vliegmachines.net

Het vliegtuig van de eerste eeuw

Douglas DC-3


C-47 van de Griekse luchtmacht (foto: Hellenic Air Force Museum)

Wat het vliegtuig van de eeuw is geweest in de eerste honderd jaar van het gemotoriseerde vliegtuig (1903-2003), daar is geen twijfel over mogelijk. Deze verbazingwekkende machine begon zijn carrière als een transcontinentaal en intercontinentaal verkeersvliegtuig voor de rijken van de aarde, werd de standaard verkeersmachine van de hele wereld, trok een olijfgroen uniform aan om een hoofdrol te spelen in de ingrijpendste van alle oorlogen, verhief de burgerluchtvaart uit de puinhopen, vloog de eerste charterpassagiers naar de zon en dient tot op de dag van vandaag als een vliegende muilezel in onbegaanbare gebieden. Het is de Dakota, de Gooney Bird, de Douglas DC-3.

Eerst waren er, uiteraard, de DC-1 en de DC-2. Van de 26 miljoen mijlen die de Amerikaanse luchtvaartmaatschappijen aflegden in het eerste halfjaar van 1935, werd 28 procent gevlogen door een paar dozijnen DC-2’s, die slechts 8 procent van de luchtvloot uitmaakten. De directeuren waren opgetogen. Eindelijk was er ‘pie in the sky’ – of kon je ‘leven van de lucht’, om een uitdrukking van Albert Plesman te gebruiken. Van blijdschap zag aanvankelijk niemand dat er nog veel meer in het vat zat, dat wil zeggen: in de Douglas Commercial. Toen de DC-3 in gebruik werd genomen, daalden de kosten per stoelkilometer nog eens een keer drastisch, doordat het grotere vliegtuig slechts een paar procenten duurder was in het gebruik. Maar de DC-3 kwam er via een zijspoor – als een vliegende slaapwagon.

Van DST tot DC-3
Cyrus Rowlett Smith, directeur van American Airlines, is de geestelijke vader van de DC-3. In de zomer van 1934 bevond ‘CR’ zich aan boord van een van zijn vliegtuigen – niet een van de DC-2’s die hij onmiddellijk na zijn aantreden had besteld, maar een Curtiss Condor-tweedekker die AA sinds kort inzette als ‘slaapvliegtuig’ tussen Dallas en Los Angeles. Die nacht bedacht Smith hoe hij het imago van zijn nachtvluchten kon verbeteren: met een Douglas-slaapvliegtuig! Terug in Chicago telefoneerde hij met Donald Douglas, die niet bepaald stond te springen: terwijl hij de DC-2’s niet kon aanslepen, waren nachtvluchten 'zo populair als een stomme film'. Maar Smith bleef naar Californië bellen. 'Ik moest wel ja zeggen,' zei Douglas later. 'Z’n telefoonrekening werd zó hoog dat-ie z’n DC-2’s niet meer kon betalen.'
De romp van de DC-2 verbreden en iets verhogen en verlengen, en de vleugel iets vergroten bleek niet zo simpel als Arthur Raymond, Fred Stineman en de andere ontwerpers hadden gedacht. Pas na meer dan 250 windtunnelproeven waren de resultaten bevredigend. Uiteindelijk kon minder dan 15 procent van de onderdelen van de DC-3 worden gebruikt. Meer dan een half miljoen dollar koste de ontwikkeling van de Douglas Sleeper Transport (DST), en de bouw van het prototype kostte meer dan een jaar. Maar het was het waard. Piloot Carl Cover kon tevreden zijn na de eerste vlucht vanaf Clover Field in Santa Monica op 17 december 1935. Het enige venijn zat in de staart, die bij een bepaalde snelheid en bepaalde vlieghoogten heftig kon gaan schudden. Kleine aanpassingen aan de staartvlakken elimineerden dit probleem.
Niet alleen het vliegtuig, ook het interieur was bijzonder zorgvuldig ontworpen. Zachte, rustgevende kleuren werden toegepast. Donkere tinten op de vloer gaven de passagiers een gevoel van stevigheid en veiligheid, terwijl een licht plafond moest helpen tegen claustrofobie. Aan elke kant van het gangpad stonden zes comfortabele bankjes, in paren tegenover elkaar die tot één bed konden worden uitgeklapt. Daarboven kon nog een bed uit het plafond worden neergeklapt. Voorin, tegenover de kombuis, bevond zich nog een afgezonderde coupé voor twee, de ‘bruidssuite’. Zo was er slaapgelegenheid voor veertien passagiers. De bankjes waren echter breed genoeg voor twee, zodat de DST overdag het dubbele aantal kon vervoeren.


