Home.    Artikelen van mij mag je gratis binnenladen,  maar wel graag  een  feedback en ook een link van jouw website - als je die hebt-  naar de mijne:  http://home.tiscali.nl/sommeling    Louis

 

 

 

 

Een eigen standpunt ten opzichte van het geloof

(geschreven voor studenten. Zie boekinfo)

Een eigen positie bepalen ten aanzien van het geloof van je ouders is niet eenvoudig. Heimwee naar de oude nestgeur en behoefte aan zelfstandig denken, schuldgevoelens, waarheidsvragen wisselen elkaar af. Wat willen we overnemen van het oude en van de normen waarmee we zijn opgevoed, en die zo diep op ons inwerkten? En waar willen we ons van losmaken? We willen zelfstandig leren denken.

Een tiental jaren geleden botsten veel studenten, die naar de grote stad kwamen om te studeren, sterk met de traditionele geloofswaarden van het dorp waar zij opgevoed waren. Losmakingproblemen met ouders werden vaak als godsdienstig conflict uitgevochten. Voor hen is dit hoofdstuk bedoeld

Mogen we eigenlijk wel vragen bij onszelf toelaten hier, mogen we wel twijfelen? We worden geconfronteerd met verschillende verklaringen van de bijbel. We ontmoeten mensen die niet meer geloven. Wat moet onze positie zijn? Vaak zijn je ouders zo met de godsdienst verweven, dat als je je kritisch zou opstellen ten opzichte van godsdienst, je ook je ouders lijkt af te vallen. Maar wat geloof je zelf of zou je willen geloven?

Om meer helderheid te krijgen in dit proces, is deze paragraaf bedoeld. Eerst wordt beschreven met welke gevoelens een dergelijk denkproces doorgaans gepaard gaat. Het kan een moeilijk, maar creatief proces naar zelfstandigheid inhouden. Het kan soms de vorm aannemen van een bevrijding.

Daarna voor liefhebbers nog een beschouwing over het verschijnsel religie in het algemeen en wat het evangelie daarover zegt. Tenslotte beschrijf ik hoe in de overlevering en in de geschiedenis van de kerk zelf, opgeroepen wordt om zelf te denken en een standpunt in te nemen ten aanzien van de traditie. Soms kan het bevrijdingsproces van zelfstandig denken later de vorm aannemen van een eigentijds gevoel voor mysterie en geheimenis.

Een zelfstandige standpuntbepaling

Ik begin met de beschrijving van enkele emotionele moeilijkheden die kunnen optreden wanneer een mens langzamerhand tot een eigen standpuntbepaling wil komen. Dat is niet zo eenvoudig. We zijn geworpen in dit bestaan en zoeken soms houvast voor onze existentiële angst; we zoeken naar vaste normen, naar een leider, naar een magisch figuur. Vanuit dit verlangen wordt aan religieuze leiders vaak veel macht toegekend; er is behoefte aan een sterke man. Omdat we veel dingen niet kunnen zien en weten, is het zeer rustgevend wanneer iemand ons zegt hoe ze in elkaar zitten en wat belangrijk is. Daar is dan de macht die inspeelt op de menselijke afhankelijkheid.

Mensen die moralistisch zijn opgevoed, worden erg betutteld: "dit mag je, dit is goed, dat is slecht". Ze worden daardoor afhankelijk van anderen. Ze baseren hun identiteit op externe normen, die niet vanuit zelfgevoel voortkomen. Ze worden afhankelijk van de goed- en afkeuring van een ander. Minder assertieve gevoelens voeren de boventoon: twijfel, protest, advies vragen, hunkeren naar goedkeuring. Door deze onderdrukking van eigen gedachten en gevoelens ontstaan stress, gespannenheid, twijfelzucht en benauwdheid. Ook ontstaat er vaak een onbewuste, dus niet direct voelbare irritatie, omdat er niet echt naar jou geluisterd wordt. Je gaat dan twijfelen aan je eigen gedachten en gevoelens en raakt langzaam het contact daarmee kwijt. Je voelt dat je langzamerhand vervreemdt van jezelf; vandaar die lichte, sluipende vorm van irritatie. Ook wordt het moeilijk om later beslissingen te nemen, er is veel twijfelzucht, want je hebt nooit de gelegenheid gehad om te experimenteren met het leren nemen van beslissingen; je hebt nooit op je eigen gedachten mogen leren vertrouwen. De zelfbewustere gevoelens komen daarom bij afhankelijk gemaakte mensen minder voor: duidelijke kwaadheid, je eigen wijsheid hebben, fantasie, creativiteit, warmte geven, experimenteren, spontaneïteit. Wanneer we leren om op steeds meer gebieden eigen verantwoordelijkheid te dragen, levert ons dat naast een grotere vrijheid vooral ook persoonlijke opluchting op.

