logo humor en zijn schaduw

Humor en zijn schaduw

Zoeken met Google op het web:

Deel 2, fatsoen: De sterke man.

De symboliek van de stok en de koffer!

Deel 2 van een drieluik: recht (1), fatsoen (2) en geloof (3), als oorsprong van humor.

Geschreven door: Willem te Molder.

Ik kan aan het begin van dit deel een net zo bekende figuur als Salomon introduceren achter wiens brede schouders zich verbergen onze fatsoensnormen, die soms humoristisch te kijk worden gezet. In dit deel van de wereld noemen wij Hercules (Latijn) of Herakles (Grieks) de cultuurbrenger bij uitstek. Je denkt: wat heeft hij met cultuur te maken, en misschien ook nog wat is daar humoristisch aan?

De rol van Herakles in het beschavingsproces komt het duidelijkst naar voren in 1 van zijn 12 werken: het schoonmaken van de stallen van koning Augias. Augias had onmetelijk grote stallen, waarin hij koeien, stieren en ander vee hield. Die stallen werden nooit schoongemaakt, omdat ze zo groot waren. Herakles voltooide het werkje in een dag! Hij verlegde een naburige rivier, leidde de rivier door de stallen en klaar was hij met zijn opdracht.

Herakles is niet alleen de uitvinder van kanalisatie (hij verlegde de rivier), maar ook die van de riolering. Hij wist blijkbaar een kanalenstelsel in de stal aan te leggen, waardoor de stallen schoon werden gehouden, zelfs nadat hij zelf was vertrokken naar een volgende beschavingsklus. In steden uit de antieke oudheid, zoals het Marokkaanse Fez, was drinkwater en het riool een belangrijke combinatie en scheiding van buizenstelsels. De naam "cultuurbrenger" lijkt mij dus ruimschoots van toepassing op Herakles.

In een humoristisch verhaaltje getiteld: “Un étable à la grecque” uit Sublimes et idiotes paroles de Nasreddin Hodja, Phébus Libretto, 2002, bladzijde 447, staat dit als volgt (klik op onderstaande tekst voor oorspronkelijke versie):

Een Griekse stal.

"Nasreddin, de stal die je hebt gebouwd vóór ons huwelijk, is niks waard", verweet hem een keer zijn echtgenote. "Zodra het regent, worden de beesten nat en hun eten bederft. Je zou je een stal moeten maken, zoals de Grieken dat vroeger deden lang geleden." "Hoe deden ze dat dan wel?" "Dat waren stallen onder de grond. De dieren bleven er helemaal droog." De Hodja vond dit een fantastisch idee van zijn vrouw. Hij pakte z'n houweel en begon in de wand van zijn kleine hut te hakken om hem te vergroten. Opeens, slaagde hij erin een gat te maken....dat toegang gaf tot de stal van zijn buurman. Hij liet alles in de steek en klom jubelend naar boven. "Hé, Nasreddin, ben je al klaar?", verbaasde zich zijn vrouw. "Luister eens goed, vrouw: niet alleen heb ik een Griekse stal gegraven, maar bovendien heb ik een paar prachtige ossen gevonden die op z′n minst duizend jaar oud zijn……"

Dit is een vreemd verhaal. Iedereen die in het Marokkaanse Meknes de paardenstallen van Moulay Ismaïl heeft bezocht weet dat hiervan een deel onderaards is. Je moet je daarbij een boerderij voorstellen zoals je die nu nog kunt zien in Zuid-Tirol, in Noorwegen of in de Kaukasus. Het bijzondere van zo’n boerderij is dat de benedenverdieping er is voor de opslag, het gereedschap, het materieel, en de verdieping daarboven was meestal voor het vee en tenslotte de hoogste verdieping was er voor de mensen. Als je dat nu schuin tegen de berg opbouwt, heeft iedereen een eigen uit- en ingang zonder dat je daarvoor een trap hoeft te maken. Om je een idee te geven, voeg ik een foto bij. Je kunt je voorstellen dat als je een gat maakt in een muur dat je dan op een verdieping lager uitkomt van je buurman, die zijn huis iets hoger dan dat van jou tegen de berg op heeft gebouwd.

