Hij kiest uit een taal vol tekens
Afscheid *
Ars Poetica *
Ars Amandi *
Avond *
Billet Doux *
Broederschap *
Bombardement *
Bomber flight *
Geboorterecht *
Herdenking *
Hoe het voelt om oud te zijn *
Invasie *
Licht *
Mare Meum *
Onderwereld *
Opdracht *
Ouderdom *
Over de grenzen *
Sneeuw *
Voortijd
De dichter kent geen geheimen
Hij kiest uit een taal vol tekens
Hij oefent zich in het zwijgen,
Een vrouw liefhebben in haar zwakste ogenblikken,
Soms overvalt mij, alleen,
Ineens lijkt alles postuum:
Je naaktheid brengt de avond tot verbleken.
Je bent een dier dat achterdocht
De taal, gezuiverd van bedrog,
Ik kan je niet bezitten en ook jij
Ik ben nu oud, het wordt door zovelen gezegd.
Hoe voelt het om oud te zijn? wordt mij gevraagd.
Soms, als je de hoek van een straat omslaat,
Vreemde soldaten zwierven door in puin geschoten steden
Ik lig verlamd van denken aan het leven:
't Geluid verwijdert zich van mijn gehoor,
Toch leef ik vlakbij het geheim.
Al mijn gedachten zijn ervan doortrokken.
Ik ben wanhopiger dan ik begrijp.
Als man ben ik een vrouw en daarom houd
't Verhoogt de bittere voldoening van mijn bloed
Zo wemel ik van bloedverwantschap met mijzelf,
De ouderdom verzacht het sterven.
De liefde wordt een bevende gedachte,
Het gras, de bomen en de hoge lucht
Ik zie de vreemde zeden der natuur.
Ik zoek een moeder die mij als haar kind erkent,
Het gras beweegt alsof het ademhaalt.
De hemel houdt het bos omprangd
Ik ben in pan en eros panerotisch
als 't kan, met wervelstormen tot in 't steen.
Mijn vader heeft zich in zichzelf gekeerd,
Ik oefen voor een vrouw, ben nog niet groot
Gelukkig maar: ik ben het liefst alleen,
de tekens die stilte verbreiden;
zijn woord, uit stilte genomen,
keert tot de stilte terug.
(uit: Ars Poetica)
waarover hij iets weet te zeggen
dat niet een woordspeling is,
het tijdverdrijf van zijn regels
de tekens die stilte verbreiden:
zijn woord, uit stilte genomen,
keert tot de stilte terug.
een tegenstrijdige zanger,
en zingt overstelpt door geluiden
een letterlijk lied aan de stilte.
wanneer wat leven was nu reeds dood schijnt te zijn
en in haar ogen alle zomers zijn gedoofd.
Haar lelijkheid aanbidden haar betraande blikken,
haar niet te overreden afkeer van het leven.
En soms is die ontreddering mij onontbeerlijk
en voel ik dat mijn hart, vol liefde en verachting,
gerust is en de dood aanvaardt, zoals ik vroeger
verlangde dat ik altijd jong zou zijn en leven.
of in gezelschap, de angst
die ons allen verbroedert,
verbroedert en eenzaam, radeloos maakt.
de boom, en de bladeren aan de boom,
de verkleurende lucht, de geklede mensen
en zelfs de verheven blankheid
van je zo innig bewonderde hals.
en angst heeft afgelegd:
geritsel is muziek geworden.
heeft aan betekenis gewonnen.
bezit mij niet want wij zijn vrij.
En als het niet wordt gezegd, dan wordt het verzwegen.
Ik lees het in elke blik die zich op mij richt,
in elk gebaar dat in mijn richting wordt afgegeven,
in elke groet die in het niet wordt geschreven,
in elke zucht, in de glimlach die mij overslaat.
Het voelt lang niet slecht, geef ik eerlijk toe.
Het voelt vaak goed, niet zo lang meer te hoeven leven
en afscheid te nemen van jou, u, jullie, voorgoed.
