![]() |
G. v.d. Velde
v. Loghemstraat 67 9731 MD Groningen Tel. 050-5421794 Tel. 06-20819881 E-mail gvdvelde@tiscali.nl |
INFO
Aktuele informatie:
In 2010 worden de dochters van AM0779 grootouders
FIV05744 x L05244 opgesteld als darrelijn.
| Li import 1998 | Dit is een zusterparing zoals door Hans Roy in zijn boek is omschreven. |
|||
| I | ||||
| Li ins=2001 | ||||
| I | Li import 1998 | |||
| LiF1=99 | ||||
| TR95175 |
Het Ligusticaproject hebben we dit jaar voortgezet met een zusterparing (zie schema.)
Een aantal dochters van een geselecteerde importkoningin is geďnsemineerd met darren van zustergroepen. Deze dochters zijn door onze collega licentiehouder Joost Peschier geďnsemineerd.
Het heeft 100% resultaat gegeven. Langs deze weg nogmaals onze dank aan Joost.
Momenteel zijn de koninginnen op Ameland ingevoerd in volken.
Het is nu een kwestie van natelen en selecteren om tot een gewenst resultaat te komen. Hopelijk lukt dat de komende jaren en kunnen we uiteindelijk spreken van nieuw bloed in onze lijnen.
De teelt van de ligustica op Ameland is tot op dit moment gevorderd zoals onderstaand schema aangeeft;
| I | ||||||||
2006
De Li0355 is er niet meer. We hebben dochters van de 0355. Vier er van zijn goed bevonden om van na te telen
Welke de beste is bekijken we in het voorjaar. De afstammelingen van de Li0355 geven vitale volken zijn rustig en maken grote
broednesten. De honingproductie van deze volken zijn is bijzonder goed.
Hopelijk kunnen we er nog enige jaren plezier van hebben.
| 1e periode 29-5-2010 volgeboekt |
| 2e periode 12-6-2010 |
| 3e periode 26-6-2010 |
| periode | overlarven | uitlopen | naar Ameland | terug van Ameland |
| 1e | 12-5-2010 | 24-5-2010 | 29-5-2010 | 12-6-2010 |
| 2e | 26-5-2010 | 7-6-2010 | 12-6-2010 | 26-6-2010 |
| 3e | 9-6-2010 | 21-6-2010 | 26-6-2010 | 10-7-2010 |
| Gosse van der Velde | tel. 050-5421794 mobiel 06-20819881 | of per e-mail buckfastbijenteelt@tiscali.nl |
| Ale Kuperus | tel. 0517-531292 | of per e-mail buckfastbijenteelt@tiscali.nl. |
| AM0779= | FIV05744 | x | L05244 |
De data's van de openstelling zijn weer bekend zie het verslag 2007 of bevruchtingsvolkjes

| AM0689- | B128(TR) | x | B25(CS) | : | 03-B95(TR) | x | B22(TR) | : |
| 02-B172(TR) | x | A180(TR) | : | B373(TR) | x | Tr95175/td> | :etc |
KORT VERSLAG VAN HET BEVRUCHTINGSSTATION AMELAND 2008
Het bevruchtingsstation is in 2008 onderdeel geworden van de Stichting Nederlandse Buckfastbijenteelt.
Vanaf het moment dat de darrenvolken op Ameland waren gestationeerd, hebben de vrijwilligers de
De kortere periodes geven ook minder kans op problemen met het opraken van het voer. Een ander voordeel van de perioden van twee weken is, dat de tweede periode maar een week verschilt met een eerste periode van drie weken. Ook in verband met vakanties komt dit beter uit. In het jaar 2009 zullen we in ieder geval een derde periode organiseren om te zien of daar nog voldoende belangstelling voor is.
De resultaten waren dit jaar goed te noemen. Een bevruchtingsgemiddelde van 85%. Dit jaar waren er ook meer imkers met 100% bevruchting. Uiteraard gaat er wel eens iets mis bij de inzendingen, maar dat wordt toch elk jaar minder. Het is duidelijk te merken dat er meer aandacht besteed wordt aan het gereed maken van de bevruchtingskastjes.