Maar is Herakles wel iets om over te lachen? De humor rond de figuur Herakles ontstaat, als de Romeinse keizer Commodus (177-192 nChr) zich meester maakt van het Herakles’ imago. Deze vroeg nationaal-socialistische keizer droeg bij allerlei gelegenheden de outfit van Herakles: een leeuwenkop als helm en een knuppel, de knuppel waarvan men zei dat Herakles daar verschillende ontembare wilde beesten mee had verslagen (en getemd?). Bovendien ging Commodus zich te buiten aan drinkgelagen en braspartijen.

De knuppel is de wandelstok van de ouderen, die nog niet zo lang geleden een bijna absolute macht hadden over hun kinderen. Commodus was bijna een kind nog, toen hij tot keizer van een enorm rijk werd gemaakt en had dus behoefte aan wat aan ouderen ontleende symboliek. Daarnaast staat de stok voor de toverstaf en wichelroede. Op het ME toneel werd de aandacht van het publiek gevraagd door tromgeroffel, en degene met de knuppel in een komedie, speelde de rol van gezagsdrager, de vertegenwoordiger van de scepter. In ME kluchten leek de vrouw met de knuppel als met een vruchtbaarheidssymbool gewapend haar man te achtervolgen als hij op overspel, luiheid, vraatzucht of een van de andere 7 doodzonden door haar werd betrapt (klik op onderstaande tekst voor oorspronkelijke versie):

"De vrouw van Jeha vertelt:
"Op een dag komt mijn man bij mij thuis en mijn minnaar is er ook. Ik verberg hem in de kelder. Als mijn man terugkomt, heeft hij 30 aubergines bij zich, die hij in de kelder opbergt. Mijn minnaar eet er één op. Mijn man gaat als hij de aubergines in de kelder heeft gelegd, ze tellen: 1,2, 3, 4, 5, etc.….. Mijn minnaar reikt hem de aubergines vanuit de kelder aan, en mijn man denkt dat het zijn eigen hand is die uit de kelder komt. Dan merkt hij dat er een aubergine mist. Hij gaat de kelder in, en ziet mijn minnaar.
“Wie ben jij?”, vraagt hij hem.
“Ik ben een aubergine!”
Daarop zegt mijn man tegen mij:”Kijk toch eens wat een schurk die koopman is. Hij heeft mij deze man voor een aubergine verkocht! Ik wil mijn geld terug!”
Daarop brengt mijn man mijn minnaar naar de aubergine koopman, en zegt tegen hem:
”Vrees jij God dan helemaal niet! Hoe kun je me dit hier samen met de aubergines verkopen?”
De koopman is een grappenmaker. Hij pakt mijn minnaar bij de oren en zegt tegen hem:
“Hoe vaak heb ik je niet gezegd: blijf in het schap van de knollen en uit dat van de aubergines!”
Daarop geeft hij mijn man een aubergine…."

Dat kan natuurlijk ook heel anders uitpakken(Uit Rumi, pag 93-94):

"Het is als het verhaal van de man die wat abrikozen van de boom schudde en ze opat. De eigenaar van de boomgaard vroeg hem,
--′Bent u niet bang voor God?′
--′Waarom zou ik bang zijn′, zei de man, ′Deze boom is van God, en ik ben een schepsel van God. Het schepsel Gods eet dat wat hem toebehoort.
--′Wacht even′, zei de eigenaar, ′Dan zal ik u van repliek dienen.′
Hij riep zijn dienaren en liet de man met een touw aan de boom binden om hem stokslagen te geven tot zijn antwoord duidelijk zou zijn. Toen riep de man,
′Bent u niet bang voor God?′
De eigenaar antwoordde, ′Waarom zou ik bang zijn? Ik ben Gods dienaar en dit is Gods stok. De dienaar Gods slaat Gods schepsel met Gods stok!′ "

Mij doet dit verhaaltje aan het paradijs denken, waaruit Adam en Eva worden verdreven, omdat zij van de verboden vrucht durfden te proeven. Fatsoen begint bij de verdrijving uit het paradijs zou je kunnen zeggen. En zoals bekend speelt bij de verdrijving uit het paradijs de slang een belangrijke rol. De slang komt als draak voor in de Chinese dierenriem. Ook Herakles moest een slang, de Hydra, verslaan. In de Griekse Mythologie zou de slang volgens Robin Lane Fox, de schrijver van Travelling Heroes, overgenomen kunnen zijn uit de overleveringen in het Midden Oosten. De Romeinen hadden een geheel eigen interpretatie van de slang: bij hen stelde de slang de "genius" van een plaats voor. De Genius bij de oude Romeinen staat voor vruchtbaarheid, maar dan mannelijk, de voortbrengingskracht en later voor de persoonlijkheid van de man. De genius dacht men zich als een geleidegeest, een beschermengel, en werd vereerd o.a. door offers (geen cadeau!) op de verjaardag..... Zij kunnen deugden, kunsten en hartstochten weergeven. De omschrijving van een "genius" past ook wonderwel op de omschrijving voor geesten, de djinoen, bekend uit de Islam en de Islamitische mystiek. Het woord "djin:" (جنّ ) in het Arabisch zou zelfs hetzelfde kunnen zijn als het woord "geni-us", waarvan het achtervoegsel is verdwenen en de "g" uitgesproken werd als "dj": djeni=djinni.

