logo humor en zijn schaduw

Humor en zijn schaduw

Zoeken met Google op het web:

Deel 1, recht: Verboden Verbeelding.

De betekenis van de “mantel”.

Deel 1 van een drieluik: recht (1), fatsoen (2) en geloof (3), als oorsprong van humor.

Geschreven door: Willem te Molder.

Om de oorsprong van humor te zoeken in overgeleverde verhalen, is het nodig je te beperken. Om het te hebben over rechtspraak zoals deze in overgeleverde verhaaltjes aan de orde komt, is het nodig je nog verder te beperken. In dit artikel gaat het om de oudste overgeleverde humoristische verhalen. Het gaat dus uitdrukkelijk niet om nieuwe verhalen. De oudste overgeleverde verhalen hebben wel gemeenschappelijk dat ze door heel veel mensen worden gekend, en ook nu nog worden verteld. Dat de oorsprong van de verhalen vaak in het Midden Oosten ligt zal voor sommigen een verrassing zijn, voor anderen bekende kost. Eén humoristische figuur in het Midden Oosten springt eruit, namelijk de figuur Djoh′a (hier Jeha) genoemd, een figuur die veel overeenkomsten heeft met Tijl Uilenspiegel en in een minder bekend volksverhaal Grote en Kleine Klaas heet, verteld en bewerkt door HC Anderson. Van Anderson wordt verondersteld dat hij zijn sprookjes zelf heeft verzonnen, maar dat kan toch niet helemaal waar zijn omdat delen van dit verhaal al jaren geleden in de Kaukasus werden verteld en zelfs in de Romeinse tijd al bekend waren (bron wordt later bekend gemaakt in Deel 2)! Hoe Anderson deze verhaaltjes kende is mij niet duidelijk. In Turkije wordt dezelfde rol gespeeld door Nasreddin. Voor nog meer aanknopingspunten over de hele wereld met deze oudste humoristische verhalen, wil ik verwijzen naar het achtergrondverhaal over Jeha, dat nog in de maak is.

De andere beperking heeft direct betrekking op het onderstaande artikel. Rechtspraak in humoristische verhalen, kan nog met van alles te maken hebben: de inhoud van de zaak, de verdachten, rechterlijke dwalingen, vooringenomenheid, corruptie etc. In dit verhaal gaat het om een heel klein aspect van de rechtspraak: de manier waarop o.a. de rechter zich kleedt. In Engeland draagt de rechter een pruik, op zich al een komische noot in vaak ernstige omstandigheden. Ook in Nederland draagt de rechter en zijn Officier van Justitie vaak wel kleding waardoor hij of zij zich onderscheidt van de verdachte, de aangeklaagde, de misdadiger, de boosdoener, de crimineel. Dat dit onderscheid beladen en reden tot humor is, ligt voor de hand. Maar dat dit verschil in kleding ook een religieus en theatraal tintje heeft, is op de achtergrond geraakt. En veel van de humor in de oudste mij bekende verhalen heeft juist daarmee te maken.

In het Midden-Oosten bestaan er enorm veel verhalen met rechter Salomon als hoofdpersoon. Salomon is bekend uit het Oude Testament. Hij is de rechter die beslist aan wie een kind toebehoort, door aan de beide eisende partijen voor te stellen het kind dan maar in twee helften op te delen. Waarop de echte moeder te kennen geeft van haar rechthebbende deel af te zien. Salomon had, zoals dat in de joodse traditie heet, de mantel (in de betekenis van mantel der liefde) van de Messiah overgenomen van David, zijn vader. Dit betekent dat hij net als David erop zou toezien dat het joodse geloof rechtvaardig zou worden beleden door al zijn onderdanen. Was dat bereikt, zou er voor "een verlosser" ( een messiah) ruimte zijn om zich met het veroveren en verdedigen van grondgebied bezig te houden.

Sommige verhalen over Salomon kwamen weer in het Nieuwe testament terecht, tenminste in de oudste versies daarvan, en één zo'n oud, weliswaar niet humoristisch, verhaal over Salomon is te vinden in een Saksische bijbel uit ongeveer 825 na Christus.(Heliand, vertaling Jaap van Vredendaal, SUN, 2006, blz. 107): (Klik voor de oorspronkelijk Saksische tekst op onderstaande tekst):

"Onthoud ook, als je kijkt naar je kleding, hoe het de kruiden vergaat die bevallig en vredig in het veld staan, in beeldschone bloei. De burchtheer van weleer, koning Salomo, had een keur aan schatten, een machtig vermogen: geen man had zoveel weelde verworven, gewaden zo kostelijk. Hij heerste over dit land, maar kon van zijn levensdagen zo'n gewaad niet verwerven als de weelderige bloem die hier in het veld staat, bevallig getooid, een lieflijke lelie: de Landsheer (=God) kleedt haar vanuit de hoge hemelweide. Is het heldengeslacht ( = de christenen) Hem niet veel liever, in dit land geschapen naar de bedoeling van de heer? Maak je niet druk om je kleding, om je goeie goed: God brengt raad, helpt vanuit de hemelweide wie hem gehoorzaamt uit genade. Begeer het godsrijk eerst en doe je goede werken daarna. Reik naar wat recht is.....".

