Home.    Artikelen van mij mag je gratis binnenladen,  maar wel graag  een  feedback en ook een link van jouw website - als je die hebt-  naar de mijne:  http://home.tiscali.nl/sommeling    Louis

 

 

 

 

ONS LICHAAM IN DE PSYCHOTHERAPIE.

Over zitten, kijken en gebaren in een gesprekstherapie.1)

 

door Louis Sommeling *.

 

Het zichtbare dat verdwijnt,   het onzichtbare dat verschijnt.      (na ar Serge Meurant)

Gesprekspsychotherapie is ook een lijfelijk gebeuren, zowel  voor therapeut als voor client.  Aandacht voor zitten, kijken en  bewegen kunnen aan hen beiden trefzekere informatie bieden en   rechtstreeks leiden naar wat van werkelijk belang is. De lijfelijke ervaring van onszelf als subject behoedt ons ervoor de  ander louter als object te observeren en nodigt deze uit zelf  subject te worden.

 

 

IInleiding.

 

IIn symbolen van taal, trachten wij onze belevingen te verwoorden; ook over gebeurtenissen uit periodes waarin wij nog niet praten  konden; ook over ervaringen die wij uitsluitend zintuigelijk en  lichamelijk beleefden.

 

Soms is ons alleen de taal gelaten en moesten wij wreed afstand  nemen van onze zintuigelijkheid en onze lichamelijke emoties en  behoeften.  Soms restte ons geen ander middel om onze pijn

dragelijk te houden dan dissociatie van ons lichaam. Meer regel  dan uitzondering in onze patriarchale cultuur is, dat gangbare  mannelijkheid gefundeerd is op vervreemding van het lichaam en  juist door afgrenzing tegenover de moederlijke lichamelijkheid tot stand komt (Nelson 1992). Vele van onze instituties, waaronder  ook psychotherapie, dragen sporen van haar op dit gebied karakteris-tiek "mannelijke" stichters.

Op herstel of opbouw van de verbondenheid met ons lichaam en de  dan ervaren emoties wordt tegenwoordig vaak gefocused in therapie. Wellicht kan psychotherapie onze gehele cultuur mede leiden naar  een meer "vrouwelijke", gevoelsmatigere en minder eenzijdig  instrumenteel objectiverende wijze van omgaan met onszelf en  elkaar.

 

 

 

 

 

-----------------------------

1). Een uitgebreidere en verbeterde versie van dit artikel is

getiteld "Zien in Therapie" en aangeboden aan het Tijdschrift voor Psychotherapie, 1993.

 

 

De psychologische geboorte van het "ik" was en is een gebeuren  vol van lijfelijkheid.

Gendlin (1981) waarschuwde ervoor dat een praattherapie het gevaar  kan lopen op een intellectueel niveau te blijven hangen.

Wanneer het  alleen blijft bij uitbreiding van inzicht, dan keert zich dat  tenslotte tegen de client. In een goede gespreks-therapie komen al  spoedig die dingen die in het lichaam verstopt zijn en door het  lichaam uitgedrukt willen worden, in verband met het probleem,  in beweging en kunnen soms zo als eerste tekenen van echte  verandering worden waargenomen (bijvoorbeeld als gevoelde verschuiving, of als autonome ruimte in het lichaam).

Pesso ( 1969,1973,1991) maakt het nonverbale, lijfelijke,

zintuigelijk waarneembare  gebied van het therapeutisch proces  zichtbaar. Analytici (Moser 1990, Crandell 1991) beschrijven hoe  de Pesso methode toegang kan geven tot ervaringen waar de object  relatie theorie zich mee bezig houdt en die niet adekwaat in taal  gesymboliseerd kunnen worden. Bovendien kan de methode verbale  symbolisaties conmpleter maken, door deze te verbinden met wat  ervaren wordt aan zintuigelijkheid en lichamelijke reacties in de  wisselwerking tussen client en therapeut.  De essentie van de  Pesso-Psychotherapie is niet zozeer dat het een eigen methode is,  als wel dat het een therapeutisch proces zichtbaar maakt , vorm  geeft en completer verbaliseert.

