De ijzeren tante
Junkers Ju 52
deel 1: Vergeten verdiensten

Ju 52/3m van de
Duits-Russische luchtvaartmaatschappij Deruluft (foto: Thijs Postma Aviation)
De Junkers Ju52 is vooral bekend
en berucht gebleven als het alomtegenwoordige Duitse transportvliegtuig in de
Tweede Wereldoorlog. Maar ‘Tante Ju’, ofwel ‘Iron Annie’, schreef ook als
verkeersvliegtuig geschiedenis.
Natuurlijk, de Ju 52 staat wat in de schaduw van zijn nóg grotere
Amerikaanse tegenvoeter, de DC-3.
De gestroomlijnde toestellen van Douglas, met hun zelfdragende schaalromp,
waren de voorlopers van het moderne verkeersvliegtuig. De Ju 52, die een paar
jaar eerder verscheen, was daarentegen het eindpunt van de eigen bouwwijze van
Junkers, waarbij een metalen geraamte was bekleed met aluminium golfplaten, die
lasten droegen in één richting. De golfplaten Junkers hielden het daarmee ltijd
nog een generatie langer uit dan de Fokkers van buizen, hout en linnen, die hun
grote concurrenten waren in de jaren twintig.
Op de dag dat de kanonnen zwegen aan het westelijk front in 1918, zo wil het
verhaal, gaf professor Hugo Junkers zijn mensen opdracht het werk aan militaire
toestellen te staken en een verkeersvliegtuig te bouwen. Het resultaat was de
Junkers F13 met plaats voor vier passagiers, die eruitzag als een blikken
speelgoedvliegtuigje van de gebroeders Märklin, maar een van de belangrijkste
vroege verkeersvliegtuigen was. De W33/34 uit 1926 was een gemoderniseerde F13.
Inmiddels verschenen ook driemotorige Junkers, de G23/24 en later de G31.
Vrachtvliegtuig
In die tijd wilden luchtvaartmaatschappijen driemotorige
passagiersvliegtuigen, met het oog op de veiligheid van hun klanten, maar voor
luchtvracht wilden ze liever eenmotorige toestellen, die immers economischer
zijn bij hetzelfde vermogen. In 1929 ontwierp Ernst Zindel een eenmotorig
vrachtvliegtuig dat dezelfde beproefde constructie bezat als de W33/W34, maar
op veel grotere schaal: de Ju 52. Een nieuwtje was een ‘hulpvleugel’ – flaps en
rolroeren langs de hele vleugelachterrand, die zorgden voor een
landingssnelheid van maar 95 km/u. De cabine had een laadvloer van 6,4 bij
1,6 meter, met nog een klein compartiment erachter en vier ruimen in de
buik. Het prototype was rijkelijk voorzien van deuren en luiken, inclusief een
vrachtdeur van 1,8 bij 1,25 meter aan de linkerkant en een dakluik voor het
laden van langwerpige vracht.

Ju 52/1m
In september of oktober 1930 voerde Flugkapitän
Zimmermann de eerste vlucht uit. Een 1000 pk krachtbron voor deze
vliegende verhuiswagen was niet voorhanden; na een paar vluchten met een andere
motor kreeg het prototype een BMW VII (Pratt & Whitney Hornet)
van 755 pk, waarmee de aanduiding veranderde van Ju 52ba in
Ju 52be. In dit systeem gaven de eerste volgletter(s) de algemene
uitvoering aan en de laatste volgletter het motortype.
De Ju52 was vooral bedoeld voor de luchtvaartmaatschappijen in het verre
buitenland die door de Duitsers waren opgezet, zoals Junkers-Luftverkehr
Persien in Iran. Maar de animo voor luchtvrachtoperaties was even snel gezakt
als de aandelenbeurzen in oktober 1929. Bovendien was het vliegtuig
‘underpowered’. Hoewel er zeven werden gebouwd, wist Junkers maar één
eenmotorige Ju 52/1m’s te verkopen – naar Canada, waar dit toestel vloog
tot in 1947, afwisselend met wielen, drijvers en ski’s.
