|
Speciaal voor fijnproevers is het onderstaande citaat uit een boek van
Peter de Zwaan, de opvolger van Willy van der Heide als schrijver van de
serie.
Nouvelle cuisine
De toegangsdeur van 'La Mimosa d'Or' was even rond als de rest van het
gebouw. Ze bestond uit twee halfronde koperen platen, die blonken als spiegels
en die aan de randen versierd waren met goudkleurig smeedwerk in de vorm
van series ineengestrengelde mimosa's. Voor de deur was een pergola gemaakt
van balken met mimosa-motieven en latwerk waar echte mimosa tegen aan was
geplant. Het geheel zag er overdadig luxe uit en Jan begon te vrezen dat
Arie gelijk had en dat hij op het punt stond een bodemloze voedselput te
betreden waarin hij al zijn geld zou moeten storten.
Hij stond op het punt terug te gaan toen een helft van de deur geluidloos
openging en een van top tot teen in het wit gekleed meisje op de drempel
verscheen.
'Mijnheer,' zei ze vriendelijk op een halfvragende toon.
Jan keek naar het meisje en begreep dat hij nu niet meer terugkon.
'Ik zou graag willen dineren,' zei hij in het Engels.
Het meisje schakelde ogenblikkelijk op die taal over. 'U bent alleen?'
'Ik ben alleen, maar ik verwacht iemand.' Jan bewoog zich ongemakkelijk
en wenste dat hij geen blazer maar een compleet avondkostuum had aangeschaft.
Het meisje aarzelde. 'Misschien hebben we nog plaats. U kunt in elk
geval aan de bar iets drinken.' Ze duwde de deur verder open. 'Komt u binnen.'
Jan liep een hal in waar het vele graden koeler was dan buiten. Door
de overgang van temperatuur leek het zelfs fris. Hij rilde weer.
Het meisje zag het. 'Over een paar minuten bent u aan de temperatuur
gewend. We houden het hier altijd twintig graden. Vóór u
is de bar. Ik zal vragen of er plaats is in het restaurant.'
De bar was links naast de entree van het gebouw en had de vorm van
bijna een kwart cirkel. Achter de bar stonden flessen en glazen. De glazen
hadden een gegraveerd mimosa-motief. Toen Jan zijn ogen aan het halfduister
waren gewend, zag hij dat het motief was herhaald op vrijwel alles waarin
gegraveerd, gedrukt of gebeeldhouwd kon worden. Zelfs op de zitting van
de barkrukken waren de bloemen te zien, hoewel het woord barkruk iets onbehoorlijks
had als je naar de fauteuilachtige zitplaatsen keek die voor de bar stonden.
Jan ging zuchtend zitten. Hier was iets helemaal verkeerd aan het gaan,
voorvoelde hij. Hier was iets aan het gebeuren waar hij bijzat, maar waar
hij niets aan kon doen en waar hij lange tijd boeiende nachtmerries aan
zou overhouden.
De man achter de bar keek hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. Jan
staarde terug.
Dat duurde tot de barman zei: 'Iets drinken, meneer?' Het klonk op
het randje van beleefd.
Jan knikte. 'Tonic graag.'
'To...' zei de barman en hij bleef even met halfopen mond staan. 'Dit
is een bar, meneer. Whisky, brandy, Cointreau misschien, wat mag het zijn.'
Er was nu een duidelijke ondertoon van spot waarneembaar.
'Tonic,' zei Jan stug. 'Ik ben hier om te eten, niet om te drinken.'
De barman knikte. Hij draaide zich om en scharrelde onder de bar. Even
later schoof hij een glas vol mimosa-gravures en een flesje naar hem toe.
Jan raakte het flesje niet aan, maar keek strak naar de barman. Hij
begon op het punt te komen dat Arie ooit had omschreven als het explosiepunt.
'Kijk,' had Arie een keer tegen Bob gezegd. 'Jan is zuinig en hij zal
nooit of te nimmer een stuiver meer uitgeven dan nodig is. Hij geeft liever
een kwartje te weinig uit, zelfs al loopt hij het risico dat hem dat op
de lange duur een gulden gaat kosten. Maar hij is ook secuur. In zijn koffer
heeft alles een eigen plaats. In zijn broek zit een vouw. Zijn zakdoek
is altijd schoon. Zijn secuurheid is net zo groot als zijn zuinigheid.