Bij de Apidea-kastjes ontbreken helaas toch nog regelmatig spijkertjes of naalden om te voorkomen dat de schuifjes naar beneden zakken (met alle gevolgen van dien).
Dit jaar hebben we nog gebruik kunnen maken van de sponsoring door de “Wagenborg Passagiersdiensten
B.V. ” voor het vervoer van de auto met de bevruchtingskastjes.
“Wagenborg Passagiersdiensten B.V. ” heeft laten weten dat het bij deze sponsoring blijft.
We zullen in ieder geval proberen het bedrag voor de bevruchtingskastjes niet te verhogen.
De ervaring heeft geleerd dat de eerste periode meestal snel volgeboekt is. Wanneer U besloten hebt van welke periode U gebruik wilt maken, raden wij U aan dit zo spoedig mogelijk kenbaar te maken.
KORT VERSLAG VAN HET BEVRUCHTINGSSTATION AMELAND 2007
Het bevruchtingsstation zal in 2008 onderdeel worden van de Stichting Nederlandse Buckfastbijenteelt.
Er is mij vaak gevraagd wat daarvan de oorzaken kunnen zijn.
Ook dit jaar moesten we constateren dat er darrenroosters werden gebruikt die achteraf koninginnenroosters bleken te zijn.
We kunnen uiteraard niet in de kastjes kijken, maar we kunnen wel allerlei zaken opmerken aan de bijen bij het vlieggat.| Ontvangst bevruchtingskastjes | ||||
| OVERLARVEN | UITLOPEN | BRENGEN | HALEN | |
| 1e periode | 16 mei 2008 | 28 mei 2008 | 31 mei 2008 | 21 juni 2008 |
| 2e periode | 6 juni 2008 | 18 juni 2008 | 21 juni 2008 | 12 juli 2008 |
| Zaterdag 31 mei 2008 | brengen 1e periode | tussen 10.00 en 11.30 uur | |
| Zaterdag 21 juni 2008 | Brengen 2e periode | halen 1e periode | tussen 10.00 uur en 11.30 uur |
| Zaterdag 12 juli 2008 | halen 2e periode | tussen 10.00 en 11.30 uur. |
| Gosse van der Velde | tel. 050-5421794 mobiel 06-20819881 | of per e-mail buckfastbijenteelt@tiscali.nl |
| Jan Kienstra | tel. 0519-542644 mobiel op 06-53438563 | of per e-mail buckfastbijenteelt@tiscali.nl |
| Ale Kuperus | tel. 0517-531292 | of per e-mail buckfastbijenteelt@tiscali.nl. |
| B89(AM)= | B128(TR) | x | B25(CS) |
HET TEELT- EN BEVRUCHTINGSSTATION AMELAND IN 2006
Voor de eerste periode (drie weken) hebben op zaterdag 3 juni tweeënzestig imkers hun kastjes gebracht. Gezamenlijk hebben ze ± 500 bevruchtingsvolkjes ingezonden. We hadden er al rekening mee gehouden dat we veel imkers en kastjes mochten verwachten (gezien de enthousiaste reacties in 2005), maar dit grote aantal verraste ons wel. Het is maar goed dat we veel aandacht hadden besteed aan de darrenvolken. Uiteindelijk bleek dat het aantal geslaagde bevruchtingen 80 % bedroeg.
De vliegopeningen van de bevruchtingskastjes geven soms nog wat problemen. Dit komt vooral voor bij de zogenaamde Kirchhainers. De opgesloten bijen knagen vaak aan de vrij harde styropor, vooral bij het vlieggat. Daardoor wordt de uitvliegopening wijder (of komt er een zelfgeknaagd vlieggat tot stand). Om dit te voorkomen zijn er imkers die (heel begrijpelijk) de vlieggaten versterken met een stukje buis. Het komt echter voor dat deze buis een heel klein stukje uit het vlieggat steekt. De schuif waarmee het vlieggat open en dicht gaat, kan er dan achter blijven haken. Dit is nogal lastig en het oplossen ervan is tijdrovend.