(foto: Boeing)

In juni 1936 opende het nieuwe vliegtuig American Airlines’ rechtstreekse lijndienst Chicago-New York. Drie maanden later verving de DST de Curtiss Condor op de nachtdienst New York-Los Angeles, via Nashville, Dallas en Tucson. De machine uit New York vertrok om 17.10 uur van Newark om ’s ochtends om 8.50 uur te landen op LA-Glendale – tenminste, volgens de dienstregeling. Naar het oosten ging het twee uur sneller.
Inmiddels stonden de klanten bij Douglas in de rij voor de DC-3 day plane met stoelen – standaard slechts 21, in zeven rijen van twee links en een rechts van het gangpad. Orville Wright, mede-uitvinder van het vliegtuig, kwam ervoor naar het vliegveld toen Trans World Airlines het vliegtuig van de eeuw introduceerde in Dayton, Ohio. 'Ik heb me laten vertellen dat-ie zó geluiddicht is dat de passagiers met elkaar kunnen praten zonder te schreeuwen. Dat is een prachtige verbetering,' sprak de 65-jarige pionier. 'We hebben altijd geweten dat lawaai iets was wat we moesten uitbannen om de mensen aan het vliegen te krijgen. Onwillekeurig wordt het in verband gebracht met gevaar.'
Ook de KLM was er weer vroeg bij en ontscheepte in oktober 1936 in Rotterdam haar PH-ALI Ibis. Op 16 december, één jaar na de eerste vlucht van de DST, vertrok dit toestel op zijn eerste Indiëvlucht. Slechts 11 passagiers in ligstoelen vervoerde de DC-3 op deze route.

Vliegersrapport
De DC-3 was een stuk makkelijker te vliegen dan de kleinere DC-2, zo constateerde ook Vliegwereld, dat de PH-ALH Hop aan de tand voelde. De stabiliteit om alle assen was uitstekend dankzij de opnieuw ontworpen vleugel, waarvan het drukpunt naar voren was verlegd, en het grote kielvlak met 'een veel gunstiger gevormd roer,' aldus het blad in juni 1937. 'De DC-3 heeft natuurlijk ook een automatische piloot van het fabrikaat Sperry. Voor de grap hebben we deze even aangezet. Het vliegen is dan kinderlijk eenvoudig. Er zijn drie knopjes, één voor klimmen, één voor de helling en één voor het bochtenwerk en door die knopjes te draaien, kan men de machine de mooiste bochtjes laten maken.'
Het overtrekgedrag was voorbeeldig. 'Eenmaal op voldoende hoogte hebben we het gas dicht getrokken, om daarna langzaam het volant naar achteren te trekken. We hebben daarbij gevlogen met een snelheid van 105 km en nog toonde de machine geen neiging om weg te vallen. Wel even een zacht schudden, maar daarop ging netjes en langzaam de neus iets omlaag en liep de snelheid, terwijl we getrokken bleven zitten, weer op.' Ernest Gann, een vroege vlieger van American Airlines en schrijver, voegt hieraan toe: 'De lage overtreksnelheid, gecombineerd met de bijna volledige effectiviteit van de roeren bij lage naderingssnelheden, laat het gebruik toe van heel korte banen. Je kan de neus omhoog houden en neerkomen in een bijna-overtrek. In de handen van een goede piloot kunnen DC-3’s worden geland in zowat elke knollentuin die een optimist een vliegveld durft te noemen.' Een latere piloot vergeleek de traag landende Dakota met een oud vrouwtje dat zich klaarmaakt om naar bed te gaan.
De eerste vliegers kregen wel de bibbers van de buigzame honingraatconstructie van de dunne, slanke vleugels, die daardoor op en neer klapperden op een manier die ze niet gewend waren. Minstens één vlieger was helemaal niet blij met de DC-3. Deze dissident was Willem van Veenendaal van de KLM, die de Ibis 'een nare kist' vond. Het met zoveel zorg gekozen halfzachte kleurtje van de cabine stond hem tegen, de aanloop van 235 meter bij een volledige belasting noemde Van Veenendaal 'een lange start' en 'hij trilde bij een bepaald toerental.' Dat laatste klopte, maar was uiteraard te wijten aan de negencilinder Wright Cyclone G-stermotoren van veel vooroorlogse DC-3’s. United Airlines, dat zich gedwongen zag zijn Boeing 247’s door DC-3’s te vervangen, koos als eerste de DC-3A met de duurdere, veertiencilinder Pratt & Whitney Twin Wasp, die niet zo trilde en tevens voor betere prestaties zorgde.