Soms geeft hij zomaar een gulden uit om een nieuwe kam te kopen omdat aan
de oude een tandje ontbreekt. Dat secure van hem heeft tot gevolg dat hij
ook secuur behandeld wil worden. Verhuur hem een kamer met een bed waar
de lakens van zijn gekreukeld en de boot is aan. Als Jan in een situatie
verzeild raakt waarin hij meer geld moet uitgeven dan hij leuk vindt maar
waarin hij niet wordt behandeld zoals het volgens hem hoort, dan loopt
hij warm en als dat even aanhoudt dan slaan de stoppen door. En is er ontploffingsgevaar.
Ik noem dat Jans explosiepunt. Als het zover is, dan moet je bukken, want
dan is'ie gevaarlijk.'
Het kwam niet vaak voor dat Jan het explosiepunt echt bereikte, maar
nu begon het er op te lijken.
Hij was niet precies op de hoogte met de etiquette van dure restaurants,
maar één ding wist hij wel zeker: drankjes behoorden te worden
ingeschonken. Hij keek net zolang van de barman naar het flesje tot de
boodschap overkwam.
Met een handig gebaar schonk de man het glas half vol. Voor hij zich
kon omdraaien maakte Jan een beweging met een wijsvinger. De barman trok
zijn wenkbrauwen nu tot de haarwortels op.
'Mijnheer?'
'Het komt mij voor,' zei Jan, langzaam en duidelijk sprekend, 'het
komt mij voor dat u iets vergeet.'
De barman keek neutraal. 'U wilde tonic.'
Jan knikte. 'Misschien werkt u hier nog niet zo lang. Misschien ook
werkt u hier te lang, maar er zijn plaatsen waar men een schijfje citroen
in zijn tonic krijgt.'
Het gezicht van de barman betrok. Hij liep snel naar de zijkant van
de bar en kwam terug met een schijfje citroen op een schoteltje en een
glazen stamper om de citroen mee aan te drukken.
Zijn gezicht stond strak. 'Neemt u me niet kwalijk, meneer.'
'Dank u,' zei Jan kil.
Ze keken elkaar aan en Jan besefte dat hij geen vriend van de barman
zou worden, maar merkwaardig genoeg luchtte het incidentje hem op. Hij
mocht dan niet gewend zijn aan dit soort culinaire lustoorden, hij was
zeer beslist niet van plan om het mikpunt van spotternij van het Mimosa-personeel
te worden.
Terwijl hij zijn tonic dronk hield hij zich bezig met een probleem
dat hij al een tijdje voor zich uit had geschoven. Hij was nu wel in het
restaurant, maar dat betekende niet dat hij Borrini had bereikt. Hij kon
moeilijk naar de Italiaan vragen, want de kans bestond dat men hem naar
Borrini toe zou willen brengen en dat moest in geen geval. Jan wist met
de beste wil van de wereld niet wat hij de gangster zou moeten vragen.
Hij wilde de man zien, dat was alles.
Rondlopen was de enige mogelijkheid die hij kon bedenken, maar de Gouden
Mimosa was overduidelijk geen gelegenheid waarin men pleegt rond te drentelen.
Men schrijdt er hooguit, net zoals met converseert in plaats van praat.
Vanaf zijn plaats aan de bar kon Jan maar een deel van het restaurant
zien. Hij hoorde het gemurmel van tientallen zacht pratende mensen, maar
hij zag er niet meer dan zeven. Ze zaten in twee van de ronde erkers en
door het kaarslicht op tafel waren hun gezichten niet meer dan silhouetten.
Het enige wat Jan van Borrini wist, was dat de man een gemiddelde lengte
had en dat hij een overdadige haargroei bezat. Hij keek naar de erkers
en constateerde dat hij de mate van haargroei van de gasten vanaf de bar
niet kon waarnemen. Wat hem betrof, kon iedereen daar volkomen kaal zijn,
de vrouwen incluis.
Hij had zijn glas bijna leeg toen het meisje naast hem kwam staan.
'Er is een tafel vrij, meneer.'
'Fijn,' zei Jan en hij schoof van zijn zachtverende barstoel af.
'Dat maakt 85 francs, meneer,' zei de barman die met wonderbaarlijke
snelheid dichterbij was gekomen.
Jan keek verbaasd. 'Pardon?'
'Vijfentachtig francs, meneer. Consumpties aan de bar dienen aan de
bar te worden afgerekend.'
Jan voelde de aderen op zijn voorhoofd zwellen. Dertig gulden voor
een tonic, het was...
'Het bedrag is exclusief bediening, meneer.'