N.B. de Ligustica’s komen van oorsprong uit Italië waar meerdere subrassen aanwezig waren, o.a. het leerbruine subras dat
Maar dat was makkelijker gezegd dan gedaan, want Eugen woont wel in Oostenrijk. Maar om het kort te houden
Onderandere de L0355 viel gelukkig niet onder de slachtoffers en we hebben hiervan dan ook met genoegen van| B391(NE)= | 2004-B391(NE) | x | B374(NE) | : | 2003-B391(EN) | x | B1004(NE) | : | 2001-B391(NE) | x | B129(NE) | : |
| 2000 – B391(NE) | x | B262(NE) etc. |
Voor je iets inhoudelijks zegt over de lijnen van Ameland moet je een idee hebben wat je eigenlijk wilt.
We werken met veelal ingevoerde lijnen die al wel een aantal jaren oud zijn.
We hebben besloten om van een drietal lijnen uit te gaan. De reden hiervoor is dat het voor hobby-imkers niet te doen is om meerdere lijnen in stand te houden en te bewerken.
Je kunt lijnen "bewaren" door enkele dochters ervan aan te paren en die koninginnen in stand te houden zonder er verder in teeltopzicht iets mee te doen.
We beperken ons dus tot een drietal lijnen
Voordat ik op de lijnen in ga moeten we ons afvragen;
A- Willen we stabiele lijnenStabiele lijnen bestaan uit materiaal dat veelal behoorlijk aan elkaar verwant is en zullen een wat hogere inteeltcoëfficient hebben dan lijnen die geteeld zijn op variatie of vitaliteit.
Lijnen met veel variatie zijn vaak lijnen waar minder inteelt aanwezig is.
Wat is nu belangrijk: Stabiele lijnen of lijnen met veel variatie of lijnen met vitaliteit. Het zijn alle drie belangrijke eigenschappen en de ene kan niet zonder de andere.
Over het algemeen kun je stellen dat darrenvolken stabiel moeten zijn, en duidelijk zoveel mogelijk datgene vererven dat eigenlijk bewaard of bereikt moet worden.
Dan heb je het nog niet over wat je stabiel wilt hebben:
| Vruchtbaarheid | Zwermtraagheid | Goede haaldrift | Goedaardige volken enz. |
Meestal is het bij stabiele volken zo, dat een bepaalde eigenschap de boventoon voert (bv. extreme vruchtbaarheid). De kunst is nu om een lijn waarvan je bijv. een wat minder sterke eigenschap wilt verbeteren (en die verder overigens uitstekende andere eigenschappen heeft), aan te paren met een lijn die die beoogde eigenschap stabiel en met een hoog percentage in zich heeft. Op deze manier kun je koninginnen krijgen die voor die bewuste eigenschap als het ware opgepept worden.(heterosis effect) Je kunt darrenvolken op zulke eigenschappen selecteren.
Op een voorbeeld hierover kom ik zo terug.
Lijnen met veel variatie behoeven niet onstabiel te zijn maar de kans daar op is wel aanwezig.
Meestal zijn deze volken wel erg vitaal. Toch kun je niet zonder dit materiaal en het geeft veel selectie mogelijkheden, iets dat uiteraard heel belangrijk is, je hebt het dan immers over de hoeveelheid genen die nog bewaard zijn gebleven. En zo is de cirkel rond.
Je moet uiteindelijk ten behoeve van productievolken tot een mix komen tussen de twee typen.
Hoe meer lijnen je bezit, hoe lastiger wordt uiteindelijk de selectie.
Zoals ik al heb gezegd is dat voor ons soort imkers niet te doen.
Dus beperken wij ons tot drie lijnen (en dat is al moeilijk genoeg) en op dit moment een tweetal stammen die we later in willen kruisen en wel een anatolische en een ligustica.
Als voorbeeld van een lijn die erg stabiel was nemen we de HR178 van Hans Roy. We hebben een stukje raat met eitjes meegekregen van Hans Roy en hebben de de hieruit geteelde koninginnen aangepaard met darren van dochters van de TR137 die dat jaar als darrenvolken fungeerden op Ameland.
Het jaar daarop hebben we de dochters van die aanparing gebruikt als darrenvolken.
