Voorheen

de Vereniging Toon Hermans fanclub

____________________
 

Uit Encarta-98 Winkler Prins
Toon Hermans (officieel: Antoine Gerard Theodore) (Sittard 17 december 1916), Nederlands entertainer in de traditie van revue-komieken als Buziau, Bandy en Davids, begon in 1942 in het Leidsepleintheater in Amsterdam bij Carl Tobi en werkte van 1943 tot 1952 bij Floris Meslier. Hij kreeg bekendheid door zijn medewerking aan AVRO's Bonte Dinsdagavondtrein. In 1955 introduceerde hij, na een experimentele periode met een eigen gezelschap, de one-man-show in Nederland.
Toon Hermans trad tevens op in Oostenrijk, Duitsland en Canada, en werd diverse malen tot Nederlands populairste artiest uitgeroepen. De zaalreportages van zijn shows voor televisie hadden groot succes. Toon Hermans is voorts actief als schilder en schrijver.

Ruud Kuyper, muzikant van Toon Hermans in de jaren '60, weet Toon goed te karakteriseren:
Clown, zo noemt de op 17 december 1916 in het Limburgse Sittard geboren Antoine Gérard Theodore Hermans zich het liefst. ‘Clown, maar het witte masker is afgelegd.' Beter dan het in Nederland met geen enkele allure omgeven 'artiest', het te beperkte 'cabaretier', laat staan het totaal niet toepasselijke 'acteur', geeft het van oorsprong Engelse woord 'clown' aan wat Toon Hermans kan en wat hij vindt dat hij doen moet. Dat wil zeggen ‘s avonds, wanneer in een theater het doek is opgegaan.
Voor de show, erna, ja zelfs tijdens de pauze is Toon Hermans een ‘heel ander mens', al blijft hij zich clown voelen. Om met de laatste uren voor de voorstelling te beginnen: hij is dan voornamelijk een denker over hoe het allemaal verder moet, niet alleen straks na achten maar ook straks in het volgende seizoen. Vervolgens de pauze, zo rond half tien ‘s avonds. Zijn mijmeringen strekken zich dan uit over wat er zojuist beter had gekund en wat er in deel twee nog kan misgaan. Tenslotte de bevrijdende uren na het vallen van het doek, wanneer Toon Hermans een lichamelijk vermoeide maar geestelijk eindelijk ontspannen man is, die zegt dat hij zich heel wat jonger voelt dan in de vooravond.
Toch neemt hij verlegen en lang niet altijd op zijn gemak - vooral wanneer er mensen in de buurt zijn die Zekerheden ten Toon spreiden - deel aan het een of andere gesprek in een etablissement waar nog iets te eten is. Of hij luistert nauwelijks naar de anderen, terwijl hij met samengeknepen oogjes papieren servetten en menukaarten volkrabbelt. Verbaasd, soms geschrokken en niet wetend wat hij zal antwoorden kijkt hij op als hij op de schouder wordt getikt door een onbekende die leuk tegen hem wil doen of hem uitbundig komt complimenteren. ‘En als hij door de een of ander voor het blok wordt gezet, staat hij met zijn mond vol tanden,' zegt bassist Koos Serierse, die vier jaar bij hem in dienst is geweest. ‘Ik heb vaak gedacht: potverdorie, als ik jou was had ik al lang dit of dat teruggezegd. En dat is dan dezelfde man met de sfeer van: het doek gaat op, nu gaat het beginnen. Met dat contrast heb ik, in mijn grenzeloze bewondering, wel moeite gehad.'
Dat hebben meer mensen. Was dat nu de vlotte Toon Hermans van daarstraks, die iedere situatie moeiteloos naar zijn hand zette? Ongelooflijk, wat een verschil... Hij zat daar maar stilletjes te kijken en te luisteren... Hij maakte zelfs geen enkel grapje... Dit soort uitlatingen komt voort uit de misverstanden die er rond zijn dagelijks doen en laten in omloop zijn. Want eigenlijk wordt een clown geacht vierentwintig uur per dag een kunstje te doen voor alle mensen die daarom vragen.
Maar clown zijn is een vak zoals alle andere vakken. Toon Hermans, die zich vooral de laatste uren voor ‘aanvang' wat in zichzelf lijkt te hebben teruggetrokken, pept zich tegen half acht op, schminkt gezicht en handen, doet stemoefeningen in operastijl, trekt gekke bekken voor de spiegel en verwisselt de kamerjas voor het theaterkostuum. Heen en weer dribbelend in zijn kleedkamer wacht hij op het klassieke sein van toneelmeester Johnny van Elk.
Een paar minuten later, wanneer het doek inderdaad is opgegaan, neemt een stralende en meestal in zijn handen wrijvende Toon Hermans bezit van het toneel. ‘En dat is het belangrijkste moment van de hele show - zijn opkomst,'zegt slagwerker Tonny Nüsser, die bijna vijftien jaar bij Toon Hermans heeft gewerkt. ‘Alsof de zon opgaat. Hij hoeft maar te zeggen: het is koud buiten, of zoiets, en de mensen hebben het naar hun zin. Maar als hij niets zegt is het ook goed.'
De ruimte waarin Toon Hermans zijn beroep uitoefent, vol bezoekers die de indruk hebben dat de man achter de microfoon zich tot ieder van hen persoonlijk richt, krijgt iets van een huiskamer met een groot verlicht gat in de muur.
Er ontstaat een collectieve overgave van het ‘hooggeacht publiek' aan die ene man, die meermalen heeft beweerd dat hij ‘daarvoor in ieder geval clown is'.
‘Wie nog meer achter mij wil zoeken, die gaat zijn gang maar. Voor mijzelf is het allemaal zo ingewikkeld niet.' Want aan ingewikkelde gedachtenspinsels of via puur verstandelijke kanalen tot stand gebrachte theorieën heeft Toon Hermans, als met overtuiging mislukt scholier, een hekel. In feite beschouwt hij iedereen die het leven wil beredeneren - of het nu een dominee is, een doctorandus in de sociologie of een politiek kopstuk - als een mens die niet weet waar het werkelijk om gaat.
Deze aversie tegen weters, of (nog erger) betweters heeft hij al van jongs af aan.
‘Als iemand mij iets uitlegt wat hij zeker weet, dan luister ik al niet meer, of maar half. De meester op school bijvoorbeeld wist heel veel, maar het overhevelen daarvan naar mijn hersens vond ik niet boeiend genoeg om mij er werkelijk voor te interesseren. Ik was ergens anders met mijn gedachten, bij de wolken die voorbij dreven of bij een mus die op de vensterbank zat. Dan zei de meester: Hermans, jij weet niets - en het enige wat ik wist was dat hij gelijk had.'

