Simon Vestdijk
Een verklaarde atheïst met een verbazingwekkende,
onverklaarbare sympathie voor de mystieke mens.
Hij schreef het middenin de oorlog, in gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel. In 1947 verscheen het in boekvorm: De toekomst der religie. Negen lezingen waarin Vestdijk de weg baant voor een nieuwe religieuze mens, verlost van zijn zelfgeschapen demonen en in harmonie met zichzelf. Aan het einde van zijn boek bepleit hij het oprichten van instituten waar 'de rijpere jeugd' zich kan scholen in concentratie- en meditatiemethoden, naar het voorbeeld van het oude India, waar kinderen (volgens hem) van jongs af aan doorkneed worden in yogatechnieken.
Vestdijk, zoon van een remonstrants predikant, wist het zeker: het christendom had zijn langste tijd gehad. Hij baseerde die overtuiging op een scherp inzicht in de menselijke psyche en de geschiedenis van de godsdiensten. Hij onderscheidt drie typen die je in alle tijden en culturen tegenkomt: het metafysisch-projecterende, het sociale en het mystiek-introspectieve type. In het christendom, en vooral in de protestantse divisies die Vestdijk als zijn broekzak kende, domineerde de eerste soort, die der metafysici. In zijn optiek waren dat vooral mannen. Steile, stipte, starre lieden, gedisciplineerd en vasthoudend, redenerend en ordenend, vechtend tegen hun seksualiteit, geteisterd door zondebesef, niet in staat zichzelf of anderen te doorgronden. Zij ontlenen hun kracht aan het onbetwijfelbare bestaan van een andere wereld, voor hen de troonzaal van waarheid en wilskracht.
Deze mannen, gepresideerd door die ene, alles overtreffende Man, hadden niet het eeuwige leven, betoogde Vestdijk in 1943. De toekomst was allereerst aan het sociale type, dat veel warmbloediger en emotioneler wezen dat zich graag ontfermt over de medemens en gerechtigheid laat prevaleren boven de rechte leer. Ze waren al geboren, deze sociaal bewogen religieuzen. Het ontbrak er nog maar aan dat Vestdijk hun namen kon spellen. De Oosterhuizen, de Schillebeeckxen, de Sölles, en al die andere bevrijders van de jaren zestig en zeventig - Vestdijk voorzag ze.
En hij voorzag ons, de solo-religieuzen. Niet zoals we nu zijn, maar zoals we kunnen worden. Als we onze angst afleggen, kunnen we toegroeien naar het type dat Vestdijks meeste sympathie had, het mystiek-introspectieve. Vestdijk meende dat dit slag de grootste overlevingskansen bezat, simpelweg omdat het meer dan de andere aansluit bij de menselijke natuur. Sleutelbegrip in zijn analyse is het begrip 'integratie'. Daarmee doelt hij op de mate waarin de religieuze mens in balans is met zichzelf en de wereld om hem heen. Het metafysische type beschouwt hij als gedesintegreerd, dit in tegenstelling tot het sociale en, vooral, het mystiek-introspectieve type.
Zijn karakterschets van de geïntegreerde mens leest als een pleidooi voor een vrij beleefde religiositeit, opgewekt en verbeeldingrijk: ,,Een geïntegreerde zal zijn fantasieën, dromen en visioenen voor 'werkelijkheid' verslijten; maar de volgende dag heeft hij andere fantasieën die de 'werkelijkheid' van die van de vorige dag teniet doen. Dit gemis aan consequentie kleurt uiteraard zijn religieus wereldbeeld dat steeds vloeiender, dynamischer, relativistischer zal zijn dan dat van het gedesintegreerde type. Meestal maakt de geïntegreerde een innerlijk voorbehoud, meestal is hij bereid het 'bewezen' geloofsstuk weer terug te nemen en (als symbool of gelijkenis) van zijn absoluut karakter te ontdoen; en dat betekent dat hij meester is van zijn geloof en niet de slaaf ervan.''
Wat een visioen dat Vestdijk hier oproept. Wat een fraai visioen. Zelf had Vestdijk niet de behoefte het achterna te jagen, daarvoor was hij te veel een man van de ratio, was hij te cerebraal aangelegd. 'Het intellectualisme is nu eenmaal de grote bezoeking van de westerling', constateert hij laconiek - en hij was schrander genoeg om te begrijpen dat hij zelf een voorbeeldig bebrild bewijs van die stelling was.
Jan Oegema (fragment)
Religieuze uitingen en kunst hebben inderdaad overeenkomsten. Het gaat in beide gevallen om ervaring. Om deze ervaring onder woorden te kunnen brengen is een denkend invoelen nodig. Pierre Janssen was hier, wat de kunst betreft, een meester in. Rudolf Otto was de meester in het verwoorden van het numineuze gevoel.