Veel humoristische gedichtjes (bijv. op Sinterklaas of bij feestelijke gelegenheden) kunnen met het geloof in ons genie (onze genius) samenhangen. Humor lijkt zo direct te slaan op de persoon zelf, zoals hij zich zelf ziet en hoe anderen hem zien. En lijkt zich heel erg te verbinden met het mannelijke, het extroverte en het beschermende. Voor het zich zelf, en zich zien door de ogen van anderen heeft het Arabisch een specifieke werkwoordsvorm, de achtste, waarbij in de wortel van het werkwoord een "t" wordt ingevoegd om de betekenis van de werkwoordstam te veranderen in een meer reflexieve of soms reciproque betekenis (An introduction to Modern Arabic, pag 62). In de Egyptische kinderverhalen uit 1988 in het standaard Arabisch zie je dan ook, naar mijn idee vaker dan in het dagelijkse gebruik in de Egyptische krant Sharq Al-Awsat uit 1984 deze vorm terug komen. Heb je met een bundel in de volkstaal te maken, dan komt de achtste werkwoordsvorm hierin niet meer voor. Je krijgt zo een heel verrassend idee van het ontstaan van humor, als een geestelijke spiegel van het gedrag van de een ten opzichte van de ander.

De humor uit de eerste tijd was nog bedoeld voor jong en oud. Kinderen leerden erdoor zich te verplaatsen in anderen (empathie), terwijl ervoor de volwassenen vaak een verborgen boodschap in zat. Alleen wie de toespelingen snapte, begreep dat er onder de eerste laag een tweede laag verborgen zat. Deze laag heeft er niet altijd verborgen onder gezeten. De schuine strekking van een mop blijkt nog niet in de versie van Andersen (zie verderop in dit stuk). En ook uit de Kaukasische versie van het Pushkin verhaal (zie verderop in dit stuk) valt nog niet op te maken wat we lezen in een naar mijn idee allereerste versie van dit verhaal, met zoveel woorden, niet verborgen, zonder toespelingen en suggesties.

Dit stuk is in de vertaling door Vincent Hunink van De Gouden Ezel (Metamorphoses) van de Noord Afrikaanse Romein, Apuleius (waarin we het Arabisch herkennen: Abu Layas=zoon van de dappere) te vinden. De schrijver Apuleius leefde van 120-180 n. Chr. en moet dus bewust de regeerperiode van Commodus (177-192 nChr) hebben meegemaakt.

Aan onderstaand fragment gaat vooraf: een man heeft geen werk kunnen vinden, maar heeft een in de grond gegraven vat dat bij hem thuis staat, een soort kelder om bederfelijke spullen in te bewaren, weten te verkopen voor zes denariën (Romeins geldstuk, de benaming leeft voort in de Tunesische en Egyptische “dinar”, دِنَار) (klik op onderstaande tekst voor oorspronkelijke versie):

