|
Home
| Index |
Terug
|
Volgende
Gods Almacht.
God is almachtig maar Hij zet de strijd niet
voort omdat de vijand over ijzeren strijdwagens beschikt.
| (Genesis
17:1).....Ik
ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! |
| (Genesis 35:11) Voorts
zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! |
| (1
Kronieken 29:11) Uw, o
HEERE, is de grootheid, en de macht, en de heerlijkheid, en de
overwinning, en de majesteit; want alles, wat in den hemel en op aarde
is, is Uw: Uw, o HEERE, is het Koninkrijk, en Gij hebt U verhoogd tot
een Hoofd boven alles. |
| (Lukas 1:37) Want geen
ding zal bij God onmogelijk zijn. |
|
VERSUS |
| (Richteren 1:19) En de
HEERE was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar
hij ging niet voort om de inwoners des dals te verdrijven, omdat zij
ijzeren wagenen hadden. |
God is alziend maar maar vraagt toch aan Adam
waar hij zit als deze zich verbergt in de Hof van Eden. Ook moeten de Israelieten hun huizen markeren met bloed zodat God
hun huis voorbij zal gaan als Hij op pad is om alle eerstgeborenen in Egypte te
doden.
| (Spreuken 15:3) De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen,
beschouwende de kwaden en de goeden. |
| (Jeremia 16:17) Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij
zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid
verholen van voor Mijn ogen. |
| (Jeremia 23:24) Zou zich iemand in verborgene plaatsen
kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik
niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE. |
| (Hebreeën 4:13) En er is geen schepsel onzichtbaar voor
Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen, met
Welken wij te doen hebben. |
|
VERSUS |
| (Genesis 3:9) En de HEERE God riep Adam, en zeide tot
hem: Waar zijt gij |
| (Exodus 12:7-12) En zij zullen van het bloed nemen, en
strijken het aan de beide zijposten, en aan den bovendorpel, aan de
huizen, in welke zij het eten zullen.............En dat bloed zal
ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik
het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan; en er zal geen plaag onder
ulieden ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal. |
Jakob worstelt met God en als
Jakob de
sterkste blijkt te zijn maakt God hem invalide. Desondanks heeft Jakob Hem nog
steeds in de houdgreep en hij laat God niet gaan voor deze hem gezegend heeft.
|
(Genesis 32:25-26) En
toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner
heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij
met hem worstelde. En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad
is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij
mij zegent.
|
Home
| Index |
Terug
|
Volgende
|