KLM's Specht verongelukte op 6 oktober 1937 (foto: Dutch Dakota Association)

Oorlog
Douglas leverde 433 DC-3’s aan luchtvaartmaatschappijen in alle werelddelen. Omstreeks 1940 nam de DC-3 driekwart van het luchtverkeer in de Verenigde Staten voor zijn rekening. Maar ook dertig buitenlandse maatschappijen vlogen al met DC-3’s, waarvan er zeventig in Europa waren verkocht via Fokker. De eerste twee DC-3’s voor de Sabena werden begin 1939 afgeleverd – maar de Belgische maatschappij zou er niet lang plezier van hebben. Gedurende de Duitse invasie in mei 1940 vlogen ze op een luchtbrug tussen Frankrijk en Engeland, waarbij de OO-AUI bij Calais werd neergeschoten. De OO‑AUH belandde in Algiers, waar het toestel aan de ‘zegevierende’ Italiaanse luchtmacht werd toegewezen. Uiteindelijk kwam het terecht in de vloot van buitgemaakte Tsjechoslowaakse en Nederlandse DC-3’s die de Deutsche Lufthansa onder meer inzette op haar lijndienst naar Spanje en Portugal. In Lissabon ontmoetten zij hun naar Engeland ontsnapte soortgenoten waarmee de KLM voor de Britten een dienst op Portugal onderhield… In 1943 werd hierbij de trouwe Ibis door Duitse Ju 88-nachtjagers neergeschoten. Drie vooroorlogse DC-3’s van de KLM overleefden de oorlog en vlogen daarna nog korte tijd in KLM-kleuren. Hieronder was ook de Valk, die door zijn Duitse bemanning in april 1945 in Barcelona werd achtergelaten.
De Lufthansa onderhield ‘haar’ DC-3’s overigens keurig volgens de laatste richtlijnen van de Amerikaanse luchtvaartdienst, met Zwitserse of Zweedse medewerking. Sommige van deze machines dienden ook bij de Luftwaffe en het Kampfgeschwader 200 schijnt er minstens één te hebben ingezet voor clandestiene missies. Dit waren zeker niet de enige ‘foute’ DC-3’s; de Japanners hadden er namelijk honderden.