 

In dit artikel besteed ik aandacht aan enige simpele gedragingen  als zitten, kijken en bewegen. Ook wanneer wij weinig weten van de  Pesso Psychotherapie en als therapeut of client gewoon in onze stoel  blijven zitten, kan aandacht voor het lichaam van de client of voor  onze eigen lichaamsbeleving als therapeut, ons feilloos naar het  essentiële brengen. Ons lichaam kan een rechtstreekse bron van  informatie worden, wij zijn  immers ons lichaam en onze gehele  geschiedenis ligt in ons "lichaamsgeheugen" opgeslagen en wij  gedragen ons er lichamelijk naar. Over zitten, kijken en bewegen van  therapeut en van cliënt.

 

 

 

Zichtbaarheid en verhulling.

 

Ons lichaam is niet altijd een regelrechte uitdrukking van  onszelf, zoals onze woorden dat ook niet altijd zijn. Onze  zichtbaarheid verhult soms min of meer ons ware zelf. Daarom een  viertal opmerkingen vooraf.

 

1.  Lichaamssignalen zijn poly-interpretabel en er bestaat geen lineair verband tussen lichaamssignaal en klacht en vaak ook niet  tussen lichaamssignaal en specifieke betekenis.

Het is daarom kortzichtig te menen  dat aandacht voor het lichaam ons  eenduidig interpretatie-materiaal in handen geeft of informatie  waarmee wij dwars door de client heen zouden kunnen kijken. Wel  kan de verschijningsvorm van het lichaam ons helpen dichter bij  de ware emotionele betekenis te komen van wat er verteld wordt.  Soms kunnen we eens een proefinterventie te proberen op een  mogelijk onthulde verschijning van een nog onbewust gevoel. Soms kan  de discongruentie opvallen tussen wat er verteld wordt en wat het  lichaam laat zien. Soms kan een energie-verschuiving (trillen,  verzitten, verkleuren, aarzelen) leiden naar dat wat tussen de woorden  door van werkelijke betekenis wordt geacht.

 

2. Wij zullen gelukkig nooit dwars door iemand heen kunnen kijken.  Wel kunnen we onszelf en de cliënt  helpen om signalen uit het eigen  lichaam te leren verstaan om zo dichter bij het "true self" (Miller, 1981) te komen; immers onze hele geschiedenis ligt verhult  in ons lichaam opgeslagen. Terwijl onze psyche en de woorden daaruit  vaak onze normen en censuren laten zien, kan het lichaam vaak  rechtstreekser toegang geven tot verdrongen gevoelens, emoties en vooral ook  weggedrukte behoeften.

(Beter dan van "lichaam" is het wellicht om te spreken van "lijf"  omdat daarmee de doordringing van lichaam en ziel bedoeld wordt, de  integratie van geest en materie. Lichaam wordt in de Nederlandse taal wel als dingmatige zelfstandigheid opgevat, als object. Het  lichaam wordt nog al eens louter instrumenteel opgevat. Wanneer  wij er een "image" mee ophouden, is het onderdeel van het valse zelf  en verhult het juist het ware zelf).

 

3. Als therapeut kunnen wij aan ons eigen lijf, aan onze

bewegingen, aan onze ademhaling merken of wij onszelf zijn. Zijn  wij in ons "centrum" (Corlis en Rabe, 1969) dan is ons bewustzijn  hoog; wij reageren adekwater en zien en ervaren wij méér. Wij  zijn dan als het ware "vrij" voor de cliënt en alles mag er zijn. Het lichamelijk ervaren bij onszelf zijn, levert ons ook een  huidafgegrensd identiteitsgevoel op, zodat wij niet symbiotisch  vervloeien en zodat er van een werkelijke ontmoeting sprake kan zijn  van waaruit een client autonomie kan gaan ervaren. Precies deze  lijfelijke ervaring van onszelf als subject behoedt ons ervoor de  ander louter als object te observeren en nodigt deze uit zichzelf  als subject te gaan beleven. Zelf ontdekte ik dat wanneer ik in  een therapeutische sessie begon te theoretiseren en lange inter-venties maakte, ik bang begon te worden en afstand maakte door te  gaan objectiveren en "in mijn hoofd" te gaan. Ik stapte als het  ware uit het kontakt.