Trimotor
Ontwerper Zindel had echter rekening gehouden met een driemotorige
uitvoering, die op 7 maart 1932 de eerste vlucht maakte. Opmerkelijk was
dat de buitenmotoren zes graden schuin naar buiten stonden in een poging om de
richtingsstabiliteit te verbeteren. De drie motoren waren 600 pk Hornets.
Het motorvermogen werd zo meer dan verdubbeld. Als passagiersvliegtuig bood de
nieuwe variant plaats aan 14 tot 17 personen, naast de drie bemanningsleden.

Het prototype van de Ju 5/3.
De uitlaat van de middelste Hornet-motor voerde over de cockpit
De Ju 52/3m was net zo’n grote
vooruitgang als de Fokker F.VII/3m was geweest in 1925. Het eerste toestel voor
Deutsche Lufthansa, D-2201 Boelcke, nam in juli 1932 deel aan een
vliegshow in Zürich, waar het de Fokker F.XII zijn staartlicht liet zien. Op de
terugvlucht kwam de Ju 52 frontaal in botsing met een Udet U.12 Flamingo. Niet
alleen kon de Junkers een noodlanding maken in een korenveld, eind augustus was
het toestel gerepareerd en wel terug in Zürich voor de zogeheten
Alpenrondvlucht: Zürich-Genève-Milaan-Zürich, een afstand van 708 km, die het
aflegde in een recordtijd van 3 uur, 43 minuten en 29 seconden.
Deze machine en nog twee Ju 52/3mce’s vlogen proef op Lufthansa’s
internationale lijndiensten Berlijn-Hannover-Amsterdam-Londen en Berlijn-Rome –
ook over de Alpen. In de cabine van de Ju 52 konden zuurstofmaskers voor
de passagiers worden aangebracht voor hoogtevluchten.
Het driemotorige prototype werd verkocht aan de Duits-Boliviaanse maatschappij
LAB, die opereerde vanaf het vliegveld van La Paz, het hoogste van de
wereld op 4000 meter. Vier andere Ju 52/3mde’s die nog als eenmotorige
toestel in aanbouw waren genomen, gingen ook naar Zuid-Amerika: een naar LAB en
drie naar het Colombiaanse leger, via Junkers’ vestiging in Zweden, waar ze werden
voorzien van drijvers. Ook als watervliegtuig deed de Ju 52/3m het goed.
Twee Ju 52/3mce’s op drijvers werden in dienst genomen door AB
Aerotransport en Aero O/Y uit Finland, op de lijnen Stockholm-Helsinki en
Helsinki-Königsberg (nu Kaliningrad). Een Ju 52/3mba met Hispano-motoren
was voor de Roemeense prins Bibesco, de president van de
Internationale Luchtvaartfederatie, die ermee op safari wilde in Afrika.\
De ijzeren vloot
In 1933 volgde een reeks van 15 Ju 52/3mfe’s, met verbeterde NACA-kappen
om de buitenmotoren en stroomlijnkappen om de wielen, meest voor Lufthansa.
D-2600 Immelmann werd in gebruik genomen door de nieuwe rijkskanselier,
Adolf Hitler, en D-2527 Manfred von Richthofen, geschilderd in de kleur
van de Rode Baron, door Hermann Göring.
Al voor de nazi-regering een gigantische militaire order plaatste, was de
Ju 52/3m een verkoopsucces. Het standaardmodel waarvan vele civiele en
militaire varianten werden afgeleid, was de Ju 52/3mge, gebaseerd op een
verbeterde Hornet-motor, de BMW 132, die hogere startgewichten mogelijk maakte.
Tante Ju was betrouwbaar: het aantal onvoorziene landingen bij Lufthansa nam
met driekwart af toen de maatschappij op Ju 52’s overging. Daarmee liet
het vliegtuig de pionierstijd achter zich en vond het erkenning als een normaal
vervoermiddel bij de gegoede burgerij.