Maar veel verder dan een 'redelijke verantwoording' is moeilijk te komen; de hulpeloze armbewegingen van Janssen staan ongetwijfeld bij velen nog in het geheugen gegrift, net zoals in omgekeerde zin de gedecideerde gebaren en intonaties van de dominee. Daarom zijn de kunsten, met name de muziek en de literatuur, door het brein uitgevonden om toch uiting te kunnen geven aan deze klaarblijkelijke oergevoelens van de mens.
Heb je geen enkel gevoel voor kunst, dan is Janssen een lachwekkende karikatuur.
Otto waarschuwt zijn lezers: wie zich niet kan bezinnen op zijn eigen religieuze bewogenheid wordt verzocht niet verder te lezen, schrijft hij aan het begin van zijn beroemde boek Das Heilige. Hiermee is een vraag opgeworpen die Cornelis Rümke probeert te beantwoorden in zijn recent nog herdrukte boekje Karakter en aanleg, waarin hij in tegenstelling tot Sigmund Freud de werkhypothese neerlegt dat ongeloof een ontwikkelingsstoornis is. Freud meende dat religie zich moest emanciperen naar de filosofie toe. Albert Einsteins persoonlijke bezinning lijkt daar op aan te sluiten, maar wel met een belangrijk verschil: emancipatie is voor hem geen afstand doen, maar een herijking: een kwalitatieve verandering en geen overstappen van het ene soort handelen naar het andere.
Hypotheses die zich niet laat lenen voor kant-en-klare eindconclusies, maar wel voor een denken waarin de twijfel wordt toegelaten. Zoals bijvoorbeeld bij de godsdienstwetenschapper Erwin Goodenough, die stelt dat 'degenen die menen het duidelijkst te weten, in goed- of afkeurende zin, wat religie is, het minst lijken te erkennen hoe verbazend veel verschillende aspecten van het menselijk leven er mee worden geduid'. Met name in de menselijke confrontaties met ontzag, angst, verhevenheid en overweldigende machten.
Goodenough combineert op spannende wijze de religieuze notie van de sluier die de godheid bedekt en Freuds theorieën over verdringing.
Wat de discussie versluierd is het verwarren van het terechte diskrediet van de geïnstitutionaliseerde religie met de, vaak inderdaad wat hulpeloze, pogingen om numineuze gevoelens onder woorden te brengen. De godsdienstige doctrines zijn trouwens al aan het begin van de vorige eeuw door William James en Otto afgedaan als tweedehands geloof, dat hoeven we niet te herhalen door te dansen rond het toekomstige graf van de wegkwijnende patiënt.
Simon Vestdijk schreef al in 1947 dat het christendom eens zal verdwijnen. Maar hij pleitte wel voor een waardig afscheid, langs de lijnen der geleidelijkheid, en zonder wrok of woede.
Vestdijk had oog voor het buitenredelijke aspect van religie en merkt terecht op dat de rationalisering vaak van theologen komt. Niet voor niets is Otto's Das Heilige, waarvan de strekking voor buitenstaanders van de religieuze ervaring welhaast overbodig en vanzelfsprekend is, meer gewaardeerd door pedagogen en psychologen, dan door theologen. Het boek is voor het Nederlandse taalgebied dan ook bewerkt door de bekende vrijdenker dr. Oene Noordenbos.
Wat is nou eigenlijk dat objectieve religieuze gevoel, dat zo moeilijk onder woorden te brengen is, en zo volstrekt anders is? De mooiste definitie komt m.i. van Otto:
'Het gevoel van het mysterium tremendum kan met milde stroom het innerlijk vervullen in de vorm van zwevende stille stemming van verzonken eerbied. Zo kan het overgaan in een rustig vloeiende gestemdheid van de ziel, die lang aanhoudt en natrilt, tot zij uiteindelijk wegsterft en de ziel weer in het alledaagse achterlaat. Het kan worden tot het stille en deemoedig sidderen en verstillen van de mens voor het ja waarvoor? Voor wat in onzegbare geheimenis boven alle schepsels is'.Een van de belangrijkste vruchten van het geloof is, dat het over de grenzen van de conventionele psychotherapie kan heengaan. Deze moet afhaken bij de existentiële bestaansangst, waarvan de sleutel in de duisternis van de meest verborgen hoeken van de menselijke geest ligt. Het godsvertrouwen, om het maar even wat ouderwets te formuleren, geeft de mogelijkheid om daar te komen waar de waanzin van het niet meer aankunnen van de zelfconfrontatie en het overwinnen van de weerstanden die op vooroordelen gebaseerd zijn, op de loer ligt.