In de bewegingen van ons lichaam naar vóren kunnen wij onze  moeite met distantie leren waarnemen en onze grootheidsillusie  die ons doet geloven dat wij het leed in deze wereld kunnen  overnemen of laten verdwijnen. Maar ook werkelijke en door  hemzelf nog niet bewust vermoede en verwoorde behoeften van een  cliënt kunnen wij tevoren in onze eigen lichamelijk opkomende  emoties leren waarnemen. Voorbeelden hiervan volgen nog.

4. Wij kunnen dus als therapeut naar het lichaam van een cliënt  kijken, het "hebben"  van het lichaam observeren, maar  wij kunnen  ook leren om iets te zien, het (potentiële) "zijn" van iemand. Dan  verdwijnt als het ware het zichtbare en verschijnt het onzichtbare. Het is alsof aan de oppervlakte van de huid (de lichamelijke  begrenzing van het ego) te zien is wat "naar boven" vibreert en  om geboorte vraagt ( het kontakt met het ware Zelf, of met Pesso: " de potenties van de ongeboren ziel"). Het is alsof in de  interacties die iemand noodgedwongen met zichzelf heeft moeten leren  maken (zich afsluiten, leunen enz.) de vraag ligt opgesloten naar  een interactie met medemensen (zodat de energie nu gebruikt kan  gaan worden voor echte ontplooiing). Het is alsof  pijn, "verstarring" vraagt om onder de mensen te komen. Het is alsof  lichaamspijnen de ongeboren ziel doen vermoeden als nog niet  geuite energie. Het is alsof de universele ziel om vorm vraagt om  te bestaan, alsof er naar een vorm gezocht wordt om deze in het  "vat" te gieten en er zonder deze geen leven is (Life in "chaam").

 

Na deze voorbeschouwing nu aandacht voor zitten, kijken en

gebaren in de ontmoeting van therapeut en cliënt.

 

 

 

Zitten.

 

Wij bieden onze cliënt een plaats binnen onze ruimte. Wij zitten. Gesloten of open, achteroverleunend of op het puntje van de stoel,  tegenover of naast elkaar. Zitten kunnen wij op vele manieren. Onze wijze van zitten behoeft op zichzelf niets te betekenen; het  kan toevallig zijn of van de soort stoel afhangen.

Maar zitten kan uitdrukken hoe wij ons voelen: angstig en daarom gesloten; uitgeleverd en daarom te open; onrustig en daarom  schuivend. Ook kan de interactie met de stoel  onze behoeften  laten zien: ondersteuning, wegkruipen, behoefte aan actie of  passiviteit . Soms tonen wij zo onze object relaties. Wanneer wij  ons bewust zijn, hoe wijzelf of clienten zitten, dan kan ons dat  beiden zinvolle informatie opleveren en tot trefzekere interventies  leiden. Zonder volledig te zijn, volgen hier enkele voorbeelden.

 

* We kunnen iemand vragen hoe hij of zij er bijzit. Dit kan  leiden tot een betere uitgangs-positie voor het gesprek, meer van  binnen uit, dichterbij wat nú speelt. Zo kan voorkomen worden dat  met een geconstrueerd onderwerp begonnen wordt dat tevoren bedacht  werd, of waarvan verondersteld wordt dat de therapeut het wel  prettig zal vinden. Iemand mag de tijd nemen om goed te gaan zitten,  om zich gespannenheid in het lichaam te realiseren, om vanuit het  eigen centrum te starten, of daar in de buurt. Iemand mag er  helemaal zijn bij ons en zelfs het meest simpele behoeft niet te worden overgeslagen.