Een Ju 52/3m van Lufthansa op de Londense luchthaven Croydon
In 1935 had Lufthansa vijftig Ju
52’s in dienst; in 1939 waren dit er ruim 70. Enkele Ju 52/3mho’s waren
experimenteel voorzien van Junkers Jumo-dieselmotoren. In de loop van de jaren
stonden zelfs 231 Ju 52’s op naam van Lufthansa, maar dit kwam doordat de
maatschappij regelmatig nieuwe ontving, waarna de oudere werden doorgeschoven
naar de Luftwaffe of andere gegadigden. In 1936 ging 85 procent van het
luchtvervoer bij Lufthansa met Ju 52/3m’s, die een uitgebreid netwerk
onderhielden van kortere en langere luchtlijnen. De maatschappij had de ambitie
een wereldwijd netwerk op te zetten, dat aansloot op de routes van dochters in
Zuid-Amerika, maar ook in China.
Globetrotter
De Ju 52/3m vloog een etappe van de Duitse luchtpostroute naar
Zuid-Amerika. Een snelle Heinkel He 70 vloog van Berlijn naar Sevilla en
een Ju 52 bracht de post dan via Marokko naar Gran Canaria. Deze tante
post-Ju speelde een opmerkelijke rol bij het uitbreken van de Spaanse
Burgeroorlog, toen D-APOK Max von Mulzer een gezant van Franco naar Berlijn
vloog voor een onderhoud met Hitler.
Dornier Wals maakten de oversteek van Gran Canaria naar Natal, Brazilië.
Vandaar bracht een Ju 52 op drijvers de post naar Rio de Janeiro. Er
waren doorverbindingen naar Buenos Aires en over de Andes naar Santiago,
en naar Lima via La Paz. Acht Zuid-Amerikaanse maatschappijen opereerden
met Ju 52’s. SEDTA in Ecuador vloog eveneens over de Andes, tussen Quito
en de havenstad Guayaquil. In 1941, toen deze maatschappij onder druk van de
Verenigde Staten werd opgedoekt, kwam één Ju 52 bij een Amerikaanse missie in
Costa Rica terecht als een C-79.

Een Ju 52 op drijvers van de
Braziliaanse luchtvaartmaatschappij Syndicato Condor
In China had Lufthansa de
luchtvaartmaatschappij Eurasia opgericht, die een eindpunt moest uitbouwen voor
een Duitse luchtroute naar het Verre Oosten. De Sovjet-Unie wilde echter niet
meer meewerken aan een lijn door Siberië. In 1934 vloog een Ju52 voor Eurasia
langs een zuidelijke route naar Shanghai. In augustus 1937 maakten twee
Ju 52’s de vlucht naar China via Afghanistan, over de 5000 meter hoge
Wakhan-pas; zo hoefde noch over Russisch, noch over Brits gebied te worden
gevlogen. Lufthansa’s vliegende directeur, Carl August von Gablenz, leidde deze
‘expeditie’. Een lijndienst over het Pamir-gebergte was te hoog gegrepen, maar
in 1938 opende de Ju 52 wel een dienst tot Kabul.
Een jaar later vloog Gablenz nog met een Ju 52 naar Tokio, via
Brits-Indië, Bangkok en Shanghai; en via Moekden (nu Shenyang) en Hongkong
terug naar Berlijn. Deze vlucht vond plaats toen het tijdperk van het
viermotorige lange-afstandsvliegtuig al was aangebroken; een Focke-Wulf
Fw 200 Condor was een half jaar eerder al in de Japanse hoofdstad geland.
Toch was het Tante Ju die in juli 1939 Lufthansa’s lijndienst naar Bangkok
opende. De oorlog maakte er snel weer een einde aan: de derde Ju 52 die in
Bangkok landde, werd door de Thaise autoriteiten in beslag genomen. De
bemanning vluchtte met het toestel naar China, waarbij het werd beschoten door
de Japanners, die in China oorlog voerden.
Hoewel Hitler intussen partij had gekozen voor de Japanners, vlogen de Ju 52’s
van Eurasia in dienst van de Chinezen, zij aan zij met de legendarische DC-2’s
en DC-3’s van de Amerikaans-Chinese maatschappij CNAC. Eerder in 1939 was een
Ju 52, op weg van Hanoi naar Kunming, door Japanse vliegtuigen doorzeefd
en geland op een berghelling. Maar het toestel werd niet opgegeven: arbeiders
groeven een 300 meter lange startbaan uit in de helling en na zes maanden
steeg de Ju 52 weer op.