Jan voelde het meisje naar hem kijken en hij deed een manmoedige poging
om rechtop te blijven staan en niet te gaan brullen.
'Juist,' zei hij tussen zijn tanden. 'Honderd francs is voldoende,
misschien?'
'Dank u wel, meneer,' zei de barman en Jan hoorde aan zijn stem dat
hij plezier had.
Het tafeltje waaraan hij een plaats kreeg, was bepaald niet dat van
de eregasten. Het stond tussen de ingang naar de keuken en de eerste erker
en bood precies voldoende ruimte voor twee personen. Het meisje zag Jan
bedenkelijk kijken en glimlachte vriendelijk.
'Hier hebt u de kaart. Een van de obers komt zo bij u.'
Ze drukte Jan een in witleder gevat menu in handen en liep snel weg.
Jan begon zich weer onbehaaglijk te voelen. Links van hem en aan de
andere kant van de toegang tot de keuken zaten groepjes mensen te eten.
Ze zagen eruit alsof ze waren opgetuigd voor een galabal en ze gedroegen
zich alsof het restaurant hun eigendom was. Veel licht was er niet, maar
de juwelen van de drie dames aan het tafeltje links fonkelden of er een
magnesiumlamp op was gezet. Jan keek naar zijn blazer en voelde zich uitermate
pover gekleed. Zijn zelfvertrouwen werd er niet groter op toen hij het
menu opensloeg. Hij was niet slecht in talen. Hij sprak voortreffelijk
Engels en heel behoorlijk Frans, maar het menu-Frans waar hij tegenaan
keek was vrijwel oudgrieks voor hem.
Snel liep hij de menu's langs. Ze bestonden allemaal uit minimaal acht
gangen en meer dan de helft van de gerechten kon hij niet thuisbrengen.
Hij werd er een beetje moedeloos van. Moedeloos en koppig. Hoe langer hij
de menukaart in zijn handen hield hoe stijfkoppiger hij werd. Even overwoog
hij de kaart neer te leggen en stomweg te vertrekken, maar dat idee verwierp
hij snel. Hij was niet bang uitgevallen en weglopen durfde hij zeker wel,
maar hij voorzag problemen met het meisje bij de deur en voor niets ter
wereld wilde hij een figuur slaan ten overstaan van de mensen die zich
blijkbaar in een restaurant als dit op hun gemak voelden.
Wat zij kunnen dat kan ik ook, dacht Jan knarsetandend. Dan kost het
maar een paar centen, maar eten zal ik.
Snel keek hij naar de onderkant van de menu's. Geen prijs, zag hij.
Natuurlijk niet, in een restaurant als de Gouden Mimosa kijkt men niet
naar de prijs. Men eet en schrijft na afloop nonchalant een cheque uit.
Hij koos een menu uit waarvan hij in elk geval de eerste twee gangen
kon thuisbrengen.
Melon frappe au porto, dat was tenminste min of meer duidelijk. Dat
moest een meloencocktail met port zijn. De volgende regel begreep hij ook.
Consommé de tortue: schildpaddensoep. Daarna werd het moeilijker.
Timbales de fruits de mer (riz pilaff). Riz was rijst en pilaff zou wel
een merk zijn of een wijze van klaarmaken. Maar wat was fruits de mer ook
wer.
Jan klapte zijn kiezen op elkaar en balde zijn vuisten. Fruits de mer,
dacht hij. Zeespul, zeevoedsel, zeeschuim. Nee, er was een gek Nederlands
woord voor, iets met bakker. Zeebanket, dat was het. Aan het woord timbales
ging hij voorbij, hij had geen flauw idee.
Voor het hoofdgerecht gold vrijwel hetzelfde. Coeur de filet de boeuf
George V (petits pois fins, pommes parisienne). George V wie was dat ook
weer en wat had hij met een boeuf, een os, te maken? Jan had er geen idee
van. Er waren doperwten en ronde Parijse aardappeltjes bij, dat was duidelijk,
maar wat voor vlees werd nu eigenlijk bedoeld?
Hij las verder. Marquise aus framboises, dat was iets met frambozen.
Perdreau roti aux cèpes (compote de poires, salade de laitue, purée
de marrons). Het leek hem absolute wartaal. Perdreau, wat was Perdreau
nou toch. Iets met vogel, dacht Jan. Dat zou dus betekenen dat hij een
geroosterde vogel kreeg met perenmoes, een soort salade en puree van kastanjes.
