|
De geslachtelijkheid ontstegen
Interview met Adriaan Morriën
In 1950 liet hij zich in het blad Literair Paspoort nogal
laatdunkend uit over zijn vrouwelijke collega's. Hoe denkt de nu 88-jarige
schrijver/criticus Adriaan Morriën hier een halve eeuw later over? Een
levend brokje literaire geschiedenis aan het woord in Raffia, over
schrijfsters, vriendinnen en mannelijk geouwehoer.
(Tekst: Sylvester Hoogmoed, gepubliceerd in Raffia, december 2000)
Zijn uitgever Geert van Oorschot noemde hem ooit 'de liefste ironicus
van Amsterdam'. Hij is een twijfelaar, een zoeker, iemand die liever
wegmijmert en kanttekeningen plaatst dan keuzes maakt. Morriën: "Ik heb
niet zoveel meningen. Als ik ergens over na ga denken zeg ik al snel tegen
mezelf: hoe durf je een mening te hebben, je weet er niet genoeg van af!
Ik heb een beetje een hekel aan die meningen-cultuur. Ook uitspraken die
ik over mezelf doe relativeer ik onmiddellijk. Je kunt nooit de waarheid
over jezelf zeggen, omdat die er niet is." De lezer zij gewaarschuwd.
Literaire huisvlijt
Over zijn vrouwelijke collega's was
Adriaan Morriën in de jaren vijftig niet erg te spreken. Zij produceerden
volgens hem voornamelijk familieromans en detectives, met hun weinig
veranderlijke schema's. Dat was literaire huisvlijt die hem aan breien
deed denken, zo schreef hij plagerig in het blad Literair Paspoort. Hij
hoopte de door Simone de Beauvoir geschetste heilstaat, waarin de vrouwen
werkelijk de gelijken zijn van de man, nog te beleven, maar vreesde dat
deze langer op zich zou laten wachten dan hem jaren waren toegemeten. Een
halve eeuw later constateert Morriën echter dat hij te pessimistisch is
geweest: "Vrouwen zijn veel beter gaan schrijven dan vroeger. Dat is
onbetwistbaar. Vroeger vertoonden boeken van vrouwen vaak een
'toverlantarenpsychologie': de personages waren meer omtrekken dan wezens
die je leerde kennen. Zo'n Klop op de deur bijvoorbeeld... Hoewel Ina
Boudier-Bakker ook wel een paar betere boeken heeft geschreven. Betje Wolf
en Aagje Deken waren ook lang niet slecht. En in de Engelse literatuur heb
je natuurlijk grote schrijfsters gehad: Emily Brontë, Jane Austen,
Virginia Woolf... Nederland was in culturele omvang toch altijd - en nog
steeds - de mindere van de Angelsaksische traditie, die ijzersterk was. De
mannenliteratuur stelde tot de Tweede Wereldoorlog ook niet zo erg veel
voor. Als je met Shakespeare bent opgevoed, dan is dat toch heel anders
dan wanneer je het met Vondel en P.C. Hooft moet doen..." Dat vrouwen de
laatste decennia veel beter schrijven is volgens Morriën voor een
belangrijk deel aan de tweede feministische golf te danken. Aan de drang
tot zelfstandigheid. "Ik juich dat toe. Schrijfsters kunnen nu met recht
concurreren met hun mannelijke mededingers en vaak overtreffen ze ze.
Vroeger werden vrouwen meestal opgeslorpt. Als vrouwen in de gelegenheid
waren om te schrijven, dan kwam dat omdat ze bijvoorbeeld met een arts
waren getrouwd, een dienstbode hadden die het huishouden deed, en een
werkster. En behalve vrije tijd moesten ze ook een opleiding hebben gehad.
Dat gold niet voor veel vrouwen. Voor mannen was het al moeilijk: de
meeste literatoren van voor de oorlog hadden een baantje en schreven in de
avonduren. Dat is funest voor een romancier, en eigenlijk ook voor een
dichter. Als je echt wilt schrijven kun je daar niks anders bij doen, want
het neemt de complete mens in beslag. Omdat er in Nederland geen rooie
cent te verdienen viel met schrijven is waarschijnlijk veel schrijftalent
verloren gegaan. Bij vrouwen, maar ook bij mannen, die hele andere
carrières kozen omdat ze die maatschappelijke vloedgolf van 'je brood
moeten verdienen' op zich af voelden komen."