Internationaal
De DC-2 en de DC-3 waren de Ju 52 snel voorbijgestreefd als ‘s werelds
meest efficiënte verkeersvliegtuigen. Maar dat betekende niet dat de rol van de
Ju 52 ook snel was uitgespeeld. Daarvoor was er in de vooroorlogse
luchtvaart te weinig concurrentie. Bovendien had het vliegtuig andere
kwaliteiten: het kon de kleinste vliegveldjes aan en het was eenvoudig te
onderhouden, ijzersterk en goedkoop.
In 1939 waren 125 civiele Ju 52/3m’s buiten Duitsland in gebruik. Enkele
hadden Pegasus- of Piaggio-motoren, en AB Aerotransport bestelde zes
vliegtuigen met Wasp-motoren voor dienst op de lijnen van Stockholm naar
Berlijn en Amsterdam. Tante Ju’s scheef geplaatste buitenmotoren bleken
echter overmatige slijtage te veroorzaken aan de verstelbare
Hamilton-propellers van deze toestellen. Twee werden toen als vracht- en
postvliegtuig verkocht aan British Airways; de andere vier gingen terug
naar Dessau om de motoren recht te laten zetten. Toen dit alleen positieve
gevolgen bleek te hebben, ondergingen ook sommige andere Ju 52’s deze
ingreep, waaronder toestellen voor de Suid-Afrikaanse Lugdiens.
SAL vloog per Ju 52 onder meer van Johannesburg naar Kaapstad. Ook DETA
uit Mozambique nam de Ju 52 in dienst, en Sabena bracht haar zes machines over
naar Belgisch Congo. De Belgische maatschappij had de snelle Marchetti
SM.73 gekozen als opvolger van de Fokker F.VII, maar zij nam haar toevlucht tot
Duitse waar toen tegen Italië een economische boycot werd afgekondigd vanwege
de inval in Ethiopië. Vanaf 1936 werden zes Ju 52’s ingezet op Sabena’s
vluchten naar Duitsland en Engeland. Hierbij verongelukten twee toestellen,
waarvoor nieuwe werden besteld. Eind jaren dertig gingen de Ju 52’s naar
Afrika, waar ze de laatste etappe vlogen van de lijn uit Brussel, tussen Gao en
Leopoldstad.

Ju 52 van Sabena
Burgermachines in oorlogstijd
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bevoorraadden Sabena’s Ju 52’s de
Belgische troepen die vochten tegen de Italianen in Ethiopië, en vervoerden ze
geallieerde piloten naar Egypte. De vloot werd aangevuld met de twee
Ju 52’s van British Airways, maar vier van de toestellen gingen verloren
door ongelukken. Ook de Zuid-Afrikaanse Ju 52’s vlogen voor de
geallieerden.
Hoewel het leven in Duitsland eerst nog vrij normaal doorging, had het
uitbreken van de oorlog onmiddellijk grote gevolgen voor Lufthansa. Tachtig
vliegtuigen, waaronder zestig Ju 52’s, moesten aan de Luftwaffe worden
afgestaan. Twee jaar later onderhield de maatschappij nog een uitgekleed
internationaal netwerk, met alleen bestemmingen in Scandinavië en Zuid-Europa.
Eind 1944 had Lufthansa nog maar enkele Ju 52’s in gebruik. Daarbij was
ook de D-AQUI, die in 1936 aan Lufthansa was afgeleverd, maar vervolgens als
drijvervliegtuig was verkocht aan de Noorse maatschappij DNL, om in april 1940
weer door de Duitsers te worden buitgemaakt. Het toestel bleef vliegen op de
Noorse kustroute, van Trondheim naar Tromso. Dit was mogelijk het laatste
vliegtuig dat voor de oude Lufthansa actief was, want hoewel een andere
Ju 52 ‘officieel’ de laatste vlucht maakte van Berlijn naar Warnemünde op
22 april 1945, bleef het lijntje in Noorwegen in de lucht tot de geallieerden
daar arriveerden.