Zeker, een goede en vaak kostbare en langdurige psychoanalyse kan je daar ook brengen. Maar dat is niet voor iedereen weggelegd. God wel, die is toegankelijk voor wie bij Hem aanklopt. De Europese zwarte zakenvrouw van dit jaar, Grace Boldewijn, heeft dit onlangs nog kort en bondig geformuleerd: 'Als ik het niet weet, vraag ik het God. Ik krijg altijd antwoord, daarover hoef je niet moeilijk te doen!' Dat dit de ongelovige als hocus-pocus voorkomt is te begrijpen. Maar voor de zakelijke markt van de ratio is toch het resultaat het belangrijkst? Het gaat uiteindelijk om de vruchten. Zelfs als alle bewustzijn met mijn lichaam zou afsterven, heb ik er in ieder geval veel plezier en baat bij gehad en daarmee ook mijn omgeving. Maar de psycholoog James ging daar niet vanuit: 'Al het werkelijke moet ergens ervaarbaar zijn, en alles wat ervaren wordt moet ergens werkelijkheid zijn'. De Amerikaanse psychologe Helen Schucman ging een stap verder: 'Niets werkelijks kan bedreigd worden. Niets onwerkelijks bestaat.'D.M.
Religie en filosofie
In de eerste eeuwen van onze jaartelling is het christendom ontstaan door annexaties van de meest waardevolle bestanddelen van concurrerende sekten, zoals Mithrasdienst, Isisdienst, Eleusische mysteriën. Deze enigszins vampierachtige praktijken neemt Nietzsche het christendom uitermate kwalijk, maar waarom eigenlijk? Een wereldgodsdienst mag niet kieskeurig zijn in de middelen om er te komen. Het feit zelf wordt intussen door de theologen volmondig toegegeven, ten bewijze waarvan ik het volgende, niet van pikanterie verstoken citaat uit Das Heilige van Rudolf Otto licht, daar waar hij schrijft over de begrippen ‘licht’ en ‘leven’, die het jonge christendom zich uit de zojuist genoemde bronnen toegeëigend heeft: In het evangelie van Johannes zuigt het Christendom uit de andere concurrerende religies de ‘phos’ en ‘zoe’ in zich op, en zuigt ze daarmee uit: volgens het recht van de sterkste. Dit is openhartige taal; en men zou er aan toe kunnen voegen dat vele sterksten de zwaksten zullen blijken te zijn – zoals de huidige positie van het christendom genoegzaam illustreert – maar daarmee is nog niet gezegd dat de zwakke die eens sterk geweest is niet opnieuw sterk kan worden door anderen van hun kracht te beroven.
Laten wij eens veronderstellen dat wij van Kant enkel de Kritiek van het pure verstand bezaten, en ons op grond daarvan een oordeel moesten vormen aangaande de religiositeit van Kant. Dat in dit beroemde werk een wereldbeschouwing vorm heeft aangenomen, die op ‘totaliteit’ aanspraak maakt, lijdt geen twijfel; het is het wereldbeeld van de transcendentale filosofie, waarin alle verschijnselen hun plaats vinden, waarin alles wetmatig geordend is, waarin niets een partieel of incidenteel karakter draagt. Er is een grote, richtinggevende gedachte, waaraan alle gegevens van ons kritisch verstand ondergeschikt zijn gemaakt en die daarom ons verstand ook volledig, ‘totaal’ bevredigt. Ons verstand, niet ons gevoel. Althans niet het gevoel van de meesten onzer, en óók van Kant niet, die tenslotte niet voor niets, behalve de Kritik der reinen Vernunft ook nog de Kritiek van het praktische verstand heeft geschreven. We stuiten hier op het verschil tussen religie en filosofie; en dit verschil mag dan niet volstrekt bindend zijn, zo is in de meeste filosofische systemen de religieuze inslag onmiskenbaar (Plato, Plotinus, Spinoza, Hegel), terwijl bij de oude Indiërs de grens vaak niet eens meer te trekken is – zodra het aan de dag treedt, blijkt het toch duidelijk te berusten op een verschil in ‘totaliteit’ – niet wat het object betreft (het zuiver filosofische wereldbeeld hoeft niet minder groots en minder omvattend te zijn dan het religieuze wereldbeeld), maar wel ten aanzien van het subject – de persoonlijkheid van de theoretische filosoof en van degenen die zijn boeken lezen. Dit subject is als het ware gehalveerd; alleen de rationele helft doet mee. Maar voor de religieuze houding is nu juist kenmerkend, dat béide helften meedoen: het irrationele én het rationele, waarbij natuurlijk het accent nu eens op het ene, dán weer op het andere kan komen te liggen. Een volmaakt irrationele religie, die alleen op het gevoel en het handelingsleven haar beroep doet (en die zich dus niet eens in woorden zou mogen openbaren!) kunnen wij ons al evenmin voorstellen als een religie, die geheel in begrippen zou zijn opgegaan en uitsluitend tot het verstand van de ‘gelovige’ – in dit geval nog maar een naam zonder inhoud – spreken. Het is opvallend dat het gevaar van een dergelijke extreme rationalisering der religie haast nog meer van de kant der theologen dreigt dan die van de kant van de gelovige filosofen; maar gelukkig zijn er ook altijd weer theologen, die voor de tegenstroming zorgen en met nadruk komen vaststellen, dat religie en geloof in wezen irrationeel zijn, in de moderne tijd bijvoorbeeld Rudolf Otto, in het bekende boek Das Heilige, waarvan de algemene strekking, voor zover die polemisch of corrigerend wil zijn, een buitenstaander haast overbodig, en in elk geval vanzelfsprekend toeschijnt.
