingen van de vereniging c.q. werkgroep zijn bijgewoond.

Indien niet aan de voorwaarden is voldaan, zal de inschrijving op het terrein van het psychiatrisch patiëntenrecht worden doorgehaald als gevolg waarvan men ook niet meer gerechtigd is om deel te nemen aan het piket. De raad is van mening dat door strikte toepassing van de voorwaarden de kwaliteit van de rechtshulpverlening gewaarborgd kan blijven.


14. Informatiecentrum Rechtspraak Rotterdam

Bijdrage van mr. Liesbeth Limpens, medewerker relatiebeheer van het Juridisch Loket

Eind april 2008 heeft het Informatiecentrum Rechtspraak¹ haar deuren geopend in de Galleria, het openbare gebied van de Rechtbank Rotterdam.

De rechtbank Rotterdam zette in 2004 de eerste stappen voor dit initiatief en werd daarin gesteund door de raad. Het Informatiecentrum Rechtspraak is een samenwerking van het Juridisch Loket, Sociaal Raadslieden Rotterdam, Rechtbank Rotterdam en het Openbaar Ministerie. Het biedt bezoekers van de rechtbank informatie, advies en juridische hulp op één locatie.

De voorziening die met het Informatiecentrum Rechtspraak wordt geboden, moet bijdragen aan toegang tot diverse vormen van geschillenbeslechting. Snelle, onderlinge verwijzingen en op termijn op elkaar afgestemde werkwijzen, leveren een belangrijke bijdrage aan een betere dienstverlening aan de rechtbankbezoeker.

De bouw van het Informatiecentrum Rechtspraak wordt momenteel afgerond. Sinds eind april kunnen bezoekers van de rechtbank bij het Informatiecentrum Rechtspraak terecht. Het Juridisch Loket helpt op deze locatie alleen bezoekers van de rechtbank Rotterdam en het OM; andere klanten kunnen terecht bij de vestiging aan het Weena 719.

Op vrijdagmiddag 16 mei jl. is het Informatiecentrum Rechtspraak officieel geopend door de burgemeester van Rotterdam en de samenwerkingspartners.


15. Vragen en/of opmerkingen

Voor algemene vragen en / of opmerkingen over de inhoud van deze Nieuwsbrief kunt u contact opnemen met de heer mr. C.M. Munier, tel. 070 - 370 14 27 of mevrouw mr. I.R. Dreef, tel. 070 - 370 14 78.

Voor vragen specifiek met betrekking tot piket kunt u contact opnemen met de heer H. van Rhijn, tel. 070 - 370 14 55.

Deze nieuwsbrief wordt ook digitaal onder de naam 'Raadpleger' aangeboden. Indien u zich daarop wenst te abonneren, stuurt u dan een e-mail naar nieuwsbrief@gvh.rvr.org en vermeldt u naar welk(e) e-mailadres(sen) de nieuwsbrief moet worden verzonden


Abonnement

Opzeggen
Wilt u uw abonnement op de Raadpleger stopzetten, stuur dan een e-mail naar de abonnementenadministratie en vermeld naar welk(e) e-mailadres(sen) de Raadpleger niet langer verzonden hoeft te worden.

Copyright © Raad voor Rechtsbijstand Den Haag - Systeembeheer
Op deze nieuwsbrief is onze disclaimer van kracht.

¹ Hiervoor hebt u nodig.

Eerder uitgegeven Raadplegers kunt u in het archief raadplegen.