Onder de rijzende zon
De Japanse luchtvaartmaatschappij Dai Nippon had twintig DC-3’s gekocht van Douglas. In 1938 kocht de handelsonderneming Mitsui de rechten voor de licentiebouw, die werd uitgevoerd door Showa en eerst ook door Nakajima. Zij leverden een toestel of veertig aan Dai Nippon Koku en Chuka Koku in China, maar de ware opdrachtgever was de Japanse marine, die de DC-3 aanduidde als het Transportvliegtuig 0 (de nul was, net als bij de Zero-jager, afgeleid van het Japanse jaar 2600 – 1940) ofwel L2D (transportvliegtuig volgens de tweede specificatie, ontwerp Douglas/Showa). De L2D werd aangedreven door veertiencilinder Mitsubishi Kinsei-stermotoren. Het toestel had een paar extra raampjes achter de cockpit en een rond raampje in de bemanningsdeur. In totaal werden ongeveer 485 passagiers- en vrachttoestellen gebouwd, de latere met veel houten onderdelen om strategische materialen te sparen. De L2D3-variant had, naast de normale bemanning van twee vliegers en een bwk, ook nog een marconist en een navigator aan boord, en de L2D3-1-versie had houders onder de romp voor het transport van twee vliegtuigpropellers. De Japanse Keizerlijke Marine gebruikte de Showa L2D in het hele gebied van de Stille Oceaan en in China. De geallieerden gaven de Japanse DC-3 de roepnaam Tabby.

De Hump en de CNAC
Misschien wel zijn grootste prestatie leverde de DC-3 aan de geallieerde kant van het China-Birma-India (CBI)-front. Begin 1942 sneden de Japanners de Birma-weg af, waardoor de geallieerden China alleen nog konden bevoorraden door de lucht – over de Hump, zoals de piloten het Himalaya-gebergte noemden. DC-3’s stonden ruim een jaar lang alleen voor deze zware taak, tot grotere Curtiss C-46 Commando’s beschikbaar kwamen.
De DC-3 had toen al vijf jaar oorlog achter de rug. Het begon met de verbazingwekkende machines van de China National Airways Corporation (CNAC), een dochter van Pan Am, die bergen verzetten op de Chinese terugtocht voor de oprukkende Japanners. Eén DC-3 landde in India met een slordige 75 personen aan boord… De drie DC-2’s en drie DC-3’s waren hun gewicht in goud waard. Toen een DC-3 de rechtervleugel had verloren in een Japans bombardement, werd een reservevleugel overgevlogen onder de buik van een ander toestel en gemonteerd – alleen was het de anderhalf meter te korte vleugel van een DC-2… De ‘DC-2½’ landde veilig in Hongkong. Later in de oorlog zouden vele malen vleugels worden vervoerd onder de buik van een DC-3.

Gooney en Dak
Er was een echte ‘DC-2½’: het militaire prototype C-38 was een DC-2 met de vleugels van de DC-3. Al in 1933 zag de latere generaal Henry ‘Hap’ Arnold in de nieuwe DC-1 van zijn vriend Donald Douglas een 'muilezel van de lucht', die voor het kleine Amerikaanse leger een aanvoerlijn door de lucht kon verzorgen. Na een aantal DC-2’s ontving de legerluchtmacht 35 C-39’s en een paar C-41- en C-42-stafvliegtuigen, die waren gebaseerd op deze ‘DC-2½’. De eerste DC-3 in militaire dienst was een wat ruimere C-41A.