Simon Vestdijk: De toekomst der religie, Arnhem 1947
Het christendom moet het hoofd bieden aan ernstige kritiek, wordt afgewezen, of genegeerd. Bovendien gaat het in vele opzichten gebukt onder een compromitterend verleden. Denk aan het belangwekkende boek van Vestdijk, waarin hij uiting geeft aan deze houding:
‘Dat het christendom eens verdwijnen zal, lijkt mij niet alleen waarschijnlijk maar ook wenselijk. Wat mij echter niet wenselijk voorkomt, is een geforceerd en overhaast verdwijnen, waarmee de historische continuïteit geweld zou worden aangedaan. Ik zou willen, dat deze liquidatie zich op waardige wijze voltrok, langs lijnen van geleidelijkheid, en zonder woede of wrok in de harten der betrokkenen na te laten’.
Tegen de achtergrond van een dergelijke houding gezien, doet de pretentie van het christelijk geloof, dat het de waarheid brengt, de enige, verlossende waarheid, aan als de reinste dwaasheid en als holle aanmatiging.
(Dr. H. Kraemer)
Simon Vestdijk wil dat grensloos gecompliceerde, aldoordringende verschijnsel, dat hij ‘religie’ noemt overmannen in een worsteling, zoals iemand doormaakt, die droomt, dat hij met een schim vecht. Dat laat hij ons zien; maar hij wil niet, dat wij alleen maar toeschouwers zijn, supporters, die juichen als hij een grofheid tegen de fijnen debiteert en die fluiten als hij hun geestelijke broeders te pakken neemt. Hij betrekt er allen in, zoals hij er zelf in betrokken is; niemand blijft er vreemd aan.
(Dr. S. F. H. J. Berkelbach van der Sprenkel)
Als kenner van geestelijke stromingen en speurder in de menselijke ziel, was Vestdijk als voorbeschikt tot het schrijven van dit werk, dat het merk van zijn geest vertoont, zakelijk, orgineel en onverbiddelijk. (Trouw)
Meen niet, waarde lezer, dat ’t boek hevige affecten in u op zal roepen. Het doet dat niet; ge gaat het niet eens in gedachten bestrijden. Daarvoor is het boek te onbelangrijk. Het enige, wat het oproept, is een lichte ergenis, omdat dit nu als wijsheid aan de man gebracht wordt en nog meer, omdat men het gehele boek door kan lezen, zonder één opmerking te lezen waarover men zich oprecht verheugt. Ge weet, dat kan de lectuur van ettelijke taaie bladzijden goed maken. Maar zelfs deze vreugde gunt de schrijver ons niet. (Dr. H. de Vos)
‘De toekomst der religie’ van Simon Vestdijk is een koorddans tussen het zuiverste atheïsme en het meest onverbloemde geloof; het is bovendien een antropologie, een cultuurfilosofie en geeft ook nog een paar gezichtspunten voor andere wetenschappen, die iets met de mens te maken hebben. Vestdijk zegt hier heel duidelijk, wat hij over de centrale vragen van de mens denkt; alleen zal hier ook wel gelden, dat deze duidelijkheid alleen duidelijk is voor hen die het verstaan. Maar dat is vaker geconstateerd als het over religie gaat.
(Dr. Fokke Sierksma)
De citaten van en over Simon Vestdijk zijn overgenomen uit Een wijze uit het westen