Hij rilde bij de gedachte.
Biscuits glacé Sarah Bernardt mignardises. Iets met ijs waarop
actrice Sara Bernardt ooit dol was geweest?
Het laatste gerecht kende en waardeerde hij. Mokka.
Hij was juist van plan het menu dicht te slaan toen hij rechtsonder
nog iets zag staan. Vins, stond er in sierlijke letters. Wijnen.
Jan las: Cote d'Ammerschwihr d'Alsace '77, Chateau Mouton Cadet '75,
Beaune Clos Maire '73, Cognac et Liqueur.
Jan keek er lang naar en las het toen nog eens. Het stond er nog steeds.
Juist, dacht hij, en word ik verondersteld dat allemaal te bestellen
of mag ik er zomaar iets uitpikken?
Toen hij zich dat had afgevraagd voelde hij de onbedwingbare behoefte
naar het toilet te gaan en water over zijn polsen te laten stromen.
Hij stond op en liep krampachtig rustig door het restaurant met een
gezicht alsof het gewoontewerk was. Het toilet was aan de andere kant van
de driekwartcirkel die het restaurantdeel besloeg en hij had de kans een
aantal van de gasten te bekijken. Een geweldig succes was het niet, maar
hij durfde er een eed op te doen dat er geen uitgesproken harige Italiaan
aan een van de tafeltjes aan zijn rechterkant zat.
In het toilet pufte hij uit. Zijn gezicht was rood en op zijn voorhoofd
fonkelden zweetdruppels. Zijn neus leek dikker te zijn geworden en zijn
haar hing piekerig over het boordje van de blazer. Jan duwde enkele haren
in model en bette zijn ogen met water.
Dit is een beproeving, dacht hij. Een beproeving van de ergste soort.
Zelfs monster-Roos zou het hier moeilijk mee hebben.
Hij schudde nijdig zijn hoofd. Natuurlijk niet. Natuurlijk zou dat
nijlpaard geen enkel probleem hebben in welk restaurant dan ook. Hij zou
gewoon van elk gerecht een vertaling vragen en dan vriendelijk lachend
van alles een dubbele portie bestellen.
'Maar daar past Jan Prins toch mooi voor,' zei hij tegen de kwaadkijkende
jongen in de spiegel. 'Jan Prins doet geen bek teveel open. Jan Prins bestelt
of het dagelijks werk is en Jan Prins eet.'
De jongen in de spiegel was het helemaal met hem eens en dat deed Jan
goed. Hij liep terug langs de andere rij tafeltjes en probeerde zoveel
mogelijk gezichten te zien. Omdat hier ook de erkers waren lukte dat maar
voor een deel. Het leek hem evenwel uiterst onwelvoeglijk om iedere persoon
te vragen even het gezicht naast een brandende kaars te houden. Dat zou
zelfs Arie niet in zijn bolle hoofd halen.
Toen hij bij zijn tafeltje kwam wist hij twee dingen. Eén: Borrini
was onzichtbaar, twee: hij had inbreuk gemaakt op de regels van het huis.
Zou het niet de gewoonte zijn het toilet te bezoeken voor je een bestelling
hebt geplaatst, vroeg hij zich af. Blijkbaar niet want het gezicht van
de ober die stram naast zijn stoel stond drukte duidelijk afkeuring uit.
'Meneer is niet vertrokken?' vroeg de man stijf.
Jan voelde dezelfde woede in zich opkomen als kort tevoren aan de bar.
Hij schudde het hoofd. 'Meneer is niet vertrokken, meneer moest een
plasje. Is daar bezwaar tegen in dit gebouw?'
De ober keek pijnlijk getroffen. 'Meneer, ' zei hij op een toon alsof
het hem moeite kostte de kaken van elkaar te doen. 'Over een dergelijk
onderwerp praat men hier niet.'
Jan hoordde onderdrukt gelach en zag dat de gasten aan de tafel naast
hem belangstelling hadden gekregen voor het gesprek. Hij voelde zich rood
worden en pakte de kaart.
'Ik wil de meloen, de filet de boeuf en de mokka. Daarbij wens ik een
halve fles Chateau Mouton.'
De ober keek nu weer onbewogen. 'Bij Coeur de filet de boeuf drinkt
men gewoonlijk Beaune Clos Maire, meneer.'
Jan slikte hoorbaar. 'George de Vijfde deed dat niet en ik doe het
evenmin. Chateau Mouton, dus.'
