181 Daar deszelfs gestalte voornamelijk van die des rugs en der ribben afhangt ,
zoo vindt men eenen schoonen buik , bij paarden waarbij deze welgevormd zijn , terwijl een zadelrug ge-
meenlijk met eene hangbuik ; p. iv. 40. ( ventre de yache ) een ezelsrug , daarentegen , met eenen opgetrokken buik
(yentre retrousse ) gepaard gaat . Voorts zijn merriën , welke meermalen een veulen gedragen hebben , als ook paarden , welke te veel hooi ,
of alleen gras gegeten hebben , aan dikke hangende buiken onderworpen , welke men tot onderscheiding van de voorgaande ,
hooi of gras buiken noemt , en minder naadelig dan de voorgaande beschouwt , ofschoon zoo wel de eene als andere dikke buiken ,
de vlugge en snelle bewegingen , door de vermeerdering der ligchaamszwaarte , belemmeren , en in den gang de achterbeenen in het bereiken van het zwaartepunt hinderlijk zijn .
Is bij eene merrie de buik en de zijde sterk uitgezet , zoo baart het vermoeden , dat zij dragtig is , waarvan men zich
door de beweging der veulens, welke aan de onderzijde des buiks , na de vijf en eene halve maand der dragt ,
( wanneer zij bereden is , of koud water heeft gedronken ) voelbaar is , kan overtuigen . Op getrokkene buiken benadeelen de gezondheid , door de pranging der ingewanden , en de hierdoor gevolgde slechte
spijsvertering , waardoor zoodanige paarden weining eten , zeer heet , tegen geene vermoeijenissen bestand ; en daarenboven
aan het ongemak onderhevig zijn , en dat de zadel steeds naar achteren glijdt ; terwijl hetzelver steeds verhitting of
eene andere ziekte aankondigt , ingeval geene misvorming der gedaante hiertoe aanleiding geeft .

182 Navelbreuken ( hernie ventrale ) pl. iv. 42. die men onder denzelven , zoo als de zijde breuken , onder de kraakbeenderen der ribben aantreft ,
en welke een gedeelte darmen bevat-tende , zich inde gedaante van een week gezwel vertoonen , kan men van andere water en
windgezwellen daardoor onderscheiden , dat zij op de drukking der vingeren in de buikholte terug wijken , terwijl voorts de een
en andere , naar gelang van derzelver grootte , meer of minder schadelijk en wanstaltig voor het gezigt zijn .
Belangrijker is de beweging van dit deel , welke bij een gezond paard in den staat van rust , naauwlijks bemerkbaar ,
en bij de bewegingen slechts aan deze geëvenredigd moet zijn .
Wanneer hetzelve in het eerste geval , het lijf sterk optrekt , en zich bij eenen opgetrokkenen buik eene diepe groef dwars
onder de ribben naar de zijden ( flanken ) vertoont , zoo heeft het eene borstkwaal , de koorts , of is dampig , welk laatste
vooral dan te vermoeden is , wanneer de uitademing met eenen sterk te zamengetrokkenen buik , heftig en plotseling geschiedt ,
met eenen doffen korten hoest verzeld gaat , en de eetlust en vrolijkheid onveranderd blijft .
terug naar mijn adres
Thema's