Wanneer we - vanuit een kerkelijke traditie komend - zelf beginnen na te denken en te voelen, worden we nogal eens voor ‘egoïstisch' uitgemaakt, wanneer we voor onszelf gaan op komen. Dat kan ons behoorlijk verwarren en ons schuldig doen voelen. Natuurlijk kan iemand te egoïstisch zijn, maar dit mag niet verward worden met een noodzakelijk gevoel van verantwoordelijkheid voor je eigen persoon, voor wat je nodig hebt, voor wat je grenzen zijn, voor wat er met je gebeurt als mensen je niet respecteren. Het is niet goed wanneer we steeds maar eigen gevoelens opzij zetten en alsmaar de ander de gehele ruimte geven. Voldoende voor jezelf opkomen, respect hebben voor je eigen ruimte en draagkracht en tempo, is een respectabele en noodzakelijke taak.

Wanneer gevoelens weggedrukt worden, komen ze soms als agressie terug tussen de regels door of in een andere vorm; bijvoorbeeld als een strenge moraal waarmee je anderen kunt pesten. Veel kerkelijke mensen zie je altijd maar glimlachend aardig doen tegen iedereen, maar je voelt dat het niet echt is, niet altijd recht uit het hart komt. Hun onderdrukte agressie komt vaak op twee manieren aan de oppervlakte. Ten eerste houden ze er een hardvochtige moraal op na voor anderen (waar ze zichzelf in het geheim vaak niet aan kunnen houden), die vaak op afkeuring en discriminatie neerkomt. Ten tweede worden ze vaak subtiel neerbuigend door de wereld in twee groepen te verdelen: de ‘helpers’ waar ze zelf toe behoren en de ‘slachtoffers’ die geholpen moeten worden. Je laat de ander vertellen over zijn moeilijkheden, hij komt met gevoelens. Jij blijft buiten schot en kunt zo wel emotioneel bevredigend bezig zijn. Dit ontlokte een kennis van mij eens spottend de uitdrukking: "van andermans leed is het goed riemen snijden". De wereld wordt zo stilzwijgend opgedeeld in helpers aan de ene kant, en kneusjes aan de andere. Enerzijds mensen die het kunnen weten, aan de andere zijde mensen die dwalen. Enerzijds ‘gelukkigen’ (want bijvoorbeeld getrouwd), anderzijds ‘homoseksuelen’, die het alleen daarom volgens hen moeilijk hebben.

Ligt in dit soort denken niet de verklaring van de strenge moraal van "Moeder de H. Kerk". In feite houdt deze een verachtende afkeuring in en een hoge mate van discriminatie. Het is een versimpelde pastoraal; een zwart-wit wereldbeeld waar de gezonde kant van de "kneusjes" en de gekneusde kant van de "gezonden" niet zichtbaar worden. Het is geen mededogen maar medelijden dat in hoogmoed en ethische afkeuring omslaat, omdat de ander onterecht als underdog bestempeld wordt. Het is dezelfde attitude als van de oude neerbuigende psychiatrische hulpverlening, waarbij de afstand hulpverlener-cliënt te groot gehouden wordt en de hulpverlener neerbuigend wordt. Deze wijze van zien is niet alleen maar makkelijk voor de kerkelijke "helpers", want voortdurend voelen zij de innerlijke plicht (de zogenaamde "roeping") om de problemen van anderen op hun nek te nemen.

De hierboven beschreven nare gevolgen in de menselijke omgang ontstaan, wanneer we gedwongen worden om gevoelens te onderdrukken, en om uit angst voor zogenaamd 'egoïsme' en schuldgevoel onze eigen autonomie te verwaarlozen.