C-53 Skytrooper

De eerste militaire variant van belang was de C-53 Skytrooper, die overigens nauwelijks verschilde van de civiele DC-3. De eerste van 400 C-53’s kwam in dienst kort voor de Japanse aanval op Pearl Harbor. Hierna vorderden de strijdkrachten 200 civiele DC-3’s, waarvan er 150 nog in aanbouw waren. Ze kregen een brei van verschillende aanduidingen: C-48 tot en met C-52, C-53C, C-68, C-84. Maar de echte muilezel was de C-47 Skytrain, die weldra op elk front dienstdeed. De Amerikaanse militairen gaven de DC-3 de koosnaam Gooney Bird, naar de Laysan-albatros, een wat koddig aandoende vogelsoort van de Midway-eilanden, die in de oorlog enigszins berucht werd door een groot aantal aanvaringen met vliegtuigen daar.
De C-47 had een versterkte vloer en een grote vrachtdeur links achter in de romp. Vrachtvliegtuigen met een achterlaadklep bestonden nog nauwelijks, maar de C-47 kon drie vliegtuigmotoren laden, twee jeeps of een klein stuk veldgeschut – en nog wel grotere zaken ook, als het echt moest. Tankwagens en bulldozers werden met snijbranders in stukken gesneden om na transport per C-47 weer meer of minder netjes aan elkaar te worden gelast. Het maximumstartgewicht van 11 ton was officieel tot 14 ton verhoogd, maar de piloten wisten ook nog de lucht in te komen met gewichten van 16 ton – meestal, tenminste. De beladingsregels waren simpel: alles ging zo ver mogelijk naar voren om het toestel niet al te staartlastig te maken.
De productie piekte op 573 C-47’s in één maand. In totaal rolden er meer dan 9000 C-47’s uit nieuwe fabrieken in Long Beach en in Oklahoma: zo’n 1000 C-47’s, 5000 C-47A’s met een 24-volts in plaats van een 12-volts elektrisch systeem en 3000 C-47B’s met een extra aanjager op de Twin Wasp-motoren voor de vluchten over de Hump. Als de extra aanjager was verwijderd, stond de B-versie bekend als C-47D. Nog eens 133 C-47B’s werden voltooid als TC-47B-navigatietrainer en 17 als C-117A-passagiersvliegtuig. Buiten de genoemde aantallen bouwde Douglas nog 500 Skytrains en Skytroopers voor de Amerikaanse marine, die ze aanduidde als R4D. Het aantal in Amerika gebouwde DC-3’s – inclusief 28 na de oorlog uit overtollige onderdelen opgebouwde DC-3D’s – komt daarmee op ongeveer 10.600. Hiervan werden er ruim 700 aan de Russen overgedragen en ongeveer 2000 aan Groot-Brittannië en de Gemenebestlanden. De Engelsen hadden de gewoonte hun transportvliegtuigen geografische namen te geven, en de Douglas DC-3 kreeg een Amerikaanse naam met een D: de C-47, C‑53, C-47A en C-47B werden de Dakota Mk.I tot en met Mk.IV. De eerste Britse machines kwamen in juni 1942 in dienst aan het Birmese front.
Niet alleen over de Hump, maar ook bij het luchttransport over de Atlantische Oceaan was de Dakota onmisbaar voordat grotere vliegtuigen beschikbaar kwamen. Oceaanvluchten met de DC-3 werden routine, via Groenland en IJsland naar Groot-Brittannië, maar ook via de Cariben, Brazilië en Ascension naar Afrika. In de Stille Oceaan hadden de geallieerden niet op Guadalcanal en oostelijk Nieuw-Guinea kunnen standhouden zonder de Gooney Bird. Maar het meest dramatisch was zijn rol in de grote geallieerde luchtlandingsoperaties in Europa, die in het algemeen gepaard gingen met grote verliezen onder de parachutisten en onder de troepen in de gesleepte zweefvliegtuigen, en in mindere mate onder de C-47’s en C-53’s. Boven Sicilië in juli 1943 werden zij zwaar beschoten door het eigen luchtdoelgeschut, en een voor de verdedigers van het eiland bedoelde kanonskogel zou recht door de romp van een C-47 zijn geslagen, zonder fatale gevolgen… In de eerste aanvalsgolf op D-Day zetten de Amerikanen meer dan 900 C-47’s en C-53’s in, die 13.000 para’s en 4000 man in 100 zweefvliegtuigen neerlieten in Normandië. De grootste luchtlanding van allemaal was operatie Market Garden. Op 17 september 1944 dropten ruim 1500 DC-3’s bijna 40.000 man Amerikaanse, Britse en Poolse troepen, onder wie 18.000 man in bijna 500 zweefvliegtuigen, in de buurt van Eindhoven, Nijmegen en Arnhem. De slechte afloop is bekend.