Toon Hermans is de zoon van een vroeg overleden vader, die als bankier slachtoffer was geworden van de economische crisis aan het einde van de jaren twintig. Moeder en de vier jongens - Fons, Toon, Sjef en Jan - konden het hoofd nauwelijks boven water houden, en moesten een aanzienlijke stap terug doen. Verhuizen bijvoorbeeld van een statig, vrijstaand herenhuis naar een kleinere woning in een mindere buurt. Een vernederende gebeurtenis in een vooroorlogse provinciestad.
Hij herinnert zich zijn vader als een lange, magere man met een geligbruin gezicht, zilvergrijze haren en een snor van dezelfde kleur. Als er één ding geweest is dat hij zich in deze ellendige periode heeft gerealiseerd, dan is het wel dat het goede leven niet meer zou terugkeren. Tenminste, indien hij zich, ondanks het gemis aan een behoorlijke schoolopleiding en aan financiële steun van vaderszijde, niet op een ander bestaan zou richten.
Niet dat van een wolk of van een mus, al werd daar wel een vrijheid door vertegenwoordigd die in Sittard niet bestond. Eerder dat van een clown, die het symbool vormde van een andere, af en toe in Sittard neerstrijkende leefgemeenschap: het circus.
Natuurlijk zijn er daar in het Limburgse ook uitermate positieve invloeden geweest: de harmoniekorpsen en fanfares, de buutredeners, de plaatselijke en regionale komieken, het carnaval, het artiestenvolk rond de jaarlijkse kermis. En vooral de Rooms-katholieke Kerk met haar Heilige Missen en alle andere eeuwenoude rituelen die aan dit instituut verbonden zijn. Neem de bidprocessies, door Toon beschreven als ‘groots en ontroerend'. Hij zag er theater in...
Toon Hermans, clown in opkomst en winnaar van de eerste prijs tijdens een te Heerlen gehouden talentenjacht (Cabaret der Onbekenden) trok naar Amsterdam. Op deze stad hadden zijn onbestemde verlangens naar een ‘ander, ruimer leven' zich voorlopig geprojecteerd.
De onhandige, onzekere en om het minste geringste te hevig blozende provinciaal arriveerde per trein in de hoofdstad met ‘haar hoge huizen en lange diepe straten' en huurde een kamer bij een vriendelijke mevrouw aan de Leidsekade. Vlak voor een auditie ten overstaan van toenmalig Carré-directeur Alex Wunnink mompelde hij een paar korte zinnen die in De Avonden van Gerard Reve hadden kunnen staan. ‘Hier komt de clown. Het zit allemaal in deze koffer. Hier komt de clown'.
Deze clownsfiguur was, in de woorden van Toon zelf, een jonge man die verlangde naar een ‘nieuwe, betere wereld', zijn ‘honger kwijt wilde, zijn armoede, zijn eenzaamheid, zijn hart wilde warmen aan het licht dat uit de hemelhoge balkons naar beneden plensde'. Het woord ‘licht' heeft nog een betekenis, want Toon Hermans had werkelijk het gevoel dat hij uit het donkere Zuiden in het lichte Amsterdam was beland.
Brandpunt van dit gevoel was het in 1887 geopende Circus-theater Carré, de plek waar Toon Hermans ‘het meeste van dit land en van de mensen houdt'. Volgens hem zijn ze er ‘anders dan anders, omdat dit theater iets bijzonders met hen doet. Ze zijn minder star, minder wrevelig, minder in de plooi, minder Nederlands misschien wel. Ik vind dat Carré de mensen liever, milder maakt. Daarom is het mijn favoriete theater'.