"Zit je goed?", is meer dan alleen maar een aardige vraag.

 

* Een client kan open of gesloten zitten, of van de ene in de andere positie overgaan. Geslotenheid vraagt om gas terug te  nemen, om tijd nemen, om interventies over angst, want vermoedelijk  is deze laatste verhoogd. Ook kan een client beginnen met gesloten zitten of deze houding aannemen bij een bepaald ge-spreksthema. Een client die open zit, is vermoedelijk minder  bang; maar wanneer deze tè open zit met de benen, dan zou er  sprake kunnen zijn van onbegrensdheid, van wijdlopigheid, van te veel gretig of automatisch in zich opnemen zonder eigen gebied  van verwerking.

Een te gesloten houding van onszelf als therapeut vraagt om  onderzoek naar onze tegenoverdracht.

 

* Een client gaat verzitten; dat kàn betekenen dat het  

onderwerp te benauwend wordt en de client naar een meer fake-onderwerp vlucht, maar ook dat nu pas echt begonnen wordt (gaat  er echt "voor zitten"). Het zou kunnen betekenen dat letterlijk  en figuurlijk een uitgangspositie wordt ingenomen of juist  verlaten. Hetzelfde kan voor de therapeut gelden.

Voortdurend voorover zitten op het puntje van de stoel zou  kunnen betekenen dat de client eigenlijk weg wil of denkt dat je  om aardig gevonden te worden altijd iets moet doen?

Plotseling  op het puntje van de stoel daarentegen, zou kunnen  aangeven dat iemand hogelijk geinteresseerd raakt, in de roos getroffen wordt?

Wanneer wijzelf als therapeut plotseling op het puntje van onze   stoel gaan zitten, kunnen wij weten dat er iets aan het gebeuren  is: nu wordt het oppassen geblazen om niet in een symbiose met de  client te vervallen, of in een illusoire reddersrol, of om tevéél  te gaan dóen, het verdriet van de client over te nemen  in plaats  van er rustig bij te blijven en het er te laten zijn.

 

* Hangen in een stoel kan een interactie van de client met de stoel  zijn waarbij steun gezocht wordt. De therapeut zou van een lopend  gespreksonderwerp af kunnen stappen en interventies rond steun  proberen (behoefte aan steun? Moedeloos gevoel en geen openming ziende? Moe? Gemiste steun vroeger?.

 Een client vertelde steeds maar weer, sessies lang, zonder dat  er veel interactie mogelijk was, met harde stem lange verhalen over geweld.

   Totdat ik zag dat hij in de stoel hing en tijdens het gesprek  zijn hoofd met zijn arm ondersteunde, die op haar beurt weer  op de leuning rustte.

    Ik wilde uitzoeken of hetgeen ik meende te zien, wellicht de  impasse kon doorbreken. Zou ik de steun die hij zichzelf op deze  wijze wellicht gaf (en in de interactie lichaam-stoel en arm-hoofd  verborgen kon liggen) kunnen overnemen? Ik onderbrak hem krachtig:

     - "Het moet wel moeilijk voor je zijn die herinnering aan dat eerste geweld van je vader boven te laten  komen".

  - "Ja, zei hij" en ging rechtop zitten en hield zijn hand     nu voor zijn  mond (moeilijk om nu echt te gaan praten?).

 - "Laten we er nu samen eens naar kijken". zei ik.

 - Hij knikte, zette zijn bril af, wreef in zijn ogen (dit     zag ik wel, maar ik wist niet direct wat het zou kunnen       betekenen).

 "Wat ik ook zo erg vond" zei hij, "is dat eindeloze verhuisgedoe   van ons vroeger, dan was ik net gewend aan vriendjes en dan moest  ik weer opnieuw beginnen".

 - Ik voelde enige bewegende emotie in mijn lijf. Ving ik iets  van hem op? Ik zei:

 "Je moet je vaak heel verdrietig en geïsoleerd gevoeld hebben".

