
Jeugdkampioen 1972
"Even langs..." bij Willy v. d. Heide
Ben je in de buurt, loop dan eens langs," had Willy van der Heide ons al herhaaldelijk gevraagd. Toen we
dan ook een van die snik-hete dagen van Augustus in de buurt van Rijpwetering waren, zijn we even bij de
Maia aangelopen.
Dat de schrijver van de JK-feuilletons, een serie avonturenboeken en korte verhalen op een schip woonde,
dat wisten we. Maar geen woon-schip, d.w.z, geen imitatie-huis op een ijzeren ot betonnen bak, maar een
uitgediend oorlogsschip met vele stuurwielen, kompassen, seinvlaggen en lantaarns. Maar zonder kanon,
hetgeen de heer v. d. Heide innig betreurt. omdat hij nu zijn gasten niet met een ferm schot welkom kan
heten. Dit schiettuig is in lang vervlogen tijden van het dek gewaaid, maar we zijn er zeker van dat de heer
v. d. Heide eens op een dag naar zijn drijvend huis zal keren met een kanon onder de arm.
Ongetwijfeld zat hij aan de.mogelijkheden tot het verwerven van houtwitsers of daaromtrent te dubben, toen
wij aan zijn verschansing traden en hem deden opzien van zijn mok dampende koffie. Hij keerde terug uit
zijn hoger sferen en zei "Hallo kere1!" zonder elgenlijk precies te weten wie wij waren omdat zijn
gedachten zich moeilijk van het hogere jongensboek konden losmaken. Daarom zeiden wij onze naam,
waarop hij sprak:
"Je kunt thee krijgen, koffie of cola." Het was een vreemde toespraak, want wij voelden er weinig voor om
staande in de drassige slootkant het beloofde nat te slurpen. Hij bemerkte onze aarzeling "om de hoek ligt
de loopplank," wees hij ons dan ook. Gezeten op het gloeiend hete dek van de Maia dronken wij toen
koffie. Hete koffie, omdat dat zo goed heet te zijn in grote hitte. Wij keken eens omhoog langs de mast,
waar twee signaalvlaggen rafelig in de Westerbries flapperden.
"Heeft dat sein een bepaalde betekenis?" informeerden wij.
"Ja," zei Van der Heide. "Natuurlijk. Maar aangezien geen mens in of op de Kaag een Vlaggencodeboek
heeft, is er weinig lol aan, ook al hang je de afschuwelijkste beledigingen in de mast." De bovenste vlag was
vierkant en driekleurig. De onderste puntig, met een rode bal in het midden. "Eh... wat betekenen deze twee
vlaggen?" Van der Heide zette zijn koffiemok op de aluminium geverfde lier. "Draai bij, of ik boor u in de
grond"... Ik was net van plan, een nieuw signaal te hijsen, maar dat kan wachten."
Een langharige, bruine jachthond kwam kwispelstaartend het voordek op, en een vreemde, vieze lucht
vermengde zich met de geur van onze koffie. "Allemachies!" riep de auteur (want zo sterk roept hij gaarne),
sprong van de railing af, greep de hond met beide handen op en liet hem buitenboord los. De hond scheen
dat heel gewoon te vinden, daalde twee-en-een-halve meter, verdween met een kolossale plons onder water,
kwam vier meter verder weer boven, zwom opgewekt naar de oever, schudde zich, trippelde over de
loopplank weer het schip op en ging in de hete zon liggen drogen. "De vissers," verklaar de Van der Heide.
"Gooien ondermaatse vis die ze vangen op de kant, gaat stinken. Alle honden rollen zich er in. Waarom,
kan geen mens me vertellen. Het is een stank waar een Zouaaf van flauwvalt. Gooi 'm overboord, is-ie weer
schoon." Een lapjes kat klom uit een kabelgat, knipoogde tegen ons, wandelde dwars over de natte hond
heen en sprong in een openstaand luik. Zonder waarschuwing of aankondiging begon binnen in het schip
een radio te spelen... niet zo zacht ook. "Ha!" zei de auteur, "Frans Brussel, Twee uur.
