Mooi aangekleed.

In 1501 na Christus zag de volgende dialoog tussen Salomon en Marcolfus in druk het licht onder de titel: Dat dyalogus of twisprake tusschen den wisen coninck Salomon ende Marcolphus. Over wie Marcolphus was, staat meer te lezen in een ander stuk, als kanttekening over Salomons oordeelsvermogen toegevoegd aan de Inleiding. In de twee naast elkaar staande teksten hieronder staat links steeds de oorspronkelijke tekst van het gesprek met Markol; rechts staat een vertaling in modern Nederlands van mijn hand. Het volgende stuk is een mooie aanvulling op het stuk dat al in deel 1 over de rechtspraak staat over het veld bedekt met een mantel van bloemetjes. Maar nu gaat het niet om een veld bezaaid met bloemen, maar bedekt de mantel een vrouw, waarover echter op dezelfde manier hoog wordt opgegeven (Salomo en Marcolphus: pag. 27-28):

        

De goede vrouw (Salomo en Marcolphus:pag. 27-28):

"Daer liecht (vergissen) ghi aen quade scalc ghi moet wel arch (je moet wel slecht zijn, als je..) wesen dat ghi aldus veel quaets vanden vrouwen segt want een ygelic van vrouwen gheboren wort.

daer om die dat vrouwen geslacht onteert: die is seer te lasteren (is je heel erg kwalijk te nemen/laken), want waer om wat batet rijcdomme wat conincrijcken wat gout wat silver wat costelike cleederen wat ghesteente wat costelijke maeltiden wat blijden tijt wat genuechten sonder vrouwen.

                        Voerwaer die mach wel der werelt doot hieten dye vanden vrouwen verscheiden (een wereld zonder vrouwen is dood) is want die vrouwen moeten die kinderen draghen sy voedense op ende hebbense lief, sy omhel[s]tse ende verhopet altijt harer heil die vrouwe regeert dat huys, si is besorcht voer haer mans heyl. ende voor tghesinne (de gezamenlijke dienstboden). een wijf is alle der dinghen begheren. Sy is der iongher sueticheit sy is der ouder solaes (troost), een verblidinge der kinderen, een genoechte des daechs, solaes des nachts, des arbeyts verlichtinge alle der druckeliker dingen vergetenisse. het wijf dient sonder bedroch. Sy sal mij wachten weder ick wt oft in gae."

        In de in 1989 aan mij gegeven tekst van het volgende prachtige Marokkaanse migratielied, gezongen en gespeeld door o.a. Cheikh Mohamed Lyou, Mohamed Fatna, Bou Abderahman en Mohamed Abdellaou, getiteld, “Had ik maar een auto” (1966) komt Salomon ook voor:

Had ik maar een auto: ik zou naar Fezouan gaan. Dat is als een geschenk uit de hemel voor mij, Fezouan, het centrum van meisjes die er als Hoppen uit zien…

Ja, daar komt weer wat uitleg bij te pas. Allereerst iets over Fezouan, en daarna over de hoppen. En zo komen we bij Salomon en de kleding. In Fezouan is een warm waterbron met sterke zwaveldampen (gegeven komt later terug). Mensen bezoeken de plaats voor genezing. En meisjes lopen er dan ook in een badjas met over hun hoofd een handdoek en lijken daardoor op hoppen (zie plaatje hieronder). In de tijd van 909-1180 hadden de Fatimiden (vermeende afstammelingen van Fatima, de dochter van de profeet Mohamed; i.t.t. de Soennitische hoofdstroming waren zij Sjiieten) hier waarschijnlijk een klein koninkrijkje. De Fatimiden waren een Islamitische stroming, die geloofde in de komst van de Mahdi. Een Mahdi gaat de mensen voor, net als de Antichrist, in de strijd tegen de duivel(zwavel!) voorafgaand aan het Laatste Oordeel. Wilde je de eerste zijn die door de Mahdi gered zou worden dan leek een plaats waar zwaveldampen opstegen en je jezelf kon reinigen een goede keuze.

In dit stukje is ook sprake van “hoppen” waarmee de meisjes worden vergeleken. De Hop is een trekvogel die vroeger ook veel in Nederland voorkwam. Na de tweede wereldoorlog is hij uit Nederland verdwenen. In noord Marokko komt hij nog veel voor. De Hop wordt in het Arabisch Ben Yemen genoemd. Of hij tussen de Yemen en Marokko op en neer heeft getrokken, weet ik niet. Volgens overleveringen zou er een route tussen Marokko en de Yemen hebben bestaan, door de Sahara heen, vroeger. Het verhaal gaat dat de Hop Salomon, toen hij op weg was naar de koningin van Shiba, die plaatsen in de woestijn aanwees, waar water te vinden was. Omdat de Hop een sterke stank achterlaat op plaatsen waar hij nest, is dit natuurlijk niet om deze reden onwaarschijnlijk. Salomon hoefde alleen maar zijn neus achterna te gaan om water te vinden, want de Hop nest in holen in rivierwanden.

We kunnen concluderen dat Salomon met twee op elkaar lijkende vogels te maken heeft:de Vlaamse Gaai,en met de hop. Zie, ook de kanttekening in de inleiding over de Marcolphus. En in hun verenpak lijken ze ook nog op elkaar. Een groot verschil is natuurlijk het kapsel van de Hop, dat met enige fantasie lijkt op de narrenkap? En tenslotte lijken er nog twee vogels in aanmerking te komen in de rol van hofnar: dat is de kauw waardoor Salomon met de vogels kon leren spreken (gegeven wordt later uitgewerkt: Deel III) en het sprookje van de Chinese keizer en de nachtegaal (wordt later uitgewerkt: Deel III).

Bij Tacitus (Historiën, vertaling Vincent Hunink, 2000, pag.257) komen we een oude bekende tegen die het Joodse volk in de woestijn helpt waterbronnen te vinden: de ezel. "Maar niets werkte zo afmattend als watertekort. Ze waren al het einde nabij, lagen over de volle vlakte gevloerd, toen een kudde wilde ezels wegtrok van hun graasplaats naar een rots met schaduwrijke bomen. Mozes gaat erachteraan, de begroeide bodem doet iets vermoeden, en hij brengt ruime waterstromen aan de dag."