Carré betekende het beroemde clownstrio De Fratellini's, hun nog vermaardere (en door Toon Hermans verafgode) collega Grock, de balletten van de Marquis de Cuevas, Louis en Heintje Davids, de Nationale Revue met Lou Bandy en vooral de grote Bouwmeester-revues met de clown Johan Buziau als centrale figuur.
Buziau... Toon bewonderde deze nationale held uit de jaren dertig met zijn droog-komische manier van werken en zijn hese stemgeluid hevig, zoals hij ook - zij het in mindere mate en om heel andere redenen - Lou Bandy bewonderde. In beide gevallen richtte hij een van zijn specifieke talenten, de haarscherpe imitatie (Amerika heeft een beter woord: impersonation) op het onderwerp van zijn bewondering.
Lou Bandy doet hij wel eens na in gezelschap van een paar ingewijden. Op het toneel heeft dat geen zin, weet hij. ‘De mensen kennen Lou Bandy niet meer of ze kennen zijn waarde niet'. Het imiteren van Johan Buziau, ontroerend voor iedereen die ‘Buus' heeft gekend, leverde een van zijn grote successen op in de revues die Floris Meslier en Frans Mikkenie tijdens de eerste oorlogsjaren in het Amsterdamse City Theater brachten. De naam van de eerste revue (opgevoerd in 1943) luidde Première, en de schepper ervan was Willy van Hemert, die er bovendien een belangrijke rol in speelde. Toch lag Toons eigenlijke debuut, een jaar eerder, op een ander terrein. Acteur-cabaretier Carl Tobi gaf hem in het slechts op een paar honderd meter van City gelegen Leidsepleintheater een rol in het programma Pret van A tot Z, met de humorist Kees Pruis als centrale figuur.
Toon Hermans had Johan Buziau in Heerlen voor het eerst zien optreden. ‘Onbegrijpelijk fantastisch. Ik onderging het als een wonder. Ik zag hem als een heel vreemde figuur. Niet als een mens. Als een vreemde vogel, iets tussen engelen en mensen in'.
Zelf moest hij ergens beginnen natuurlijk, al was het alleen maar door in de gedaante van Buziau te kruipen, zich zo te identificeren met diens stem, oogopslag, gebaren, manier van lopen en veel meer, dat het leek of Buziau daar zelf stond. Veel later zou Toon Hermans een persoonlijkheid worden die op zijn beurt door anderen (onder andere Frans Halsema en Robert Paul) werd geïmiteerd. Want wie wordt geïmiteerd die is wat. En Johan Buziau, tot in de jaren vijftig vaste bezoeker van het Haagse Scalatheater wanneer Toon Hermans daar optrad, schreef in een programmaboekje: Mijn opinie omtrent de toneelprestaties van Toon Hermans is deze, dat hij vanaf het begin, dat ik hem heb zien optreden, mij zeer heeft geboeid en bovenal heeft geamuseerd.
Ook Theater Carré zou nog van Toon horen. Eerst waren minder omvangrijke gebouwen als het Leidsepleintheater, het Apollopaviljoen, de Kleine Komedie en het Centraal Theater aan de beurt. Jaren later (eind 1963) debuteerde hij met zijn vierde One Man Show in Carré, dat nogal eens ‘het hol van de leeuw' wordt genoemd, maar door Toon Hermans naar aanleiding van die allereerste auditie met verschuldigde hoogachting is betiteld als een ‘kolossale theaterkathedraal'. Zo kan alleen iemand uit het Zuiden het zeggen.