Ik keek op mijn horloge, Het klopte precies. Maar het was me toch niet helemaal duidelijk. "Is er nog
iemand binnen?" "Nee," zei hij, "Tijdklok. Electrische tijdklok. Heeft een schaal van 24 uur en je kunt het.
ding op elk kwartier afstellen. Schakelt bijvoorbeeld om twee 's nachts de radio uit, en des morgens om
kwart, over tien weer in... Tien uur weer uit en half elf weer aan. Met een radiobode naast je, kun je alle
geklets door die klok laten uitschakelen, Dat ding geeft alleen de muziek door. Automatisch," "Maar dat is
formidabel!" riep ik, "Wat een idee! Dat is de uitvinding waar radiominnend Nederland al jaren op wacht!"
De auteur kreeg een vreemd, dromerig licht in zijn ogen. "Je kunt er heerlijke dingen mee doen, Moet ik
naar de stad, dan leg ik alle lichten van het schip over die klok. Als ik vijfhonderd meter van mijn schip af
ben, midden in de nacht, zie ik ineens alle lampen en zoeklichten aanspatten. Fantastisch gezicht. Zullen we
naar binnen gaan?'
Dat was mij niet onwelkom, want ik zat nog steeds met m'n steedse pakkie aan en het was meer dan
heet in die zon. mijn gastheer verschafte me een short, een shirt en een paar bootschoentjes. In het stuurhuis,
met, rondom open ramen, waardoor de bries blies, was het heerlijk koel. Door die ramen, keek je kilometers
ver het Hollande landschap over. "Heerlijk om hier te kunnen werken," zei ik. "Hoe kom je eigenlijk aan dit
schip?"
De heer v. d. Heide begon een van zijn vierendertig pijen uit te krabben, Dit was er een met
een doodshoofdje als kop, een griezelig dingetje, waarvan in de oogholtes rode steentjes schitterden. "Deze
Maia heb ik uit België gehaald en naar ons land gebracht..." En toen volgde er een verhaal over de koop
van die schuit en de tocht ermee dat, zo vonden wij, niet alleen verteld, maar ook geschreven diende te
worden. En dan in de Jeugdkampioen. Niet dat elke lezer van de JK nu maar eens moet gaan uitzien naar
een oude, in het buitenland liggende boot, om die aan de haak te slaan en naar zijn woonplaats te varen...
Nee, maar wel publiceren wij dit gekke verhaal in ons blad, omdat we dan deze acteur van zo'n heel andere
kant leren kennen. Niet iemand die achter een bureau zit en voor zijn hoofdrolspelers moeilijke en
gevaarlijke situaties uitdenkt, maar als de auteur-die-'t-zelf-beleefde. De man die een kampvuur brandend
weet te houden zonder brandstof, die trappen weet op te lopen, zonder dat de treden kraken, die schipbreuk
weet te lijden en uit een groep fatsoenlijke mensen die ene boef weet. aan te wijzen... De man ook, die in dit
verhaal, dat "De smokkelvaart van de Maia" gaat heten en blijkt nooit voor één gat gevangen
te zitten, zich ook in werkelijkheid uit de gevaarlijkste situaties weet te redden en de moeilijkheden
verbonden aan het varen met een oud, gepensioneerd oorlogsschip naar behoren het (koele) hoofd weet te
bieden.
Alleen, dat met dat kanon, dat zit de heer V. d. Heide dwars. Toen wij eindelijk opstapten teneinde thuis
nog op tijd voor het avondmaal te zijn, hoorden wij als zijn laatste woorden, terwijl hij staarde naar een
vreemde deuk in het voordek: "Maar er komt hier weer een kanon, Al moest ik er zélf een maken!"
En waarachtig hij maakt er zelf een, als-ie even een uurtje vrij heeft! Geloof ons.