De vrouw zag meteen hoe zij zich eruit kon praten.’Wat heb ik toch een geweldige man’, schaterde ze brutaal uit.’ Een mooie zakenman, hoor. De handelswaar, die ik, een vrouw die het huis niet uit komt, allang voor zeven denariën heb verkocht, laat hij voor minder gaan!’
‘En wie mag dat wel zijn?’ vroeg de man, verheugd over de extra opbrengst. ‘Wie wilde daar zoveel voor betalen?’
‘Ach sufferd’, zei ze. ‘mijnheer zit al een tijdje in het vat om het op stevigheid te beproeven.’
De ander reageerde alert op de woorden van de vrouw en schoot prompt overeind. ‘Nou, mevrouw’, begon hij, om u de waarheid te zeggen, dit vat is wel heel oud. En het is gebarsten, het zit vol spleten en scheuren.’ Vervolgens wendde hij zich tot haar man, schijnbaar niet op de hoogte van diens identiteit. ‘Zeg, meneertje, wie u ook bent,’ zei hij, ’kunt u mij direct eens even de lamp aangeven? Dan kan ik het vuil hierbinnen wegschrapen en zorgvuldig bekijken of dit ding nog bruikbaar is. Of denkt u dat het geld mij op de rug groeit?’
Zonder aarzeling en nietsvermoedend stak de snuggere, voortreffelijke echtgenoot de lamp aan.’Kom er eens uit, goede vriend,’zei hij tegen de man, ‘en blijf er even rustig bijstaan, dan maak ik dat prima voor u in orde.’ Met die woorden kleedde hij zich uit, nam de lamp mee naar onderen en begon de dikke aanslag in het wrakke vat weg te bikken.
Maar het vriendje, die fijne loverboy, liet de timmermansvrouw over het vat bukken, boog over haar heen en boorde haar ongestoord uit.
Zij stak daarbij haar hoofd in het vat en hield haar man als een volleerde hoer voor de gek: dit moest nog schoon, wees zij hem met de vinger, en dat nog, en ja, daar zat nog wat, en daar ook. Zo ging het door totdat het werk op beide plekken klaar was, waarna de onfortuinlijke timmerman zijn zeven denariën ontving. Hij zag zich ook nog gedwongen het vat op de nek te nemen om het bij de echtbreker thuis te bezorgen.

Toen ik in 1980 in Tetouan (Noord Marokko) een verhaal van dezelfde strekking bijna woordelijk door puberale jongens kreeg verteld, dacht ik een ontdekking te hebben gedaan. In een zo preuts land als Marokko, werden blijkbaar op straat dit soort schuine grappen verteld. Ondertussen weet ik wel beter: ook in Marokko, Tunesië of Libië worden volop van dit soort moppen verteld (De Pers, woensdag 6 april 2011). Toch is er wel sprake van een ontdekking, want in 2010 las ik in De Gouden Ezel van Apuleius, nota bene een Berber in het Romeinse Rijk, een verhaal dat bijna letterlijk in 1980 aan mij was verteld. Pak weg 1800 jaar later werd dit verhaal nog precies zo verteld als ik het dankzij de vertaling van Hunink bij Apuleius kon terugvinden. En bedenk dan ook, wat er gebeurt als je mensen vraagt een kort verhaaltje fluisterend in een kring van mensen aan elkaar door te geven! Op het eind van de omweg heeft het verhaal een niet geringe verandering ondergaan door het elkaar doorvertellen. Niet met dit verhaal, dat eeuwen lang van generatie op generatie was doorgegeven! Nog merkwaardiger werd het toen bleek dat er preutse variaties van ditzelfde verhaal te boek waren gesteld door Andersen die bij ons via de verzameling Sprookjes van de Lage Landen met tekeningen van Peter Vos bekend waren. De rol van echtbreker was aan een koster toebedacht, de echtgenoot was nog steeds een domme boer met de beste bedoelingen, maar misschien wel een beetje te veel op geld belust, en er was een echte held van naam: Kleine Klaas (in de Nederlandse sprookjesverzameling ‘ Kleinoog’ genoemd).

"Hu, zei de boer. "Dat moet wel heel akelig zijn. Ik kan helemaal niet tegen kosters, moet je weten. Maar dat geeft niet, als ik toch weet dat het de duivel is. Dan kan ik er beter tegen. Nu durf ik best. Maar hij mag niet te dicht bij mij komen." "Ik zal het mijn trol eens vragen," zei kleine Klaas, trapte op de zak en luisterde aandachtig.
"Wat zegt hij?"
"Hij zegt dat we de kist daar in de hoek open moeten maken, dan krijgt u de duivel te zien, die zit daar te koekeloeren, maar u moet het deksel vasthouden, dan kan hij niet ontsnappen."
"Wil je me helpen om het vast te houden?" vroeg de boer en hij liep naar de kist waar de vrouw de echte koster had verstopt. Die zat te beven van angst.
De boer deed het deksel een stukje omhoog en keek eronder. "Hu," schreeuwde hij en sprong achteruit. "Ja, ik heb hem gezien, precies onze koster. O, wat verschrikkelijk!" Daar moest op gedronken worden en zo dronken ze door tot diep in de nacht.
"Die trol moet je mij verkopen," zei de boer. "Vraag maar wat je wilt, ik geef je er zo een hele schepel geld voor."