Ik hoop dat u het met me eens bent...dit is mooi! Het Veld als een Mantel. Recht is niet wat het lijkt: het is er voor iedereen zonder aanzien des persoons, maar dan toch wel...aangestuurd van bovenaf. En kijk nu eens rechts naar het plaatje met de handtekening van de Turkse Sultan Osman II met de titel “Ahd-name“. Is deze mantel met al z'n bloemetjes en goud niet een soort camouflagekleding voor iemand die ligt te slapen in de open lucht, in een oosters, zanderig landschap in de lente? Het lijkt alsof de mantel hem voor de wereld verborgen wil houden. Hoelang nog en hij kan de mantel van zich afgooien, omdat het te warm is om een mantel te dragen? En je vraagt je ineens af, wat is dat? Kleding, mode, een sluier? Vaak gaan verhalen over kleding impliciet over iemands status. Daarom is kleding in oost en west een belangrijk onderwerp om over te vertellen.

In Ik heet Karmozijn (Arbeiderspers 2002) heeft de Turkse schrijver Orhan Pamuk het over een periode in de geschiedenis van Turkije, waarin het verboden was afbeeldingen te maken van mensen uit respect voor God. Een portret (ook een vorm van iemand aankleden) zou leiden tot hoogmoed en in het boek Ik heet Karmozijn, leidt de opdracht tot het in het geheim maken van zo'n portret van de heersende sultan tot moord, omdat het niet zozeer de arrogantie van de de vorst, maar wel die van de kunstenaars wekt. Het verhaal speelt zich af gedurende twaalf winterse dagen in het Istanbul van 1591.

In 1618, 27 jaar na de gebeurtenissen beschreven door Pamuk, wordt het plaatje, genaamd 'Ahd-name (verdrag) vervaardigd. Door allerlei bewerkingen op het oorspronkelijke plaatje, blijkt zich onder een sultansmantel geborduurd met siertakken en letters een menselijke gestalte te verbergen. Achter deze prachtige kalligrafisch aangeklede handtekening van Osman II (1618-1622) gaat de tekening van een levend wezen schuil. Was dat ook verboden?

Dat men graag naturalistische schilderijen en tekeningen maakte, blijkt uit een tekening van een danseres uit die tijd. Het plaatje is geïnspireerd op een miniatuur van Abdulcelil Levni, die overleed in 1732. De tekening wordt gedateerd in de periode van 1710-1720, ongeveer honderd jaar ná de kalligrafische handtekening van Osman II. Het is de voorstelling van een oosterse vrouw (Chinees?), maar zulke voorstellingen werden ook gemaakt van westerse courtisanes. De vrouwen van de sultan waren namelijk nooit Moslima, maar altijd afkomstig uit de vrouwenhandel met het westen of oosten. Het lijkt erop alsof er met twee maten werd gemeten: voor mensen van buiten werden bepaalde criteria aangelegd, en dat werd ook met andere ogen bezien. En welke rechten en plichten kenden deze vrouwen? Als westerse kunstschilders op uitnodiging van de sultan het Oosten bezochten om hun vrouwen te schilderen, troffen ze in de harems naar hun idee blote westerse of oosterse (maar niet Islamitische!)vrouwen aan, waarvan zij natuurgetrouwe, romantische schilderijen maakten. Eén van die vele schilders is Delacroix, weliswaar niet in Turkije maar in de Maghrib. Maar ook in Turkije werden regelmatig westerse schilders gevraagd, omdat het nu eenmaal verboden was om portretten te maken. Deze kunstenaars veronderstelden zeden in het Oosten, die in het Westen taboe waren. Nu is het andersom: het Oosten veronderstelt zeden in het Westen, die in het Oosten taboe zijn!