Maar je bent wel ver van je geboorte afgeraakt
en nu werkelijk heel dicht bij de dood gedreven.
het is winter, voel je zijn adem brutaler dan toen
je nog jong was, en sterk, en een stootje kon geven.
Je voelt je tot onder je kleren koud, en heel naakt.
Je gruwt van de dood, al is het slechts even.
Kom, gauw naar huis, denk je, want je voelt je geraakt.
en lachten naar de meisjes die zij zagen.
Zij voelden zich niet schuldig aan wat zij misdeden
omdat zij wekenlang in vuur en modder lagen,
slechts schietend naar wie uit de verte op hen schoten.
De eerste kogel die jaren geleden had gefloten
was misschien schuldig en misschien zelfs die ook niet.
ik kan de harde kern van 't licht niet breken
en wegen vinden in de stilte van de zon.
't Heelal is ongegrond en mijn gevoel is hol.
mijn blikken keren tot mijn oog terug,
mijn tong blijft eenzaam op de bodem van mijn mond,
ik heb geen spijsvertering voor de tijd.
Elke beweging die ik doe
kan het ontdekken, ieder woord
heeft in beginsel kracht het uit te drukken.
Mijn bloed ijlt door de onderwereld
alsof het in mijn vezels is te zoeken
Ik heb mijzelf aan zon en licht verloren.
Ik heb geen inzicht in mijn radeloosheid.
Ik voel haar als een zee waarvan ik slechts de branding zie,
het schuim, de meeuwen, langzaam vliegend, troepsgewijs,
langs steile rotsen waar mijn voet niet reikt.
De hemel is vervuld van mijn afwezigheid.
Daaronder is de diepte van mijn angst,
donker, doodstil om mijn geheim niet te verraden.
Iedere gedachte is een ruwe vangst
van ongedierte, elk gevoel een voetstap op het water.
ik lesbisch van vrouwen, homoseksueel
door dubbele omkering van 't geijkt systeem
der ruimte, slechts vermoedend wat er scheelt
als ik een schoot ontbloot en toegang zoek
tot ondergrond waar ik op eigen diepte stoot.
een zwangerschp te voelen aan de leegte van
mijn buik die zich verdwaald weet in een man.
Ik draag een moeder in mij die mij kwelt
omdat zij koestert wat ik haar verwijten moet,
waarvoor geen nieuwe wetten zijn gesteld.
een groot gezin van lusten die ik vluchtig ken,
maar onderhand ontdek als ik mij spelend meet
met vrouwen die haar naaktheid lang en breed
uitspreiden, niet verstrooid door wat een huid bedekt
die zich begerig uit haar voegen strekt.
De hand, te zwak om zich te heffen,
rust op het laken met de vrede der berusting.
De wereld werd een boomtak voor het raam,
een vogelzwerm op zoek naar zomer.
een spreken van de vezels en een zingen
van 't bloed, een winter van herinneringen.
De vorst heeft zachtheid en de zomer sneeuwt.
Vrouwen zijn licht en brozer dan haar glimlach.
En zelfs de dood is ons behulpzaam:
hij tilt ons zeer voorzichtig uit het koude bed.
maken mij tot een vreemdeling.
Ik wandel in hun buitenland
zonder verbinding met het land
van oorsprong en bevestiging.
Ik luister naar de taal waarin de wind
zich met de bomen onderhoudt
en die ik niet begrijpen kan.
Mijn eigen taal is als een blad
dat in mijn mond verdort.
een vader die zich aangordt tot het vuur.
en overwint de stille tegenstand.
en masturbeer met bloemen om mij heen.
Ik kreeg mijn roede van een god te leen
en als ik 't doe doe ik het zo chaotisch
Mijn vader heeft het mij tersluiks geleerd
door zijn verbod. Mijn moeder weet ervan,
maar zwijgt omdat zij 't niet voorkomen kan.
verloren als een zoon gerijpt tot man.
genoeg voor haar voldongen schoot.
beleef in nederigheid mijn plioceen