In de Kaukasus heet de Kleine Klaas Pushkin (een verbastering van het Noord-westelijke Arabisch “Bou Shkoen… ……..?”, Die van Wie? (een bastaard, onbekend is wie de vader is?), en het bovenstaande verhaal gaat dan net iets anders, maar toch gaat het ongetwijfeld om hetzelfde verhaal. Kaukasischen Märchen, pag. 127 (klik op onderstaande tekst voor oorspronkelijke versie):

Een zak vol Geld

"Is me dat een dominee(‘koster’)! Ik ga meteen naar de rechter om hem alles te vertellen!" Er was een grote menigte mensen om Pushkin heen komen staan, en ze vroegen hem nog een keer uit te leggen wat voor ongeluk hem was overkomen. De dorpsoudsten overlegden met elkaar en zeiden: ‘Wij willen geen proces, we willen niet dat het voorkomt. Ga naar huis, haal goud en geld en stop het in de zak van deze man, zodat hij niet meer zo te keer gaat.’ Vlug was de zak gevuld. Maar Pushkin was nog niet tevreden. ‘Nu ben ik moe, hoe moet ik die zware last thuis krijgen?’ ‘Oké dan, een paar mannen zullen je goud naar huis dragen‘, zeiden de oudsten. En zó geschiedde ook: diep in de nacht kwam Pushkin thuis bij zijn afgebrande boerderij met zijn schat".

Merkwaardig is dat de latere geschreven versies veel “netter” zijn dan de oudste Apuleius versie. De oraal aan mij vertelde versie, was ook helemaal niet netjes! Dit kan samenhangen met geheugentraining! In Marokko wordt nog steeds aan een goed geheugen een grote waarde toegekend. Bij ons is dat veranderd. Er is een parallel tussen het geringere belang van het geheugen en fatsoen! Algemeen bekend is dat pas na de middeleeuwen, het fatsoen zijn intree deed op het toneel en in geschrift! Daarvóór konden in een heilig boek nog teksten staan, waarvan bij ons de oortjes niet rood, maar paars zouden worden, een porno … om het kwaad in de mens te bestrijden en het goede te leren kennen. Dit pornografische gehalte zou ook verband kunnen houden met een vorm van zich herinneren, die de Romeinse redenaar Cicero voorstond in de ars memoriae en wordt aangeduid met de loci-methode. Deze methode houdt in dat je je een ruimtelijke voorstelling maakt, die je door en door kent zoals je eigen huis, en daarin op allerlei plekken herinneringen opslaat. Je herinnert je die plekken door ze te bezielen met verhaaltjes die je niet gemakkelijk vergeet, zoals de opwaaiende jurk van Marlyn Monroe of verder gaande fantasiën (NRC, donderdag 7 april 2011). Voordat het schrift door bijna iedereen bedreven werd, was het geheugen de enige manier om de wijsheid van de ene generatie op de andere over te brengen. Vandaar dat er tot aan onze renaissance ook een veel grotere behoefte bestond aan pikante verhaaltjes, omdat dit de herinneringen verlevendigde die ertoe deden. En welke herinneringen moest je je nou precies in de oren knopen? Dat waren onder andere alle afspraken die je maakte rond dood, rond het trouwen van een kind, het verdelen van de erfenis etc. En dan kom je tot de vreemde constatering dat aan de meest geheiligde gebeurtenissen, in je herinnering de meest scabreuze verhaaltjes worden gekoppeld. Dat is toch wel iets anders dan het onbewuste in de freudiaanse grappen!

Het mooiste kistverhaal vinden we in een van de bogen van de San Marco Basiliek in Venetië:
Eigen foto.

Ik heb lang gezocht naar de betekenis van deze afbeelding. Het blijkt te gaan over het lijk van de apostel Marcus, dat toen de Moslims Alexandrië innamen, gered kon worden door het in een kist verborgen over te varen naar Venetië. En nu denk je, waarom keren al die mensen zich nu van zo’n heilig man af: uit de kist kwam een sterk bedwelmende liefelijke geur! Op deze relikwie werd de basiliek gebouwd aan het beroemde San Marcoplein te Venetië. Een en ander is op de website hierover terug te vinden.