Prostituering
Wat vindt hij van de trend om vrouwen in
gewaagde poses op de covers van boeken af te beelden? "Het hoort bij de
commercie. Soms heb je wel eens de indruk dat boeken pure handelswaar zijn
geworden. Er is een veel grotere beïnvloeding van de koopdrang bij het
publiek, dat in zijn omvang minder verfijnd van smaak is dan de enkeling,
die zich niet door die maalstroom laat verleiden. Al die literatuurprijzen
die er tegenwoordig zijn... Ik vind het ellendig, ondanks de financiële
voordelen die het heeft. Eigenlijk zijn al die dingen vormen van
commerciële prostituering; van jezelf, van de hele sector. Het publiek
wordt daardoor in een waan gebracht en er van af gehouden zijn boeken zelf
te kiezen. Het zelf rondsnuffelen is voor mijzelf altijd heel belangrijk
geweest, en godzijdank nog altijd voor een aantal mensen: de kenners,
mensen met smaak." Zijn er volgens Morriën in het jaar 2000 nog duidelijke
verschillen tussen door vrouwelijke en mannelijke auteurs geschreven
romans? "Nee, het is eigenlijk onzinnig om dat onderscheid aan te brengen.
Een schrijver ontstijgt een beetje aan de geslachtelijkheid als hij of zij
aan het werk is. Daarom kun je eigenlijk niet van vrouwenliteratuur of
mannenliteratuur spreken. Tenzij het schrijven een geëngageerd stempel
heeft: bedoeld is om mannen min of meer vijandig af te schilderen ofzo.
Maar daar ken ik niet veel voorbeelden van." In geëngageerde dichtkunst
heeft Morriën weinig fiducie: "Het lukt niet als je er eerst over na gaat
denken. Vaak gebeurt het zelfs zonder dat je er acht op slaat. Je wordt
wakker, staat op, loopt naar beneden, en ineens komen er een paar woorden
in je hoofd die een regel blijken te zijn. En dan besef je plotseling dat
dat een regel zou kunnen zijn van een gedicht. Een gedicht dat zijn
bestemming zoekt. " Heeft hij de laatste tijd nog goede romans gelezen?
"Ik lees nog wel veel, maar de literatuur houd ik niet meer zo bij. Ik ben
een beroepslezer, heb mijn hele leven lang gelezen. Niet alleen boeken die
verschenen zijn, maar ook boeken die nooit verschenen zijn: manuscripten.
Op den duur ontstond er een lees-routine en ook lees-moeheid wat de fictie
betreft. Een roman moet wel verdomde goed geschreven zijn wil hij voor mij
leesbaar zijn. Ik vind dat er een overdreven gewicht aan fictie wordt
gehecht. Wat je schrijft is altijd een verdraaiing van de werkelijkheid.
Er zijn talloze werkelijkheden en die verschillen weer van minuut tot
minuut; de werkelijkheid bestaat niet. Goede literatuur doet je vergeten
dat het literatuur is. De kleine Britt van Els Hupkes, de vrouw van de
ontvoerder van Gerrit-Jan Heijn, vind ik een geweldig boek. Het heeft
diepgang en is meeslepend. Moord, doodslag, frustratie. geblokkeerdheid,
krankzinnigheid, liefde: al die thema's komen in dat boek voor. Het zijn
universele thema's, die je in alle culturen terugvindt."