Hoewel de kerk op haar beste momenten altijd de vrije wil en het eigen geweten als prioriteit erkend heeft, maakt zij het mensen die echt zelfstandig gaan denken soms erg moeilijk: zij noemt hen heel negatief niet alleen 'egoïstisch' zoals we hierboven al zagen, maar ook 'hoogmoedig'.

Terwijl het de kerk zou sieren, en daar zou ze het ook van moeten hebben, wanneer ze mensen die kritisch en zelfstandig willen leren denken, zou prijzen.

De meer zelfbewuste gevoelens vereisen namelijk een enorme moed: in je existentiële levensangst wil je niet meer grijpen naar externe normen, naar een soort van Absolute Waarheid en Zekerheid, naar een Grote Leider, maar je gaat in een aanvankelijk als leegte ervaren werkelijkheid op eigen bakens varen. Nieuwe bakens, feeling voor een richting, worden langzaamaan ontwikkeld door te luisteren naar een innerlijk kompas, dat een integratie is van wat je geleerd hebt en getoetst aan eigen gedachten en gevoelens.

Er bestaat een goed boekje van de Duitse theologe Dorothee Sölle over een dergelijk bevrijdingsproces, onder de sprekende titel "Fantasie en Gehoorzaamheid". Het is een pleidooi voor eigen creativiteit en een kritisch doordenken van kerkelijke traditie.

Hoe kunnen we ons nu losmaken van gewoontes en denkbeelden waar we het niet meer mee eens zijn, of waarvan we voelen dat ze niet goed zijn. Het begint met bewustwording, het ervaren van een gespletenheid, het niet jezelf zijn samengaand met benauwdheid en depressie. Enerzijds is er de benauwdheid, het gevoel nooit helemaal op heldere grond te lopen, stekende schuld, nooit op te lossen twijfel (en de daaruit voortvloeiende zelfopgave om tot een adequate en harmonieuze standpuntbepaling te komen, waarbij je jezelf ook recht doet). Anderzijds is er heimwee naar een oud vertrouwd wereldbeeld, waarin alles vaste plaatsen heeft en liefde wereldomvattend is, waar haat, kleine nuchterheid, mislukkingen buiten de deur worden gehouden, waar een weliswaar minieme maar toch duidelijke bevrediging gevonden wordt in moreel goedgekeurde daden. Het is het heelal in een romantisch licht.

Hoe komen we hier uit het dilemma en waar moeten we tegen vechten, of tegen wie moeten we vechten. Niet tegen God, zoals ik hierboven en verderop in deze paragraaf betoog, maar wellicht wel tegen een ons verkeerd gepredikte wijze van godsdienst.

Het belangrijkste over dit proces is nu gezegd. Liefhebbers kunnen nog doorlezen; er volgt nog een algemene beschouwing over religie, en een over bijbel en kerkelijke traditie, die kritisch beschouwd worden en waarin duidelijk gemaakt wordt hoe die in feite ook oproepen tot zelfstandig doordenken van de traditie.

Bijbelse oproep tot zelfstandig denken

De macht van een berg, de kracht van de zee, de glimlach van een andere mens is zo anders dan jij, dat het een vermoeden naar ‘het goddelijke’ kan opleveren. Om de angst voor zo’n onvoorspelbare macht te bezweren, begonnen primitieve volkeren zoenoffers te brengen aan een gecreëerde (af)god. En in minder angstige momenten werd het diepere van het bestaan gevierd en verbeeld in goden, zoals in het Griekse Hellenisme.De Griekse goden waren mooie mensen, vol plezier, maar ook met menselijke jaloezie en drama. Een hemelse afspiegeling van ons bestaan.

De wortel van het Christendom is de joodse godsdienst. De God van de Joden was vanaf het begin onzichtbaarder en onnoembaarder, er mocht geen beeld of voorstelling van zijn zoals bij de Egyptenaren en andere volkeren; maar in de tien geboden werd wel een levenswijze voorgeschreven en steeds werd er opgeroepen iets zinvols van dit bestaan te blijven maken, waarvan de geheimenis ervaren werd.