Maar was die geur wel zo liefelijk? Of was het eigenlijk meer een scheet, een stank van lijken die vrij kwam bij het openen van de kist? Als we het plaatje hierboven goed bekijken zien we een man die zijn neus dicht knijpt, een andere man wendt zich af. Duidelijk is, dat wat er ook te zien is in die kist, het allesbehalve lekker is. En net zoals de rollen van de held en zijn belager in de loop van tijd kunnen omdraaien, zó ook kan de betekenis van een gegeven van negatief naar positief omslaan. Precies zoals dat zich bij herinneringen voltrekt! Vraag twee mensen om een verslag van dezelfde gebeurtenis, en de een komt met een somber verhaal (we zaten aan boord van een schip en het stonk er de hele tijd; de bemanning was bang door dodelijke ziekte om het leven te komen). Of de eeuwige optimist met een heel ander verhaal (we zaten midden in een strak windje, een heerlijke frisse wind, die ons zonder problemen naar Venetië bracht). En natuurlijk dat is in het ene geval te danken aan de menselijke hoedanigheid van de apostel, nl. dat zijn lijk in ontbinding is; en in het andere geval, aan zijn goddelijke hoedanigheid. Ook kan de lucht voor de Christenen hun aangewaaid zijn als “een liefelijke geur”, terwijl de wat nuchtere Moslims de neus dichtknepen om de stank niet te ruiken. Een reden om van dat lijk af te komen.

En zo vergaat het ook een van de vaste helpers van een hoofdfiguur waaromheen grappen ontstaan: de ezel (of op de Arabische equivalent). In de verhalenbundel met Jeha-verhaaltjes staat een inleiding, waarin de ezel wordt geprezen, omdat hij de heilige maagd Maria heeft gedragen, en ook het dier was waarop Jezus op palmzondag Jeruzalem binnen reed. Apuleius noemde zijn boek niet voor niets De gouden ezel. Dat deed hij in een traditie, waarin de ezel nog steeds de spiegel was van wat een normaal en zwaar en arbeidzaam leven was. Het is vreemd dat de rollen lijken te zijn omgedraaid in de loop van de tijd, omdat de oude Chinezen de ezel nog als een slim beest kennen waarop de onsterfelijken rijden. In het oude Egypte worden overledenen (die in China in ezels kunnen reïncarneren) geassociëerd met ezels zoals valt op te maken uit afbeeldingen van Seth . In het oude Egypte speelde de ezel een belangrijke rol in de eredienst rond de verschrikkelijke god Seth (vergelijkbaar met de slang Typhon die Zeus verslaat). Seth was verschrikkelijk omdat hij zijn broer vermoordde en in stukken verdeeld verstopte voor zijn familie. Dit schrikbeeld kan de latere afkeer van ezels misschien verklaren. Een ezel is niet dom: een ezel struikelt niet tweemaal over dezelfde steen. Paarden storten de afgrond in, ezels niet! In de Renaissance (aan het geheugen wordt minder belang gehecht!) als blijkt dat de ezel behalve slim ook een erg wellustig dier (zoals uit zijn balken valt op te maken) is, is de ezel langzamerhand van een slim dier in een dommerik veranderd. De ezel kent ook nog een variant (het muildier of de muilezel) die onvruchtbaar is. Deze kruising was allang bekend (o.a. voor oorlogsdoeleinden), maar wat God ermee voorhad was de meeste mensen onduidelijk!

Nu heeft de ezel ook nog in de westerse talen zijn etymologie mee. Als je een reeks herleidingen op “ezel” langsloopt dan kom je bijna alle punten weer tegen, die in Deel II zijn genoemd! Allereerst: ezel = âne (Frans)=asinus (Latijn). Daarbij wordt de “s” bij ons een “z”, en in het Frans valt de “s” eruit. Zoals bij alle Latijnse woorden valt de “us” ook weg en verandert van “a” in een “e”: a-in-a, wordt dan “âne” in het Frans en in het Nederlands “ezel” (“n” wordt “l”).

Door verwarring komt dan langs een omweg een gelijkstelling tussen “asinus” en “anus” = ring, aars, tot stand, of tussen “anus” oude vrouw, oud en “asinus”. Ringen, aarsen en oude vrouwen spelen dan ook in deze verhaaltjes vaker dan je zou verwachten een rol. De "ring" zou volgens Dr J.W. Schulte-Nordholte weer een symbool kunnen zijn voor standvastigheid in het geloof. In de meeste verhalen waarin een ring of een vrouw een rol spelen, komt de ezel niet voor! Het is het ene of het andere, niet beiden tegelijkertijd!