Inlevingsvermogen
Als schrijver en dichter heeft Morriën
op zijn eigen, bescheiden wijze een bijdrage geleverd aan de doorbreking
van het starre traditionele rolpatroon. Door de vrijmoedigheid waarmee hij
als man over zijn tamelijk on-viriele erotische genoegens schrijft, maar
vooral door aandacht te besteden aan de gevoelens van vrouwen. Vrouwen
vervullen in het oeuvre van Morriën zelden een passieve rol. Ook niet
wanneer ze door de schrijver geobserveerd worden: hij beschrijft dan wat
ze doen, denken, voelen. Dat hij daarbij over veel inlevingsvermogen
beschikt kan worden afgeleid uit het feit dat hij onder zijn bewonderaars
veel vrouwen mag rekenen. Waar komt dit inlevingsvermogen vandaan?
Morriën: "Misschien heb ik wat meer vrouwelijke hormonen dan de gemiddelde
man. Verder ben ik door ziekte heel lang aan vrouwen gebonden geweest. En
ik was dol op mijn moeder. Zij is een voorbeeld voor mij geweest. Ze loog
niet, manipuleerde niet, intrigeerde niet, was geen onderdanige vrouw. Ze
spaarde mijn vader niet als ze een mening had. Mijn moeder had veel gezond
verstand. Zij was niet vrij van wantrouwen - in eerste instantie -
tegenover mensen, terwijl mijn vader eerder naïef was, zich makkelijk liet
beetnemen. Ik had ook een goede verhouding met mijn grootmoeder, en met
mijn zusje, dat twee jaar ouder was. Mijn jongste broertje kwam pas acht
jaar later, dus ik heb de eerste acht jaar van mijn leven vooral met mijn
zusje gespeeld. Mijn moeder, mijn grootmoeder, mijn zusje, de
verpleegsters: al die vrouwen hebben aan mijn beschaving gewerkt. Dat
verklaart misschien waarom ik zoveel in vrouwen heb belegd, wat mijn
gevoelens betreft. Wat feministen misschien op mij tegen zouden kunnen
hebben is dat ik een sterke impuls heb om vrouwen in eerste instantie te
vereren, tegen ze op te zien, ze te glorificeren. In plaats van dat ik ze
als gewone mensen zie. Dat kan ik wel, maar dat komt pas later, als ik ze
leer kennen." Morriën verkeert graag in vrouwelijk gezelschap. Hij
beklaagt zich over de platte, oninteressante gesprekken van mannen die hij
in zijn leven heeft moeten aanhoren: "De onderwerpen waarover ik met een
vrouw kan converseren, of schertsen, zijn veel gevarieerder. Je praat met
mannen toch zelden over bloemen, of over uiterlijke dingen, of over je
kinderen: de meeste mannen zijn daar snel over uitgepraat. De laatste
jaren reis ik in de trein eersteklas en daar tref je soms van die echte
zakenmannen, met flinke tassen vol papieren. Ik hoor dan hun gesprekken,
dat geouwehoer, zo van: 'Ik heb iets dat u vast wel interessant zult
vinden...' en dan grijpen ze in hun tas en komen met dossiers... Zo'n
leven lijkt me een verschrikking. Die mensen zijn helemaal gefixeerd op
hun werk. Ze zullen misschien wel een beetje verbeeldingsleven hebben,
maar dat laten ze niet blijken. Bij mannen zie je heel veel wat Léautaud
'le tic professionel' noemde: ze kunnen alleen nog in termen van hun
beroep denken en ondergaan dan langzamerhand in hun leven een
verschraling, een soort beroepsdeformatie. Misschien dat dat tegenwoordig
ook bij vrouwen vaker begint voor te komen, dat weet ik niet." Heeft hij
daar zelf dan nooit last van: dat hij alleen nog maar over het schrijven
kan praten? "Nee, daar praat ik buiten mijn werkkamer nooit over, tenzij
mensen dat per se willen. Onder mijn naaste vrienden zijn weinig
schrijvers. Die kunnen het meestal niet laten om over de literatuur te
spreken, en vooral over hun successen. Ik heb ze allemaal leren kennen, de
schrijvers van na de oorlog, maar echt bevriend was ik eigenlijk alleen
met Hans Lodeizen en Jan Hanlo. Eén van mijn beste vrienden was Harry
Lammertink, de karikaturist Yrrah. Die las weinig, spotte ook een beetje
met de literatuur, plaagde mij daarmee. Hij was heel ontwapenend..."