    - Hij knikte. We voelden allebei dat we nu een verborgen gevoel  achter het eindeloze praten over agressie samen onder ogen konden  gaan zien. Ook vermoedde ik nu dat het eerdere wrijven in de ogen  misschien wel de grens tussen agressie en het opwellen van het verdriet had aangeduid.

Dit verdriet werd in het vervolg van de therapie verder geëxploreerd  (zijn isolement, het zich afpijningen met marathonlopen, steeds met  tijdelijke en kleine studentenkamertjes genoegen nemen, de moede-loosheid).     

 

* Gaat de client tegenóver de therapeut zitten, is hij dan op confrontatie uit, of wil hij iets sterks hebben, ontmoeten,  verwachten, of is er grote angst, of angst om te dichtbij te  zitten? Vele mogelijkheden. In een groep zit rechts naast de  therapeut vaak zijn of haar  "rechterhand", vaders kleine helper, of iemand die onder de vleugels van moeder hen wil zitten. De  stoel aan de linkerhand is meestal voor iemand die zich als  favoriet beschouw (Berk, 1980). Het kan zijn dat mensen die bij  de deur zitten, snel weg willen kunnen. Incestslachtoffers, of mensen  die anderszins zijn aangerand, kiezen nog al eens posities waarbij  ze rugdekking hebben. (Bij het uitlaten van hen, moeten we niet te  lang of te veel achter hun rug blijven).

 

 

 

Kijken.

Ogen kunnen dof staan, of glanzend, peinzend, dromend, zoekend, onderzoekend, uitnodigend, priemend en nog veel meer. In ogen  kunnen wij soms spiegelingen van de ziel lezen. Onze ogen als therapeut kunnen de ruimte en de tijd scheppen waarin het

psychologische "ik" van de cliënt geboren kan worden. Het mooie aan  ogen is dat ze geen lawaai maken ; clienten beleven woorden soms als  een bombardement.

Mahler (1975) beschrijft de lijfelijkheid van de psychologische  geboorte van het kind en vertelt hoe subtiel oogkontakt zijn kan, wanneer een mensenkind de eerste stappen zet op weg naar meer  individuatie. Zij citeert Kierkegaard:

   "Het kind loopt alleen, met zijn ogen strak gericht op het gezicht van zijn moeder, niet  op de moeilijkheden op

    zijn weg...Het moment waarop hij zijn behoefte aan haar laat       zien valt helemaal  s a m e n  met het moment waarop hij  bewijst, door alleen te lopen, dat hij zonder haar kan".  

Laten we nu enkele aspecten van dit kijk- en soms kiekeboe-spel, dat therapie ook is, nader beschouwen.

 

* We zien soms een vleug van humor, een flits van het vroegere kind, stil verdriet of wat dan ook. Vroeger dacht ik dat het overbodig is  om dit ook expliciet te zeggen, maar ik ontdekte dat een client zich  er vaak pas van bewust wordt, wanneer wij het geziene uitspreken en  teruggeven. We zijn dan getuigen, we staan erbij en bevestigen als  het ware dat deze emotie er zijn mag.

Het bewustzijn van de therapeut fungeert hier - in de taal van  Pesso - als dat van God die dingen vanuit de coulissen op het  scheppingstoneel roept en namen geeft, zodat ze gaan bestaan. Zoals bij het Rogeriaanse samenvatten gaat het hier niet om visueel papagaaien, maar om iets extra's:

   - "Ik zie dat je door dit in je herinnering op te roepen, intens geroerd wordt".

     (Ik zie de client knikken. Ik weet nu dat het klopt en ga door)

Het is, in de vergelijking die Pesso maakt, alsof de client aspecten van zijn innerlijk eerst op externe monitoren moet lezen, voordat het als iets van hemzelf in het bewustzijn kan worden opgenomen.  