Ook bestaat er een associatie met “annus”, jaar, jaargetijde, tijd, in het Arabische “sènna”, wat jaar, jaargetijde, tijd betekent…, maar niet verjaardag! Misschien vroeger wel? Zó komen we met "sènna" terug bij de allereerste associatie voor “asinus”. Als de “us” hiervan wegvalt en we bedenken dat de “s” als lidwoord aan het begin van een Arabisch woord met een aanzetje wordt uitgesproken, dit een verdubbeling van de “s” inhoudt, vandaar “essènna” (اَلسنّ), dan ligt ‘asinus’ voor de hand.

Een gecastreerde ezel wordt een “oen” of “kluns” genoemd. En die komen dan ook volop voor in de kluchten van de Romeinse toneelstukken schrijver Plautus (c. 254 BC – 184 BC). Zijn bekendste stuk gaat over een wel heel erg waardevolle “Pot”, de l’aulu-l-aria – lijkt bijna Arabisch:--- eerste verbond?--- en was ook basis voor het stuk van Hoofts “Warenar”. Als de herleiding klopt dat de “pot” eigenlijk een verbondspot (in de Griekse oudheid een Driepoot?) is, waarop een feestmaal, voor de goden en de rest voor de aanwezigen, bij gelegenheid van een huwelijk (vergelijk o.a. Metamorfosen, Ovidius, V, 1-235, waarin achter, over en bij het altaar …… de tripod = schaal, doos …… flink wordt gevochten), werd klaar gemaakt, dan klopt dit met de symboliek in de verhaaltjes tot nu toe aangehaald: de stok, als symbool voor penis, en de koffer als symbool voor het echtelijk bed en het verreizen van een van de getrouwden naar het huis van een ander. Wij kennen ten slotte nog de uitdrukking: met iemand de “koffer in duiken. In een Nasreddin verhaaltje is de “pot” zwanger en krijgt ze kleine potjes. Dat eerste verbond is dus een huwelijksovereenkomst, waarbij blijkbaar al heel lang geleden overspel als fout werd bestempeld. Maar ook een te grote behoefte aan geld!

Plautus was een Romein en schreef soldateske kluchten. Soldaten moesten zich veel dingen goed herinneren, omdat zij langere tijd van huis waren. De toneelstukken van Aristophanes (446 v.Chr. – 386 v.Chr.) zijn meer een commentaar op de zeden en gewoonten van zijn tijd. De stukken van Aristophanes zijn anders, meer gedistingeerd. Plautus was een kluchtenschrijver zoals Molière, Hooft en Bredero. Blijkbaar is de oorsprong van de klucht en de komedie een andere dan die van de stukken van Aristophanes. De klucht gaat terug op grappen zoals we hierboven hebben staan, en lijken een bijna heilige inslag te hebben in tegenstelling tot de stukken van Aristophanes die een beroep doen op het gezonde verstand.

Conclusie.

De oorsprong van de humor in het persoonlijke vlak lijkt vaak seksueel getint. Daarmee is deze humor de eerste met een humanistische boodschap, ver voor de renaissance. De mens is hierin het middelpunt, niet God!

Ze vertellen over de eerste huwelijkscontracten en wat volgens die contracten echt niet mocht. Die contracten staan dichter bij het soldatenleven dan bij onze burgerlijke maatschappij, gebaseerd op kennis en wetenschap, zoals Aristophanes en zijn volgelingen voorstaan.

De humor is niet alleen ten koste van anderen, maar vooral een spiegel. Wat je wil dat een ander jou niet aandoet, doe dat ook een ander niet aan. Het is humor van een cultuurbrenger, die nog met een voet staat in het wapengekletter, zoals Herakles, en met de ander voet in de civiliserende wereld. Verrassend is dat de stukken van Aristophanes ouder zijn dan de klucht! Steeds meer was de literatuur niet gericht op het voor zich winnen van een elite, maar op het voor zich innemen van de massa’s, zou dat een verklaring hiervoor kunnen zijn?!

En ten slotte mag niet onopgemerkt blijven dat het erop lijkt dat deze vorm van humor zijn oorsprong vindt in de noodzaak zich iets heel precies te moeten herinneren, en daarbij gebruik makend van de loci-methode, de herinnering bezielde met iets dat niet alledaags is!