Modern bijbelonderzoek (archeologische vondsten, tekstanalyses) heeft het ontstaan van de bijbel ontmythologiseerd: de betekenis onttrekt zich niet aan de waarneming, de tekst is niet iets wat zo maar letterlijk en op gezag moet worden geloofd, maar roept op tot een wisselwerking en kan dus bestudeerd worden. Literatuuronderzoek maakt duidelijk hoe geïnspireerde auteurs het levende geloofsgoed vastgelegd hebben en er een geheel van maakten. Het begin werd niet het eerst geschreven. Het scheppingsverhaal is niets meer of minder dan een poëtische neerslag van de visie van de auteur dat de God, die hen later uit Egypte voorging, ook de ordening in de wereld (donker en licht, zee en land) gemaakt moet hebben, en dat de mens zelf het kwaad in de wereld brengt (zondeval). De bijbelverhalen zijn niet letterlijk te nemen maar het is Israels visie op het verleden (Renckens). Het is een oproep moed te houden en mee te trekken naar nieuwe levensmogelijkheden; een oproep om naast statische patronen ook naar nieuwe dynamische te zoeken.

Deze verhalen vertelden ouders door aan hun kinderen. Het is de moed van een volk niet bij de pakken neer te gaan zitten, niet in angst kinderoffers te gaan brengen aan gecreëerde afgoden (Mozes), de vrouw ook als te respecteren menselijk wezen te behandelen, het is een gedurfde progressieve levensvisie. Paradoxaal genoeg brengt de ontdekking dat de bijbel niet letterlijk moet worden genomen, maar een tijdgebonden neerslag is van een gelovig volk, de Schrift dichter bij ons, omdat er zo eerder een betekenis uit gelezen kan worden voor onze eigen tijd. Het is meer een visie op hoe mensen met hun levensvragen bezig zijn, op de Secular meaning of the Gospel (van Buuren).

Geloof als een wijze van leven

Het christelijk geloof is oorspronkelijk bedoeld als een wijze van leven, maar niet als een filosofisch en machoachtig denksysteem. Een verstarring trad op door Paulus en de Middeleeuwse filosofen, die een inspirerende, spirituele wijze van leven probeerden te verloederen door deze te verbinden met rationalistische denksystemen en tot in de Verlichting probeerden met argumenten een soort "God" te bewijzen. De levende betekenis van het geloof is nooit helemaal verdwenen. Zo zag ik op de Berlijnse Muur geschreven: 'How is God? She is black'. Merk op dat er niet 'who' staat, maar 'how', met andere woorden het gaat in eerste instantie om een wijze van omgaan.

Volgens het Boeddhisme gaat het wellicht toch ook weer wel om een ‘who’. Samy (1998) schrijft dat de reactie van veel ex-christenen op een mogelijk persoonlijke godsbeeld ingegeven is door een vroeger voorgehouden beeld van een overheersende, oordelende, almachtige en verre instantie. In de meditatie van het Boeddhisme kan het hele universum ervaren worden als een persoonlijke aanwezigheid, of zo men wil een bovenpersoonlijke. Ze is bewustzijn, intelligentie, inzicht en mededogen en dat doordringt het hele universum. Samy vertelt over de correctie van een Zenmeester op het spreken van een bekende Duitse ‘atheïstische’ zenkenner: "Je moet niet zeggen ‘Das Nichts’, je moet zeggen ‘der Nichts’. Das Nichts is onzijdig, het kan het wezen van de zaak niet weergeven".

Nelson (1992) wees er op hoe machoachtig het Westerse rationalistische godsbeeld in wezen is: Hij oefent zijn (Al)macht unilateraal uit, is van niemand anders afhankelijk, weet alles en eist dat anderen voor Hem op de knieën gaan. Het zijn puur stereotiep "mannelijke" eigenschappen, geprojecteerd op de kosmos. Bovendien, en dat gaat nog een stapje verder, omdat mannen het mysterie meestal buiten zichzelf beleven en menen te moeten veroveren door het te penetreren, hebben zij weinig voeling met de geheimen die in hen zelf besloten liggen (zoals bij vrouwen veel meer het geval is; die kunnen op een andere wijze vervreemd zijn, maar hebben doorgaans meer contact met hun eigen innerlijke lichaamsbeleving). Mysterie lijkt zich voor instituties die door mannen in een mannelijke cultuur gesticht zijn, buiten onszelf te bevinden. Het is iets dat moet worden geobjectiveerd, gegrepen en gepenetreerd. De mannelijke trekken in onze cultuur modelleren dat mysterie tot een rationele orde. Er wordt niet alleen een mannelijk godsbeeld gecreëerd, maar er wordt een beeld gecreëerd dat b u i t e n onszelf gelegen is en dat we voor ieder karretje kunnen gaan spannen, zoals uit de geschiedenis blijkt.