* In onze ogen kunnen clienten veel van hun geschiedenis

projecteren. Merken we dat in onze blik gelezen wordt,

wat er naar ons gevoelen totaal niet in ligt, dan kunnen we vragen of het projecties zijn en in dit laatste geval, of deze historische lading van ons afgenomen mag worden om daardoor  onze werkrelatie zuiverder te houden.

We kunnen deze projecties dan van ons afsplitsen en de

historische figuur die bij de projectie hoort, in een lege stoel  naast ons laten plaatsnemen, zodat deze een juistere plek krijgt. Niet vergeten moet worden dat dit ook met positieve projecties gebeuren kan ("Hoe zou een ideale moeder gereageerd hebben, en hoe zou zij gekeken hebben". De realisering hiervan kan helpen ter confrontatie met gemis en verdriet en als onderzoek naar werkelijke behoeften).

Deze afsplitsingstechniek kan ook gebruikt worden om ambivalente gevoelens helderder te krijgen. Elkaar vaak neutraliserende  negatieve en positief beleefde aspecten van een vader of moeder  kunnen bijvoorbeeld ge-externaliseerd worden, zodat een client ze  voor zich kan zien en overzicht krijgt.

Ingewikkelde manoevres behoeven hier niet voor uitgehaald te  worden. Een gebaar met de hand of een knik naar een lege stoel is  genoeg om de visualisatie in gang te zetten. Analytici die een  Pesso-opleiding volgden vertelden wel eens dat ze nu de mogelijkheid  kregen gevoelens die tegelijkertijd en door elkaar speelden, nu  afzonderlijk te visualiseren . Deze techniek is een practische  operationalisatie van de object relatie theorie; interne representaties van objecten worden uitgestald. De client wordt door dit overzicht minder afhankelijk van geniale inzichten van  de therapeut en krijgt meer gelegenheid tot stapsgewijze

integratie.   

 

* Soms zien we iemand iets vertellen en daarbij licht de wenk-brauwen optrekken. Een verschijnsel dat ik al lang opmerkte maar waar ik aanvankelijk geen betekenis aan kon verlenen. Totdat ik het in verband begon te brengen met omnipotentie, een soort almachtsfantasie. Het kan neerkijken op een ander iemand

aanduiden of op het  therapeutische gebeuren zelf, maar tegelijker-tijd neerkijken op wat je zelf vertelt: almachtsfantasie op basis  van een zeer laag zelfgevoel. Dit kan wijzen op een hardnekkige  moeite echt hulp te aanvaarden, omdat het zelfgevoel - uit nood  geboren - grotendeels ontleend moest worden aan het zelf hulp  geven. Dit pijnlijke rouwproces vraagt veel geduld en respect van  de therapeut, en soms een liefdevolle limitering (het concreet  vorm geven en afperken van een woordenstroom, holding en con-taining, niet over de therapie-tijd heen gaan, het aards-

menselijk houden van de wenkbrauwen "die naar de hemel willen").  (Schouderophalen kan een lichtere vorm zijn). Een interventie zou hier kunnen zijn:

   "Ik kan me voorstellen dat het voldoening geeft om dingen    zelf te kunnen opknappen, maar soms moet dit ook zwaar      zijn.  Soms is zo een houding uit de nood geboren:

    er was nooit hulp, die is toch niet echt mogelijk en daarom        doe ik het maar alleen. Hoe is dat nu voor jou?"

 

* Mijn kijken als therapeut is de ene dag anders dan de andere. Soms ben ik niet vrij voor de client, ben enigszins automatisch bezig; ik zie hem of haar niet echt. IK ben dan niet vrij van  mijzelf, mijn blik is naar binnen gekeerd, ik ben teveel naar  mijzelf aan het kijken (bijvoorbeeld of ik het goed doe).

Wanneer ik mij hiervan bewust wordt, en even kontakt maak met wat er speelt, is dit meestal al voldoende om echt te gaan  kijken.

 

 

Bewegen en gebaren.

 

Psychotherapie is ook een gebarentaal.