In een verzameling van Jeha-verhalen uit 1977, genaamd Nawadir Jeha (نوَار د جحَا), (drukkerij, مطبعة اَلنصح لصَاحبهَا لَبكری عبد اَلعزيّز محمد, vert. Bellettrie, eigendom van Bekry Abd El Aziz Mohamed) treffen we ook een volksverhaaltje aan dat licht werpt op de houding van “Het Oosten” op kledij. Het volgende fragment lijkt met enige fantasie op het Salomon verhaaltje uit het begin. Jeha, een komische figuur met paleisambities, is de hoofdpersoon in een zich steeds vernieuwend corpus van Jeha verhalen.

De hoofdpersoon uit de verhaaltjes met gelijke strekking is in Turkije bekend onder de naam Nasreddin. Behalve in Turkije komen deze verhaaltjes ook voor onder de Israëlische en Palestijnse bevolking. De oorsprong van de verhalen is niet bekend, maar zou joods kunnen zijn. Een heel erg oude, joodse versie bevindt zich in het Centre Pompidou te Parijs. Het oudste Jeha verhaal zou zich in de Universiteitsbibliotheek van Leiden bevinden, maar de Arabische tekst, die ik te zien kreeg, werd door mij niet als een Jeha verhaal herkent: twee regeltjes naar mijn idee willekeurig grappig Arabisch, dat wel. Kan aan mij liggen.

De verhaaltjes worden in Soefi kringen als meditatieteksten gebruikt. De naam “soefi” is afgeleid van het Arabische “suf”(صوف), wat wol betekent. Zij gingen er blijkbaar prat op om de wol van schapen te gebruiken om zich daarin te kleden. Anderen, zoals de dienaressen van de vroeg Egyptische godin Isis weigerden dit en kleedden zich als teken van beschaving in linnen(كتَان). De Isis’ verering wordt bij Ovidius in zijn Metamorfosen gekoppeld aan de schone nimf Io, die door Jupiter in een koe was veranderd. Dit doet denken aan het Hindoeïsme, waarin de koe heilig is. De vraag is dan ook of de dienaressen van Isis behalve zich te kleden in linnen, ook religieuze eetvoorschriften (min of meer vegetarisch) kenden? Kon of kun je aan iemands kleding zien wat hij at, eet? En konden ze op grond van hun kleding ook bepaalde voorrechten genieten? Anders gezegd, werd er met hun overtuiging rekening gehouden en, andersom, hielden zij weer rekening met de overtuiging van anderen, gekleed in andere kleding om dit meteen aan iedereen duidelijk te maken?

Mantels worden niet alleen gedragen door gerechtsdienaren, maar in de 17-e eeuw ook door artsen, en tot op de dag van vandaag door alles wat met de oorlogsvoering te maken heeft.En natuurlijke dragen alle geeestelijke gezagsdragers kleding waaraan ze direct te herkennen zijn. Wij willen echter vooral stil staan, bij de betekenis van de kleding in het verleden. De purperen verfstof die men gebruikte voor de koningsmantel gaf aan de Phoeniciërs hun naam, omdat zij alle zeeën bevoeren om de grondstof hiervoor, een zeeslak, te vinden! Deze purper-rode kleur op een mantel maakte het onderscheid tussen een koning en een gewone burger. En met iemand die zo′n mantel droeg, daar moest je rekening emee houden!

In onderstaand Jeha-verhaal is het gegeven van de rechtspraak van Salomon in zake het door twee moeders omstreden kind gecombineerd met het Salomon verhaal uit de Saksische bijbel aan het begin van dit artikel. Dit grappige verhaaltje gaat waarschijnlijk terug op tijden waarin stammen elkaars bondgenootschap bevestigden door stukken kostbare stof te schenken aan een heerser voor een koningsmantel, niet overdrachtelijk maar letterlijk. Niet met zekerheid, maar wel waarschijnlijk kun je zeggen dat Salomon één van die koningen is geweest die een gewaad droeg als een lappen deken, waarin de stamtekens van de verschillende stammen die hem trouw beloofden, waren verwerkt.

Het verhaal lijkt te gaan over kleding, maar bij doordenken ook nog over allerlei levensvragen. Het is een verhaal uit het huidige Israël en Palestina! (Eigen vertaling: Klik op de tekst voor de originele Arabische versie.)

Een idee.