Vriendinnen
Gezien zijn voorkeur voor het gezelschap van
vrouwen ligt het voor de hand dat Morriën altijd veel vriendinnen heeft
gehad. Toch is dat niet zo. In ieder geval niet in zijn jeugd: "Wanneer je
in mijn omgeving als jongetje met een meisje omging, of zelfs maar met een
meisje praatte werd dat door je vriendjes onmiddellijk afgestraft. Dan was
je een 'mietje', een 'meidengek' ofzo. En meisjes zochten jou als jongen
ook niet op. In mijn jeugd was er tussen meisjes en jongens een geweldige
afstand, hoe dichtbij ze ook stonden, langs je liepen of in de klas zaten.
Bovendien was ik verlegen. Zeker in het begin, maar ook nog als man. Het
heeft lang geduurd voordat ik een café durfde binnen te gaan. Om een
meisje of vrouw te benaderen vond ik helemaal moeilijk. Omdat ik bang was
om afgescheept of bits behandeld te worden. Of niet mooi genoeg gevonden
te worden, niet aardig genoeg, enzovoorts. Ik had niet zo'n hoge dunk van
mijzelf." En toen die verlegenheid eindelijk een beetje over begon te gaan
was het de bekrompen tijdgeest van de jaren vijftig die roet in het eten
gooide: "Je kon toen niet zo maar met de vrouw van een vriend die je
aardig vond een afspraak maken om naar de bioscoop te gaan. Dat gebeurde
gewoon niet. Daar zouden ze iets achter zoeken, de mensen... Terwijl ik
helemaal niet met de vrouwen van mijn vrienden naar bed wilde; dat was me
veel te ingewikkeld en ik zou dat als verraad hebben beschouwd onder die
omstandigheden." Pas sinds de jaren zeventig bleek het voor Morriën
mogelijk om op een ongecompliceerde wijze vriendschappen met vrouwen te
onderhouden. Dat was voor hem een van de redenen om blij te zijn met de
omslag die de tweede feministische golf te weeg bracht. Een van de
bekendste voorvechtsters van vrouwenemancipatie, Joke Smit, heeft hij goed
gekend. In de jaren zestig zaten zij samen in de redactie van Tirade en
daarna waren ze collega's op het Instituut voor Vertaalkunde. "Ik vond
Joke erg intelligent en verstandig. Over emancipatievraagstukken
discussieerden we eigenlijk niet. Ik denk dat we het in principe wel met
elkaar eens waren wat dat betreft. In die emancipatiebeweging waren
bepaalde verschijnselen - die behoorlijke overdrijving van de Dolle Mina's
bijvoorbeeld - waarbij ik dacht: dat is toch een beetje afgekeken van de
jonge mannen. Zo van: 'Kijk, wij kunnen het ook!' Maar ik geloof niet dat
Joke daaraan meedeed. Als je iets aan de situatie van de vrouw wilt
veranderen moet je aan machtsvorming doen, in de politiek gaan. Je kunt
nog zo'n keel opzetten, maar wanneer je geen macht vormt - desnoods met
een Vrouwenpartij - dan lukt het niet. Dat waren ongeveer haar ideeën en
daar was ik het helemaal mee eens." In Tirade verschenen in de jaren
zestig weinig stukken geschreven door vrouwelijke auteurs. Maakte Joke
Smit daar nooit bezwaar tegen? "Nee, dat kan ik me niet herinneren. Er was
niets op tegen geweest om meer stukken geschreven door vrouwen te
plaatsen, maar die waren er toen niet in de hoeveelheid die je nu hebt.
Het aanbod was veel geringer. Je had Judith Herzberg, die begin jaren
zestig debuteerde. En Vasalis kon bij ons altijd publiceren, maar die deed
dat nooit. Van veel van de vrouwen die nu schrijven zouden we zeker dingen
hebben opgenomen, als ons die toen onder ogen waren gekomen."
© 2000 Sylvester Hoogmoed
Meer over Morriën
|
|