Zitten en kijken hebben vaak met basale gevoelens te maken. Met onze extremiteiten leggen we accenten, nuanceren en geven kleur.  We uiten onze emoties met onze handen en voeten, vaak doelend in  de richting van een object of onszelf.

Onze handen kunnen stil liggen, we kunnen wijzen, onze vuisten ballen, aan ons lichaam plukken, onze handen kunnen in conflict zijn met elkaar of in interactie met ons lichaam. Ze kunnen afsluiten, openen, wijzen. Onze benen kunnen onze agressie

aangeven of onze ambivalentie, of onze onrust, soms zonder dat we  het ons direct bewust zijn.

 

* Het kan heel wat uitmaken of een client een uitspraak onder-streept door op een leuning van een stoel te slaan, of op

zichzelf. In het laatste geval kan er sprake zijn van naar

zichzelf gerichte agressie.

 

* Soms zien we dat iemand zijn schoenzolen niet plat op de grond heeft staan, maar dat slechts de zijkant van de schoen de grond  raakt. Dit hoeft niet noodzakelijkerwijze iets te beteken, maar  het zou ook een ambivalentie kunnen inhouden: er wel zijn maar  liever wegwillen. Een interventie kan hier aan het licht brengen  wat werkelijk speelt, wat in andere woorden verdoezeld wordt  omdat het nog niet gezegd kon worden. Een interventie zou kunnen  luiden: "Wat is er met je voet?" of meer impliciet:"Hoe vind je het  om eventueel in therapie te gaan", of "Hoe is het om vandaag naar  de therapie te komen?".

 

* Soms zit iemand te vertellen en ondertussen aan zijn kleding te plukken. De mogelijkheid blijft altijd aanwezig dat er gewoon  maar een pluisje zit, maar vaak is iemand zich aan het schoon  maken, voelt zich vies of schuldig over wat er verteld wordt.  Een proefinterventie kan hier luiden:

  " Hoe vind je het nu om hierover te praten?".

Vaak stuit men dan op schaamte of schuld, die binnen de woorden  zelf nog niet opgemerkt kon worden door therapeut en client.

 

* Clienten maken veel gebaren en ze kunnen daarmee hun relatie tot een gevoel karakteristiek geven. Wij, therapeuten, kunnen dat leren "zien" . Dat innerlijk beeld kan onze interventies  richting geven.

  - Een gescheiden vrouw vertelde mij: "Vroeger had ik

     gemakkelijk kontakt met mijn verdriet".

    (Ze maakte hierbij een vloeiend draaiend gebaar met haar           hand).  "Tegenwoordig krijg ik er geen kontakt meer mee".

    (Nu duwde ze haar vuist naar voren, ze "pushte").

   - "Hoe is dat nu, om daar geen kontakt mee te kunnen

     krijgen?".

De gebaren maakte mij meer duidelijk dan de woorden. Ik zag een  plaatje  voor mij. Het eerste was een vloeiende stroom. Het  tweede een met alle geweld tegen een muur drukken om te grijpen  wat daar achter lag, zodat niet meer gezien werd wat er was, maar  slechts wat verderop vermoed werd. In mijn invterventies begon ik  plaats te geven aan de weerstand; hij was nodig, mocht er zijn,  moest ergens betekenis hebben, kon niet veroverd worden door hem  te willen grijpen, hoe werd de situatie voor de muur ervaren en  hoe voelde het niet direct met het verdriet in aanraking te  kunnen komen.

 

 

Het psychotherapie-proces: het woord dat tot lijfelijkheid wordt.

 

Er is zo veel te zien in therapie.

De werkelijkheid is soms zo oogverblindend, dat wij niet zien wat of wie werkelijk voor onze voeten zit.

Wij kunnen leren zien wat zich voor onze ogen ontvouwt. Sterker nog:  wij kunnen zelf het aanvankelijk onzichtbare in een client aan het  licht helpen brengen.