"Een man lag in het veld te slapen met over zich heen zijn mantel. Er kwam een dief langs, die de mantel stal, wat de ander bemerkte. De man nam hem mee naar de rechter, Jeha, die in deze zaak uitspraak moest doen. Ieder van de beide mannen zei dat de mantel van hem was en dat hij hem niet zou geven aan de ander, tenzij er bewijs was dat de mantel aan hem toebehoorde. Jeha ging er eens goed voor zitten om deze verwarrende zaak te overdenken. Toen schoot hem een schitterend idee te binnen. Hij sommeerde de beide mannen om zich bij hem te vervoegen en om onderling de mantel te verdelen in stukken. Daarop liet Jeha ze een lange tijd aan hun lot over, en hield hij zich in hun aanwezigheid bezig met het inzien van hun papieren.... De eigenaar van de mantel trad roepend om zijn aandacht op hem toe: 'Geef de mantel maar aan wie je maar wil, zelfs al is het de dief ...'(Want wie heeft er wat aan een kapotte mantel?) Daarop trok hij zich terug en liet hij de mantel voor wat-ie-was. Toen wist Jeha: dat is de eigenaar! En de ander is de dief. En hij deed uitspraak, liet de dief in de gevangenis werpen en gaf de mantel aan zijn eigenaar...."

De strekking lijkt nogal vaag op het eerste gezicht. Kun je, als je niets weet, op grond van de reactie van die ene man concluderen dat dat de eigenaar van De Mantel is? Neemt Jeha wel de juiste beslissing? Humor verdoezelt, versluiert, de onderliggende en verstrekkende gedachte die eraan ten grondslag ligt in eerste instantie. Volgens Deel II, van "Jeha en zijn Schaduw", Doctoraal Scriptie van Willem te Molder uit 1982, zijn er in ieder geval 5 verschillende versies van dit verhaal, met telkens een ander accent. De diepere betekenis krijgt bovenstaand verhaaltje pas als je de oorspronkelijke alchemistische context erbij betrekt:

"De tempel ligt in het hart, niet in het gebouw; het ornaat bestaat in het geloof, niet in het gewaad; de altaren en de zegen bestaan in de liefde, in de handen. De handen zijn gemaakt om te werken, niet om te zegenen."
(Paracelsus, Sämtliche Werke. 2. Abteilung: Theologische und religionsphilosophische Schriften. Bd. 1: Philosophia magna. Hg. von Wilhelm Matthießen, 1923.)

En nu wordt ook de strekking van het vage Jeha-verhaal duidelijk: de mens wikt, Jeha beschikt (net als God en Salomon), en daardoor wordt de strekking van het verhaaltje grappig! Wie verbeeldt zich God te kunnen spelen? Wie wijst er een land aan die ene eigenaar toe en niet aan de andere? Is dat God of kan dat een machtige bevriende staat doen? Wie is er zo arrogant en aanmatigend over leven en dood te mogen beslissen? Vooral in tijden van oorlog of vlak vóór een dreigende oorlog is dit een waarheid, waar je blijkbaar niet omheen kunt. In een Duits boek vlak voor de Tweede Wereldoorlog geschreven (1938) met de titel "Jugend ohne Gott" staat het op pagina 214, vlak voor de ontknoping van dit detectiveachtige boek vol dreigend oorlogsvermoeden: "Es hat keine Sinn, einen Strich durch die Rechnung machen zu wollen", want uiteindelijk beschikt de mens niet, maar God. De maatschappelijke machine dendert voort. De kinderen, die zich wilden verzetten tegen het fascisme, stonden machteloos. Dit maakt duidelijk hoe oorlog mensen gelovig kan maken: geloof als een laatste strohalm. En hoe twee geloven (en ook gelovigen en niet-gelovigen) elkaar misschien wel eeuwig kunnen blijven bestrijden! Maar wie heeft er wat aan een kapotte mantel?

Uit het betoog hierboven valt in ieder geval op te maken dat de functie van de koningsmantel niet alleen maar was de koning te verwarmen en te bededekken. De mantel is een statussymbool, dat zich heeft ontwikkeld uit de behoefte dat een gast meteen kon zien over welke volkeren hij de scepter voerde. De functie was die van vlag en kleding, net zoals ook soldatenkleding deze functie lang heeft gekend: je kon aan een soldatenpak meteen zien voor welk land hij vocht. De pakken van artsen en gerechtsdienaren hebben dit veel minder. Misschien ligt hier al het begin, waarom er aan de uitspraak van een rechter of dokter kan worden getwijfeld, aan die van een koning of keizer niet! Als we Klaus Mann in Mephisto (1936) mogen geloven zijn het de toneelspelers die zich kunnen veroorloven de ene mantel door een andere te vervangen, zonder dat dit voor de persoon eronder gevolgen heeft?

Als conclusie van Deel 1 wil ik voorlopig samenvattend stellen: de humoristische grappen over recht hebben vaak betrekking op het uiterlijk vertoon van de wereldlijke rechtsmacht, die ondergeschikt wordt geacht aan de goddelijke.