Held van de Sovjet-Unie
De Sovjet-Unie kreeg, zoals al is opgemerkt, 700 C-47’s voor de beslissende strijd aan het Oostfront. Maar de Russen waren voor de oorlog al zo onder de indruk van de economische kwaliteiten van de DC-3 dat Aeroflot 21 toestellen kocht. Vervolgens verwierf Moskou een licentie. De ingenieur Boris Lisoenov verbleef ruim twee jaar bij Douglas in Santa Monica voordat Vliegtuigfabriek nr. 84 in Moskou-Chimki begon met de productie van de PS-84 (Passazjyrski Samoljot, passagiersvliegtuig). De PS-84 kwam in juni 1940 in dienst bij Aeroflot. In oktober 1941, toen de Duitsers Moskou bedreigden, werd de productie verplaatst naar Tasjkent in Oezbekistan. De aanduiding PS-84 werd in september 1942 veranderd in Li-2, naar Lisoenov. Stalin en zijn generaals spraken overigens gewoon van 'Douglas-toestellen'. De door de Russen gebouwde toestellen hadden een extra raampje achter de cockpit en de passagiersdeur aan de rechterkant. De Ash-62-motoren waren afgeleid van de Wright Cyclone, maar de prestaties lagen aanmerkelijk lager dan met de Cyclone, laat staan de Twin Wasp. Dit kwam doordat Lisoenov de constructie van het vliegtuig nóg sterker had gemaakt, wat gerust overdreven mag worden genoemd. Het aantal in de Sovjet-Unie gebouwde toestellen wordt tegenwoordig gesteld op 4863 of nog veel meer, waarmee de totale productie van de DC-3 uitkomt op meer dan 15.000 stuks. De meeste Li-2’s waren militaire transportvliegtuigen en (nacht)bommenwerpers. Sommige hiervan hadden een mitrailleurkoepel op de rug, net als bepaalde Japanse L2D’s trouwens. Behangen met vier bommen van 250 of 500 kg is de Li-2 daadwerkelijk als bommenwerper ingezet, zelfs nog in 1944 bij een aanval op Helsinki. Na de oorlog zag de wereld er heel anders uit. Na de DC-3’s met rode bollen kregen nu die met de rode sterren een roepnaam van het Westen: Cab. De Li-2 diende niet alleen voor transportdoeleinden, maar ook als navigatietrainer, weervliegtuig, visserijverkenner, sproei- en blusvliegtuig en fotovliegtuig. In de eerste jaren na de oorlog vormden Li-2’s en C-47’s de ruggengraat van Aeroflot, terwijl ook Li-2’s werden geleverd aan de zustermaatschappijen in andere Oostbloklanden. Ondanks de verschijning van de Ilyushin Il-12 en Il-14 bleven de ‘Douglas-toestellen’ tot in de jaren zestig een grote rol spelen in de Sovjet-Unie, vooral voor gewone mensen in afgelegen oorden als Tsjerski in Noordoost-Siberië, waar een Li-2 als monument is opgericht.

