Piccolo in gouden Tuschinski-jaren
Door Jos van der Burg
Alfons Doorson werkte in de jaren dertig als piccolo in het Tuschinski Theater. De documentaire "Het grootste van het grootste" over Abraham Tuschinski stemt hem weemoedig. 'We waren één grote familie.'
Geen
kwaad woord over Abraham Tuschinski, want wat die man heeft
gepresteerd, is ongelofelijk. De 81-jarige Alfons Doorson zegt
het op dwingende toon. De bioscoopexploitant, die een
bioscoopimperium uit de grond stampte, draagt hij op handen.
''Onvoorstelbaar hoe die man zich heeft opgewerkt. Hij kwam met
niets uit Polen naar Nederland, maar bouwde toevallig wel het
mooiste bioscooptheater.''
Fons
Doorson in ong. 1935
Doorson werkte van 1934 tot 1939 in Tuschinski. ''Ik kom uit een
groot arbeidersgezin, zodat ik op veertienjarige leeftijd aan de
bak moest. Ik begon als piccolo in het Carlton Hotel en een half
jaar later stapte ik over naar Tuschinski. Kun je je voorstellen
wat voor indruk het gebouw op mij maakte? Ik was nog nooit in een
bioscoop geweest en nu stond ik in een paleis. Ik kon mijn ogen
niet geloven. Het was een sprookje.'' Doorson had als taak de
bezoekers de goede kant uit te wijzen. Alsof hij er gisteren nog
werkte, zegt hij: ''Parket, stalles en loge rechtuit, balkon
links en rechts; indien gewenst, kunt u ook met de lift.'' Het
waren de gouden jaren van het Tuschinski Theater. Er werkten
volgens Doorson zo'n honderd mensen; genoeg om een eigen
sportclub (Sportvereniging Tuschinski) in het leven te roepen.
Onder de rook van het Ajax-stadion voetbalden de mannelijke
medewerkers tegen teams van horecagelegenheden. Doorson haalt een
plakboek vol foto's, die moeten bewijzen dat het personeel bij
Tuschinski één grote familie was. ''Kijk, hier zijn we aan het
voetballen en worden we toegejuicht door de ouvreuses.'' Luiheid
werd in de familie niet op prijs gesteld. ''Er werd gewerkt van
twaalf uur 's morgens tot twaalf uur 's avonds. Omdat ik pas
veertien was, mocht ik 's middags tussen twee en vier naar
huis.''

De werkdag: ''We begonnen 's morgens met 'mastiek maken'. In de
leuningen van de stoelen in de zaal zaten asbakken, die gepoetst
moesten worden. Daarmee waren we wel even zoet, want er waren
zestienhonderd stoelen. Ik drukte me wel eens door naar boven te
gaan, maar meestal werd ik snel gemist. 'Alfons, poetsen!'
schreeuwde de personeelschef dan door het gebouw. Als de
voorstellingen begonnen, wees ik bezoekers de weg. De dag
eindigde na de laatste voorstelling met het stofzuigen van de
dikke tapijten.''
Legendarisch was Abraham Tuschinski's hang naar perfectie. ''Hij
zag het als één van de honderden lampjes in de zaal niet
brandde. Als je vuile nagels of ongepoetste schoenen had, werd je
naar huis gestuurd. Ja, dat werd gecontroleerd door de
personeelschef. Ik droeg een uniform dat speciaal voor mij was
gemaakt. Er zaten vergulde knopen op, die altijd moesten glimmen.
Bij galapremières droeg ik witte slobkousen en witte
handschoenen.''
Doorson bladert door het plakboek, dat veel gesigneerde foto's
van variété-artiesten bevat. ''Je kunt de bioscoop van toen
niet met die van nu vergelijken. Het publiek werd onthaald door
goede orkestjes, waarna het filmprogramma begon met reclame en
het Polygoonjournaal. Dan was het pauze. Meisjes liepen rond met
bladen ijs en sigaretten. Verder kon je je amuseren met optredens
van variété-artiesten. Na de pauze begon de hoofdfilm.''
Buikspreker
Uit het plakboek blijkt dat Abraham Tuschinki het woord
doelgroepenmarketing al kende voordat het was uitgevonden. ''Deze
foto is gemaakt op een damesbeurs in de RAI, waar we reclame
gingen maken voor de prachtige zangfilm One night of love met het
kindsterretje Diana Durbin. Ik moest foldertjes uitdelen. En hier
rijden we in een landauer door Amsterdam om reclame te maken voor
een Amerikaanse film over een buikspreker. Nee, ik weet niet meer
hoe de film heet.''
Doorsons moment of fame brak aan toen Max Öphuls in 1936 een
piccolo nodig had voor een paar scènes in Komedie om geld.
Producent Will Tuschinski, de zoon van Abraham, wist wel een
piccolo. Doorson zei niet nee. ''De opnames in de Cinetone
Studio's in Duivendrecht duurde twee dagen. Ik werd met een taxi
gehaald en thuisgebracht en kreeg vijf gulden per dag. Dat was
toen veel geld.''
In 1939 was het voor Doorson afgelopen, want hij werd opgeroepen
voor het leger. Toen hij niet nodig bleek ('Ik werd buitengewoon
dienstplichtig') keerde hij niet terug naar Tuschinski. ''Ik was
inmiddels negentien jaar, te oud voor piccolo.''
In de oorlog werkte hij bij een cafetaria, na de oorlog was hij
veertig jaar kok bij de Bijenkorf. ''Ik was uitgefilmd. Het waren
prachtige jaren. Je mag gerust weten dat ik huilde bij de
première van "HET GROOTSTE VAN HET GROOTSTE" op het
filmfestival in Utrecht.''
© Het Parool 2002
OOK
VERKRIJGBAAR:

Tuschinski,
droom, legende en werkelijkheid
De geschiedenis van het theater
Auteur: Jesse Goossens
© 2002, Uitgeverij BZZTôH bv, Den Haag, ISBN 90-5501-967-4
Met daarin zeven pagina's met het verhaal van Fons Doorson.
Bijgewerkt tot 25 maart 2008