Dit noemen wij het psychotherapeutisch proces ((waarbij psyche niet  het "psychisch apparaat" is, en ook geen tegenstelling is met lijf,  integendeel).

 

In dit artikel heb ik de wereld van verschil geschilderd tussen ons  kijken als diagnostisch observeren van een object voor ons, en het  kijken als werkelijk zien van een subject in een lijfelijke,  kleurrijke, genuanceerde, eigen-aardige, individuele verschijnings-vorm.

 

Kunnen wij  meer geven aan een client dan wijzelf hebben?

Wij zien een ander pas als subject wanneer wij onszelf als subject  beleven. Dan komt ons bewustzijn vrij.

Houvast in onszelf missen we, wanneer we geen eigen centrum van  kijken hebben, geen fundament van zitten en geen lijfelijke basis  van voelen. Angstig proberen we dan de inputstromen van onze  clienten te objectiveren en in rationele concepten er houvast op te  houden, steunend en terugvallend op de theorieën van externe (meest  mannelijke) autoriteiten.

Het opheffen van onze eigen lichaamsvervreemding, het gaan uit  ons hoofd en afdalen in ons lichaam, brengt ons tot onszelf als  lijfelijk subject. Zo kunnen we clienten leren om het houvast in zichzelf te leren vinden en bezield te raken.

En dan wordt ons woord ook vlees.

Eerder verwees ik naar Nelson(1991),die beschrijft hoe in onze  overwegend mannelijke cultuur onze identiteit meer als regel dan als  uitzondering gefundeerd is op lichaamsvervreemding en we dus andere  vormen voor ons houvast proberen te vinden. Maar evenals hij eindig  ik dit artikel met een citaat van Kazantzakis(1965):

" In mij neemt zelfs het meest metafysieke vraagstuk de

  gedaante aan van een warm fysiek lijf dat ruikt naar zee,          aarde en menselijk zweet. Om mij te raken, moet het Woord          warm vleselijk worden. Alleen dan kan ik werkelijk

   begrijpen - wanneer ik kan ruiken, zien en aanraken".

 

 

 

 

Literatuur.

 

Berk, T.J. (1980). Groepsanalytische Psychotherapie. Van Loghum           Slaterus.

Corlis, R. en P. Rabe (1969). Psychotherapy from the Center.           International Textbook Company, Scranton, Pennsylvania. Crandell, J. (1991).Pesso System/Psychomotor and Object Relations           Theory. In A.Pesso en J. Crandell, Moving Psychotherapy.                     Brookline Books.

Gendlin, Eugene,1981. Focussen. Vertaling. De Toorts, Haarlem. Kazantakis,N.(1965). Report to Greco. Bruno, Cassier, Oxford. Mahler, Margaret (1975). The psychological Birth of the human           infant. Symbiosis and Individuation. Basic Books,Inc.           Publishers, New York.

Miller, A. (1981). Het drama van het begaafde kind: op zoek naar           het ware Zelf. ..........

Mooser, T. (1991).Staging the Unconscious: Impressions of

         Psychomotor as Seen by a Psychoanalyst. In: Moving           Psychotherapy. Brookline Books.          

Mooser,T.(1989). Körpertherapeutische Phantasien. Psychoana-          lytische Fallgeschichte neu betrachter. Verlag,

          Suhrkampf.

Nelson, James (1992). Male sexuality and masculine spirituality.            Vertaald als : De seksuele en spirituele belevingswereld            van de man. In: Tijdschrift voor seksuologie,

          16: 1-10.

Pesso, A. (1969). Movement in Psychotherapy. New York, University            Press.

Pesso, A. (1973). Experience in Action. New York, University                      Press.

Pesso, A. en J. Crandell (1991). Moving Psychotherapy. Brookline                      Books.

Pesso, A. en T. Mooser (1986). Dramaturgie des Unbewussten.             Klett-Cotta, Stuttgart.

 

 

Ons lichaam ook in de gesprekstherapie:

Zien en gebaren