Het bleek echterdat deze volken extreem rustig waren en vruchtbaar, maar het waren tegelijk slechte honing halers.
Echter latere nateelten hiervan gaven geweldige honinghalers en voldeden ruimschoots aan de eisen die je mag stellen aan Buckfastvolken.
We hebben geleerd om geen softe volken tegen softe volken te zetten ,tenzij je iets wil bewaren, maar volken die van elkaar verschillen in hun gedrag . Dus of de darrevolken zijn soft of de aan te paren koninginnen stammen af van heel rustige volken. Uiteraard moeten de combinaties elkaar ondersteunen in de eigenschappen waaraan een buckfastkoningin moet voldoen.
Onder softe volken verstaan we volken die extreem rustig zijn en daarbij soms ook minder vitaal kunnen zijn.
De volken op Ameland zijn aan elkaar verwant op een zodanige wijze dat inteelt wordt vermeden, maar ze hebben elk hun specifieke eigenschappen.
De TR122 hebben we in 1994 gekregen van Thomas Ruepel. De TR122 was een pittig volk. Niet geheel rustig op de raat, geen steeklust en de honingopbrengst was goed.
Deze lijn werd in 1994 aangepaard met de TR137, wat een heel rustig volk was. Van oorsprong zijn ze beide geteeld uit een Anatolische moeder uit Sinop.(Turkije)
Maar ze zijn via verschillende aanparingen gewordeen tot wat ze in 1994 waren.
De TR122 had in 1993 nog een verwantschap van 42% met het sahariensis materiaal dat Thomas er in 1986 heeft ingekruist. Dat zou de geweldige honingopbrengst kunnen verklaren die in latere combinaties tot uitdrukking kwam. Ook de wat onrustige raatzit kan zo verklaard worden. Zie verder de beschrijving die broeder Adam geeft over het Sahariensis ras.(Zie heet boek "de Teelt van de Honingbij")
Ook de verwantschap met het Anatolisch materiaal was nog opmerkelijk hoog (49%)
De AM99111 is zo'n lijn die is ontstaan uit de TR122 en heeft nog een verwantschap van 34% met het Anatolisch materiaal, maar is ook nog behoorlijk verwant 48% met de B288 die ook een anatolische lijn is.
Al met al zijn we tot op heden tevreden over de TR122 en de nateelt hiervan.
De TR137 kwam ook van Thomas Ruepel en had als indicaties heel rustig ,vruchtbaar en geweldige honinghaalster. De TR137 had nog 63% verwantschap met de B288, die van oorsprong een anatolische lijn is. De B288 is regelmatig aangepaard en teruggekruist waaruit de huidige AM99139 is ontstaan, vandaar de nog redelijke verwantschap heden, (Anatolisch35% en Athos34%) met een inteeltcoefficient van 0,1936.
Ook laat de lijst zien dat er nog een behoorlijke verwantschap in 1994 was met de T301 (46%).
Je zou hier kunnen spreken van een combinatie van Anatolica x Athos.
De lijn gedraagt zich er ook wel naar. Ze is vitaal en ontwikkelt een groot broednest, beinvloeding van de Anatolica die bij aanparingen met de Buckfastdarren kan ontstaan.Zie ook hier de beschrijving van Broeder Adam in zijn boek "De teelt van de Honingbij". Athosbijen staan ook bekend om hun vruchtbare koninginnen en vooral het vroeg ontwikkelen van de volken in het voorjaar. Voor Nederland is het een geschikte bij omdat wij hier toch vroeg moeten kunnen imkeren. (koolzaad, fruitteelt). Wat dat betreft vullen de twee rassen elkaar goed aan.
De klacht die je nogal eens hoort, dat de invloed van de Athos er voor zorgt dat je veel suiker nodig bent bij het inwinteren, hebben we nooit zo ervaren. We geven de volken, so wie so, ruim 20kg. , afhankelijk van de hoeveelheid die het volk nog in de broedruimte heeft.
Wij huldigen de filosifie dat we liever in het voorjaar voerramen over houden dan dat we de kans lopen dat in januari of februari het voer op is en we allerhande kunstjes uit moet halen om de volken in leven te houden.