De omkering van het Godsbeeld preekte ook een pastoor die de concentratiekampen van de tweede wereldoorlog had meegemaakt: "Vroeger dacht ik dat wij als een vogeltje beschermd lagen in de machtige hand van God; nu denk ik dat het andersom is: wij beschermen de kwetsbare waarden die in onze mensenhanden liggen en die we kapot kunnen maken". (Zo kunnen we het woord ‘Verbum Domini’, het woord Gods in de wapenspreuk van de Groningse Universiteit interpreteren. Dit opent onze weg naar eigen denken en handelen).

Dat het Westers rationalistische godsbeeld geheel in strijd is met de eigenlijke bijbelse bedoelingen, wordt ook nog duidelijk wanneer we het leven van Jezus goed beschouwen. De nieuwtestamentische Jezus van Nazareth werd beschreven als de vervulling van het Oude Testament. Met deze uitdrukking wordt bedoeld dat hij als van uitzonderlijk groot belang werd gezien in de geschiedenis. Toch deed hij iets wat de toenmalige joodse traditie godslasterlijk vond! Hij uitte kritiek op de neiging van het joodse volk om zich als beter te beschouwen dan de natuurvolkeren. (Zo prijst hij het geloof van de heidense honderdman, die van buiten de grenzen van het gelovige Israël komt). Hij gaat in tegen te gemakkelijke etikettering: niet het lidmaatschap van een volk of van een kerk is heilsgarantie ("Niet zij, die roepen Heer, Heer, zullen binnengaan in het Rijk der Hemelen"). Hij uitte kritiek op kerkelijke leiders, die zich op hun posities laten voorstaan.

Maar het boeiendste vind ik zelf zijn lef om kritiek te hebben op de bijbelse overlevering zelf, dus op wat de kerkelijke leiders als  goddelijke  traditie doorgaven. De Hebreeuwse uitdrukking: "Er staat geschreven" betekent feitelijk "God zegt". In de beroemde bergrede zegt Jezus: "Er staat geschreven..., maar ik zeg jullie". Hij gaat hier dus als het ware tegen de rationele "God" in).

Een laatste voorbeeld van zijn weinig traditionele inslag: aan de gewoonte van zijn tijd om zich te verliezen in apocalyptische schilderingen over het einde der tijden doet Jezus niet mee. Hij is er erg sober in, suggereert niet bij een God op tafel te kunnen kijken, maar roept op om je niet in toekomstspeculaties te verliezen, omdat de mens zelf door zijn eigen levenswijze zijn toekomst bepaalt en ook het uiteindelijk Oordeel over zichzelf.

Kritiek op denken in termen van macht

Door het vertellen van onze ouders, door de lessen op school en door de prediking hebben wij een bepaalde visie op onze godsdienst meegekregen. Dat is een selectieve visie ingebed in het wereldbeeld waarin wij leven. Het is het selectieve kijken van een bepaalde eeuw naar een andere; daar valt bij mensen niet aan te ontkomen.

De subjectieve interpretatie en selectie wordt duidelijk wanneer we bijvoorbeeld eens volgen hoe de kerk in de loop der eeuwen met emoties is omgegaan. Dat is soms anders dan Jezus zelf deed. We spraken in het eerste deel van dit artikel al over zelfbewuste emoties als agressie, opkomen voor jezelf, creatief denken, en hoe die vaak door de kerk als negatief werden beschouwd. We volgen nu tenslotte in dit laatste deel, nog eens een van de heftigste menselijke emoties, seksualiteit (Sommeling 1997).