Jupiters en Toucans
Je zou denken dat de carrière van de Ju 52 nu wel bekeken was. Relatief weinig
civiele en militaire toestellen waren ongeschonden uit de strijd gekomen, in
tegenstelling tot de onafzienbare vloten modernere transportvliegtuigen van de
geallieerden. Toch toonden de Engelsen wel belangstelling voor de door hen
buitgemaakte Ju 52’s, terwijl de Fransen het Duitse type opnieuw in
productie namen. Een handvol Ju 52’s vloog zelfs voor
British European Airways, op de binnenlandse lijn
Londen-Liverpool-Belfast en binnen Schotland; maar BEA’s ‘Jupiter-klasse’ gaf
niet aflatende problemen vanwege ontbrekende reservedelen en al gauw werden de
toestellen gesloopt.
Zowel België als Nederland kreeg van de Engelsen enkele buitgemaakte
Ju 52’s, voor het opleiden van verkeersvliegers. De Rijksluchtvaartschool
gebruikte haar drie toestellen niet al te veel voor lesdoeleinden, maar af en
toe werden rondvluchten georganiseerd naar het Ruhrgebied, zodat de passagiers
de verwoestingen daar konden aanschouwen.
De productie van de Ju 52 was in 1944 gestaakt in Duitsland en in Colombes, een
voorstad van Parijs, waar het type op last van de Duitsers was gebouwd door de
Amiot-fabrieken. Na de bevrijding namen deze fabrieken – de
Ateliers Aéronautiques de Colombes – de Ju 52 weer in
productie als de AAC.1 Toucan. Niet minder dan 415 AAC.1’s werden gebouwd, de
meeste voor de Franse strijdkrachten, maar Air France had er 85. Ook
andere maatschappijen in Frankrijk en het Middellandse Zeegebied vlogen met de
Toucan, bijvoorbeeld de Compagnie Générale de Transports in Libanon,
die Beiroet verbond met Damascus, Jeruzalem, Bagdad en Caïro. CGT’s machines
werden in 1949 vervangen door Dakota’s, en zo verging het de meeste Toucans.
Oude tantes
Langer in gebruik bleven een paar originele Ju 52’s. Drie
Scandinavische toestellen werden gekocht door Sepik Airways uit Madang in
oostelijk Nieuw-Guinea, want de ijzeren tante leende zich heel goed voor het
vliegen in het stenen tijdperk, naar plaatsen waar een Dakota niet kon komen.
De laatste twee vlogen tot in 1960.

D-AQUI, de Ju 52 van de
historische vlucht van Lufthansa
De Zweedse Ju 52/3mce op drijvers, die in 1932 was afgeleverd, hield het vol tot 1955; de neus wordt bewaard in een museum op Stockholm-Arlanda. Het Noorse watervliegtuig dat in de oorlog door de Duitsers was gebruikt, was de laatste civiele Ju 52 in Europa toen het in het najaar van 1956 uit de vaart werd genomen. Deze eerbiedwaardige machine, die daarna nog vijf jaar als landvliegtuig werkte bij Transportes Aéreos Orientales in Ecuador, is dezelfde die nu vliegt voor de historische vlucht van Lufthansa. Een andere Ju 52 zou door TAO zijn gebruikt tot in 1971, en dit was wellicht de laatste Ju 52 in dienst van een luchtvaartmaatschappij. De militaire carrière van de Ju 52 duurde zelfs nog langer, maar over die carrière, als bommenwerper en als militair transportvliegtuig, gaat deel 2.
© Peter de Jong 2002
|
Technische gegevens |
Ju 52/3mg4e (passagiersversie) |
|
Spanwijdte |
29,25 m |
|
Lengte |
18,90 m |
|
Vleugeloppervlak |
110,5 m2 |
|
Motoren |
3 x BMW 132A |
|
Vermogen |
3 x 660 pk |
|
Leeggewicht |
5800 kg |
|
Startgewicht |
10.000 kg |
|
Capaciteit |
17 passagiers |
|
Topsnelheid |
303 km/u op 1000 m |
|
Kruissnelheid |
250 km/u |
|
Landingssnelheid |
103 km/u |
|
Vliegbereik |
1000-1280 km |