Dat wil niet zeggen dat we ervaren dat de TR137 lijn nu veel meer voer nodig is dan andere lijnen
Kortom een lijn waar je plezierig mee kan imkeren.
Over de HR-lijn is al iets gezegdOp Ameland bestaan nog twee lijnen die van de B30(AM) afstammen + enkele zusters deAM9721 en de TR95175. De B30(AM) is in het jaar 2000 ook in Duitsland gebruikt voor het leveren van sperma voor kunstmatige inseminatie. Al met al een bijzondere lijn.
Ik wil graag nog een lijn aanhalen en dat is de lijn die dit jaar(2001) als darrenlijn dienst doet . Het zijn dochters van de AM968. De moer zelf is er helaas niet meer. De lijn staat nog wat dichter bij de oorspronkelijke TR122 (verwantschap van 60%). Het heeft een inteeltcoëfficient van 0,38 wat het volgens literatuur mede geschikt maakt om als darrenlijn te dienen. Uiteraard moeten ook nog de andere tijpische buckfast-eigenschappen aanwezig zijn, wat ook het geval is.Dit was in het kort de weergave van het teeltstation op Ameland. Wat ons overblijft, is het u toewensen van een goed bijenjaar.(16-03-01)
Dit is nog informatie gegeven in 1996Bij het testen van nakomelingen van diverse lijnen is gebleken dat de nakomelingen van de B7(AM), B31(AM) en B32(AM) goede halers zijn. Dan hebben we het over nakomelingen van een dochter van de B75(AM) x B211(AM) (de B7(AM) resp. dochters (B31(AM) en B32(AM)) van 94-B122(TR) x B137(TR). Ook in het jaar 96 hebben deze volken naar omstandigheden goed gehaald.
Daarbij zijn de nakomelingen van de B7(AM)=93-B75(AM) x B13(TR) iets zwermtrager dan de nakomelingen van de B31(AM) en B32(AM), dochters van 94-B122(TR) x B137(TR).
We hebben het dan over standbevruchte koninginnen. Verder voldoen de volken aan de eisen die men stelt aan Buckfastvolken.
Vooral ruimte geven is ook weer belangrijk gebleken.
De B31(AM) heeft als volk geweldig gepresteerd. We testen de raszuivere moeren ook op de vaste wal uit. Hier zijn meer drachten verspreid over het gehele jaar.
Op het koolzaad lag de opbrengst ver boven het gemiddelde van andere volken die op dezelfde plek stonden. In de zomer heeft het bovengemiddeld gepresteerd en ter afsluiting op de watermunt ook geweldig gehaald.
Daarbij had ze geen enkele zwermneiging en was bijzonder rustig. Ook het hygienisch gedrag was perfect.
De koningin is in 1995 in het bezit geweest van de heer Kuperus in Witmarsum. Het bleek achteraf dat de zusters toch een enigzins achter bleven bij haar prestaties. In 1996 is de moer weer naar Ameland terug gekeerd en zijn er vele nakomelingen van geteeld. De nakomelingen uit 95 voldeden aan de eisen die je mag stellen aan standbevruchte koninginnen.
De B122(TR) is van oorsprong een Anatolica die in 1991 met een mix van Sahariensis en Athos is bevrucht. De beinvloeding (vruchtbaarheid en vroege ontwikkeling)is er reeds vanaf 1984. Dit heeft een combinatie gegeven in 1994 waarbij je een aantal Anatolische kenmerken kon waarnemen; zoals zuinig omgaan met voer en broedloos in de winter. (misschien niet zolang als de oorspronkelijke Anatolier maar toch!). De B31(AM) is vanaf 1994 gehuisvest geweest in spaarkasten. Je zou de conclusie mogen trekken dat de beinvloeding van het Athos materiaal niet zo groot meer is als sommige mensen menen te moeten opmerken. Je ziet een redelijke ontwikkeling in het voorjaar maar, niet extreem en het gebruik van voer is niet extreem hoog.
Wilt u meer informatie klik dan op E-mail gvdvelde@tiscali.nl of bel met Jan of Gosse
Terug naar Hoofdmenu Terug naar Home Page
Laatste wijziging op 4 october 2009