Het oude testament heeft hele aardse gedeelten: "Uw slanke leest is als een palm, uw borsten trossen van druiven. Ik dacht: ik wil de palm beklimmen, zijn dadels grijpen". Dit is verplichte literatuur in de joodse Paasliturgie geweest. Het is een tekst uit het Hooglied. Onder invloed van ascetische en neoplatoonse stromingen werd een sterk aseksuele moraal opgebouwd tot in de middeleeuwen toe: als je de huwelijksdaad voor je plezier toepaste, was dit zonde. De vrouw had een huwelijksplicht: 'het debitum conjugale', om de man voor grotere zonde te behoeden.

Dit is gedacht vanuit het interpretatieschema: het aardse tranendal hier beneden en de hemelse heerlijkheid daarboven. Volgens deze neoplatoonse filosofie wordt de ervaarbare wereld als oneigenlijk beschouwd, als slechts de afschaduwing van een daarachter (of daarboven) liggende werkelijkheid. Dit schema is met een zekere gretigheid overgenomen door de christelijke denkers en het hele christelijk belijden werd hierin geperst. Het is een denken in twee ruimten: hiér-dáár, natuur-bovennatuur, materieel-geestelijk.

Het tijdperk van dit interpretatieschema is ten einde. De ruimtevaarders zijn God niet tegengekomen "daarboven". En Hij heeft van verre niet machtig ingegrepen toen duizenden van zijn volk in concentratiekampen omkwamen. De moderne mens heeft, eigenlijk sinds Galileï, een àndere werkelijkheidsbeleving en denkt niet in 'boven' en 'beneden'. De moderne mens heeft misschien wel degelijk behoefte aan een spiritualiteit, maar niet aan een religieus denken met voorstellingen uit een verouderd wereldbeeld.

Hoe komt het nu dat in de wetenschap wèl een soepel overgangsdenken mogelijk is (hoewel daar soms ook koppig aan verouderde paradigma's vastgehouden wordt), en in de kerk zo wordt vastgehouden aan traditie? De verklaring is even simpel als platvloers (en is in het evangelie te vinden waar over religieuze leiders geschreven wordt): het gaat om macht, zegt Van Ussel in een studie waar hij de geschiedenis van het seksueel probleem behandelt.

Er was een gezond seksueel leven in de middeleeuwen. Maar er was een verschil tussen het dagelijkse leven en de officiële leer. Toen Erasmus begon te schrijven over priesters in bordelen, en seksuele praktijken in kloosters, werd hij hierop niet bestreden - dit was algemeen bekend - maar hij werd veroordeeld omdat hij kritiek op de kerk durfde te uiten. Dat was iets nieuws, bij de dageraad van een nieuw tijdperk: de verwevenheid van bisschop en vorst kwam onder kritiek. Het ging om het uitoefenen van macht. De bisschop moest nu bijvoorbeeld ook zijn 'ius primae noctis' kwijt: het recht om de eerste nacht met de bruid te slapen, waarvan hij het huwelijk had ingezegend.

Dat deze kerkelijke macht tot vandaag toe nog zo sterk is, laat zich vanuit twee kanten beschrijven. De machtige zelf - de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders in dit geval - raakt de greep op de werkelijkheid meer kwijt, hij gaat steeds dwazere dingen zeggen (voorbeelden te over), hij omringt zich ook met hielenlikkers en krijgt zo een cordon rond zich, zodat kritiek niet meer kan doordringen, deze wordt hem misschien zelfs niet eens doorgegeven. Hij doet niet bewust gemeen, maar meent op den duur eerlijk dat hij weet wat goed is voor ieder. De paus is nu nog tegen anticonceptie! Hij verliest zijn realiteitsbesef. Anderzijds is de verklaring voor het in stand houden van de macht natuurlijk te vinden bij de andere pool: degene, die de macht ondergaat. Hij houdt hem in stand door eerbiedig alles te slikken zonder eigen gedachten te durven ontwikkelen, alleen maar knikkend voor de autoriteit.

Het mag geen uitzondering zijn dat kerkelijke leiders nieuwe generaties vertrouwen en gedateerde gedachten durven loslaten, zoals dat ook van ouders ten opzichte van hun kinderen gevraagd wordt.