Een stapje terug
In het Westen ging het niet veel anders. C-47’s en Dakota’s, in gigantische aantallen beschikbaar en meer of minder volledig tot verkeersvliegtuig verbouwd, tilden de burgerluchtvaart uit de puinhopen van de oorlog. Ook de KLM en de Sabena stelden tientallen DC-3’s in gebruik. Zijn vooroorlogse glansrol als het vervoermiddel van filmsterren zou de DC-3 echter niet terugkrijgen, want de oorlog had een technologische stroomversnelling met zich meegebracht, waardoor het tien jaar oude ontwerp op sommige punten was achterhaald. Het geperfectioneerde viermotorige vliegtuig verdrong de Dakota al meteen van de transcontinentale en intercontinentale routes. Maar ook op middellange afstanden was de DC-3 niet meer een van de vlugste. Douglas kwam in 1949 op de proppen met de Super DC-3. Deze had een langer rompvoorstuk, nieuwe vleugelbuitenstukken, een nieuw staartstuk, beter gestroomlijnde motorgondels en nieuwe motoren. De Amerikaanse marine liet honderd Gooney Birds moderniseren en gaf ze de aanduiding R4D-8, later C-117D. De luchtvaartmaatschappijen voelden er echter weinig voor 140.000 dollar te betalen voor een gebruikt legervliegtuig dat voor 20.000 dollar of nog veel minder op de kop was getikt op een dump – ook al was het een onverslijtbare DC-3. American Airlines nota bene liet Convair de CV-240 ontwikkelen, die een drukcabine had en een neuswielonderstel en daarmee een horizontale laadvloer op de grond. Toonaangevende maatschappijen, waaronder de KLM, gingen al snel op dergelijke vliegtuigen over. Toch overleefde de DC-3 – de originele DC-3, wel te verstaan – al deze toestellen, want niet iedereen vroeg om zoveel verfijning. Veel gewezen oorlogsvliegers en andere avonturiers beproefden hun commerciële geluk met een eigen Dakota, waarmee ze vracht gingen vervoeren of 28 of 32 passagiers in rijen van vier. De eerste charterpassagiers herinneren zich de DC-3 vertederd als het vliegtuig dat hen al brommend naar Spanje bracht.

Berlijn en Djokja
Veel rustiger was de wereld er inmiddels niet op geworden. In juni 1948 sloten de Russen de wegen, vaarwegen en spoorwegen naar West-Berlijn in een poging om de westerse bezettingszones van de Duitse hoofdstad over te nemen. De Amerikanen, geholpen door de Britten, reageerden met een luchtbrug. Nooit was de naam van de C-47 – Skytrain – toepasselijker, want hoewel de C-54 Skymaster als de Rosinenbomber de geschiedenis is ingegaan, was het in de eerste maanden opnieuw de DC-3 die de kastanjes uit het vuur moest slepen – of in dit geval de kolen in het vuur, want zelfs de energie voor een stad van twee miljoen mensen moest door de lucht worden aangevoerd. Het leverde weer mooie verhalen op. 'Deze kist heeft het gehad. Hij wil niet meer vliegen,' riep een piloot na een zware landing in Berlijn. Zijn zwoegende C-47 bleek geen lading aluminium platen aan boord te hebben, maar platen van staal die zes ton wogen…


C-47's worden gelost op het Berlijnse vliegveld Tempelhof (foto:
Thijs Postma Aviation)

Terwijl de Berlijnse luchtbrug in volle gang was, begon Nederland de 'Tweede Politionele Actie' in Indonesië. Een vloot van 36 luchtmacht- en marine-Dakota’s vloog, nadat parachutisten het vliegveld van de republikeinse hoofdstad Djokjakarta hadden ingenomen, 2500 soldaten in en 500 ton aan jeeps en ander materieel. Dit legertje bezette de stad en wist republikeinse leiders gevangen te nemen – een militair succes waar Den Haag overigens weinig mee zou winnen. De laatste Nederlandse militaire Dakota’s dienden begin jaren zestig in Nieuw-Guinea.
De 15e Wing van de Belgische Luchtmacht had maar liefst 41 Dakota’s. De meeste werden opgevolgd door C-119 Flying Boxcars, maar sommige speelden nog een belangrijke rol bij de evacuatie van Belgisch Congo toen de kolonie onafhankelijk werd in 1960, en de laatste Belgische toestellen vlogen tot in de jaren zeventig.

