Het is een oud gebruik om mensen met een hartstochtelijke religieuze visie af te branden. Wat ik een beetje flauw vindt van Bert Keizer in zijn stukje ‘Beet!’ van 11-11-2004 in Trouw, is dat hij hiervoor de stem van Désanne van Brederode gebruikt.
Haar kreetje ‘Straks denken ze nog dat ik een soort Jomanda ben’ ervoer ik meer als een terloopse opmerking in het licht dat velen, die zich op inlevende wijze bezig houden met geloof, het verwijt naar hun hoofd geslingerd krijgen dat ze ‘zeker een soort Jomanda zijn’.
Ongetwijfeld hebben veel bevlogen mensen neurotische en zelfs pathologische trekjes. Het vreemde is echter dat dit alleen religieuzen kwalijk wordt genomen. Veel kunstenaars, geleerden en politici hebben ook kenmerken die je zo zou kunnen diagnosteren. Maar bij hen wordt gekeken naar hun werk, hun gemoedsgesteldheid is niet relevant. Wat je ook allemaal over Jomanda kunt opmerken, veel mensen vinden baat en troost bij haar. Waarom wordt dat die mensen misgund? Jomanda is een authentieke en consequente vrouw met een beeld van de ‘andere kant’. Zij wordt thans, evenals bijvoorbeeld Maria Magdalena in eerdere tijden, graag verguisd om haar buitenredelijkheid. Maar is deze buitenredelijkheid niet een van de belangrijkste aspecten van het geloof? Je spreekt toch over ‘religieus gevoel’ en niet over ‘religieus verstand’? Verbazing lijkt me eerder op zijn plaats dan diskwalificatie en neerbuigendheid. Overigens heeft William James in zijn klassieker Vormen van religieuze ervaring vele ‘Jomanda’s’ de revue laten passeren, soms licht ironisch, altijd kritisch, maar nooit denigrerend.