Ik heb nog een klein hoendertje
En dat moet er van de avond aan
Als ik mijn hoendertje braaien wil
Dan wordt mijn potje vuil
Als ik mijn potje schuren wil
Dan tintelt mijn duim
Als ik mijn duimpje warmen wil
Dan valt de schoorsteen in
Als ik mijn schoorsteen maken wil
Dan valt mijn deur in het slot
Als ik het slot verbreken wil
Dan val ik in het varkenskot
Mijn varken begon te zingen,
Mijn varken begon te springen,
Mijn varken heeft de rooie rok
Morgen ligt ie dood in het hok
Nog meer rommelpotliedjes

Klein zieltje, klein zieltje
Zit achter de deur, hoe treurt hij zo zeur
Ik zal er niet treuren, hoe groot of ik word
Ik val op mijn knieën en bid er voor god
Dan is alles gedaan (bis)
Dan zal er de hemel wel open gaan.

 

Hier woont een rijke man,
Die ons alles geven kan.
Uit en me luid mijn lied is uit,
Ik heb gezongen voor een duit.

Als er dan een bijdrage was ontvangen dan volgde als dank:

God zal je lonen,
Met honderdduizend kronen
Met honderdduizend rokken aan.

Alle versjes zijn in 1942 uit de mond van Culemborgers opgetekend.