Korea en Vietnam
Veel eerder, in de oorlog in Korea waren C-47’s vaak de enige transportvliegtuigen die er konden opereren van de slechte vliegvelden, zoals een door een omsingelde divisie Amerikaanse mariniers uitgehakte strip vanwaar C-47’s 4700 gewonden evacueerden. Inmiddels zat de DC-3 al tot zijn nek in de dertigjarige oorlog in Zuidoost-Azië. De eerste Franse C-47’s met soldaten kwamen in september 1945 aan in Saigon; en in 1975, tijdens de Amerikaanse aftocht, was de DC-3 nog steeds actief. Eentje landde in Saigon met 98 weeskinderen en acht volwassenen aan boord, daarbij niet zijn onderstel brekend maar wel het record van de CNAC. C-47’s uitgerust met luidsprekers en pamfletten vlogen psychologische oorlogvoeringsmissies boven Vietnam; SC-47’s, met startraketten, en RC-47’s voerden verkennings- en reddingsvluchten uit vanaf vooruitgeschoven veldjes; en EC-47’s met peilapparatuur speurden naar radioverkeer in de jungle. Daar bleef het niet bij, want op z’n oude dag debuteerde de DC-3 als een vliegende kanonneerboot, bewapend met drie naar bakboord gerichte zesloops machinegeweren waarmee de piloot van de AC-47, rondjes vliegend, een gronddoel constant onder vuur kon houden. De Amerikanen verloren in Zuidoost-Azië 41 C-47’s en twee C-117D’s.

Bushplane
De karaktertrekken die hem geschikt maakten voor militaire opdrachten in de jungle – degelijkheid, korte start- en landingslengte, voorbeeldige vliegeigenschappen – maakten van de Dakota natuurlijk ook een geweldige civiele bushplane – en zelfs een bovenmaatse landbouwsproeier. Waar de vliegvelden slecht zijn, de vliegafstanden kort en het vervoersaanbod beperkt, daar is de DC-3 nog steeds een bruikbaar vliegtuig.
Het zal u niet verbazen dat het vliegtuig met het grootste aantal bedrijfsuren een DC-3 is, en wel de N136PB van Provincetown Boston Airlines, die in 1999 91.400 uur had gevlogen. Dat is meer dan tien jaar in de lucht! Deze eerbiedwaardige vliegmachine is onlangs uit het commerciële verkeer teruggetrokken om tot een vliegend museumstuk te worden gerestaureerd. Zelfs een Douglas DC-3 heeft namelijk niet het eeuwige economische leven, al is de Dakota nog niet met pensioen gegaan op zijn 65e verjaardag in december 2000. Vlogen er omstreeks 1985 nog 400 toestellen bij luchtvaartmaatschappijen, vele honderden voor privé-eigenaars en (parachutisten)clubs en 500 in militaire dienst, nu zijn hun rijen verminderd tot enkele honderden civiele toestellen en minder dan honderd militaire. Tragisch is het lot van sommige van deze oudgedienden, wier aangezicht wordt verminkt met slanke turbopropmotoren. De veelal arme eigenaren van deze toestellen kun je moeilijk verwijten dat ze de nuttige levensduur van hun vliegtuig nog een paar jaar proberen te rekken; maar op een Griekse tempel zet je ook geen dakkapel. Als ik moet kiezen, geef ik er de voorkeur aan een DC-3 te zien sterven in het harnas van zijn stermotoren, en ik denk dat velen het hartgrondig met me eens zijn. Ik wil afsluiten met het briefje dat de vlieger van de C-47 Old Miscellaneous, toen hij in de oorlog afscheid moest nemen van ‘zijn’ Gooney Bird, in de cockpit achterliet – ik denk met tranen in zijn ogen: 'Dit is de oudste, snelste C-47 in de Zuidwest-Pacific, dus in wiens handen ze ook valt: zorg goed voor haar en ze zal je altijd naar je bestemming brengen.'

© Peter de Jong 1999

Technische gegevens

C-47

Spanwijdte

28,96 m

Lengte

19,65 m

Vleugeloppervlak               

91,7 m2

Motoren

2 x Pratt & Whitney R-1830

Motorvermogen                    

2 x 1200 pk

Leeggewicht                           

7700-8100 kg

Startgewicht        

11.430-14.970 kg

Topsnelheid                           

369 km/u

Kruissnelheid                         

257-298 km/u

Vliegbereik                              

±2400 km

luchtverkeer
de Tweede Wereldoorlog
de Koude Oorlog