De ober knikte. 'Uitstekend, meneer.'
Jan durfde pas weer op te kijken toen de meloencocktail werd gebracht.
Aan de tafeltjes in de buurt was de rust al lang weergekeerd. Het gebruikelijke
gemurmel van zacht pratende mensen en het getik van bestek gaf een zekere
rust en een deel daarvan straalde op Jan af. Hij keek naar het kleine schaaltje
en vroeg zich zuchtend af of je een cocktail met een vork of een lepel
pleegt te eten.
Altijd bestek van buitenaf pakken, dat wist hij. Maar welk bestek.
Op de gok pakte hij een vorkje en snel prikte hij de stukjes meloen op.
Ze smaakten heerlijk, maar vulden voor geen millimeter.
Hij had langzamerhand trek gekregen en zat zich te verbijten bij alle
gerechten die vanuit de keuken langs hem werden gedragen. Na tien minuten
kreeg hij het gevoel dat hij werd genegeerd, na twintig minuten dacht hij
dat iedereen naar hem keek en na een half uur wist hij zeker dat hij volmaakt
voor spek en bonen op zijn plaats zat.
Voor de derde maal voelde hij zich warm worden van woede. Hij was half
van zijn plaats toen de ober het hoofdgerecht bracht. De man zette het
met zwier op tafel en keek naar Jan.
Jan keek naar het gerecht.
'Eet u smakelijk,' zei de ober.
Jan wees op het miniscule stukje vlees op zijn bord. 'Is dit het?'
vroeg hij moeilijk.
'De Coeur de filet de boeuf, meneer.'
'En is dat alles,' zei Jan, nog steeds naar het stukje vlees starend
dat elke seconde kleiner leek te worden.
'Nee, meneer, dit hoort erbij,' zei de ober en hij goochelde twee schaaltjes
te voorschijn. Op het ene lagen, volgens een ruwe schatting, elf doperwtjes
en op het andere vijf aardappeltjes waarvan de middellijn in millimeters
behoorde te worden uitgedrukt.
Jan schepte adem. 'Ik dacht dat ik eten had besteld,' zei hij langzaam.
'Eten. Voedsel.'
De ober bewoog geen spier. 'Voor voedsel moet ik verwijzen naar MacDonalds,
meneer. Het schijnt dat men het daar per karrevracht verstrekt. Wij doen
het iets subtieler.'
'Subtieler,' spotte Jan, 'subtieler. Nu begrijp ik waarom die buitendeur
zo goed sluit. Als het tocht waait alles van mijn bord.'
De ober trok met een mondhoek. 'Voor klachten moet u bij de bedrijfsleider
zijn, meneer.'
'Fijn,' zei Jan. 'Prachtig. Heerlijk. Waar is die man. Het zal me een
genoegen zijn hem te vertellen wat ik van dit restaurant denk.'
'Ik mag u adviseren toch eerst uw vlees op te eten,' zei de ober, die
in de plooi bleef. 'Ik vrees dat u uw diner zult moeten betalen.'
Jan keek hem aan met een vervaarlijk licht in de ogen. Toen greep hij
de grootste vork, prikte het stukje vlees eraan en stopte het in zijn mond.
'Het is op. Waar is die bedrijfsleider.'
De kamer van de bedrijfsleider was een kaal hok, ingeklemd tussen de
keuken en het gedeelte waar de bar stond. Het was net groot genoeg voor
een klein bureau, een archiefkast, een kluis en twee stoelen.
Alles was klein aan en in de kamer, inclusief de bedrijfsleider. Net
als iedereen in het restaurant was hij gekleed in smetteloos wit, met op
zijn borstzak een goudkleurige mimosa.Hij was even beleefd en koel als
de ober.
'Ik begrijp dat u problemen hebt met onze gerechten,' zei hij stijf.
'Ik heb problemen met de onzichtbaarheid van uw gerechten,' snauwde
Jan.
'We zijn een gerenommeerd restaurant,' zei de bedrijfsleider. 'We hebben
een grote trouwe clientèle. Het staat u vrij een ander bedrijf te
zoeken.'
Dit was de opmerking waarop Jan had gehoopt. In het afgelopen halve
uur had hij 23 plannen bedacht en verworpen om achter het adres te komen
van de man bij wie Borrini op bezoek zou gaan, maar steeds was hij vastgelopen.
Hij had niets kunnen bedenken dat echt slim leek en dat geen argwaan zou
wekken. Maar deze vraag lokte gewoon een pracht van een verhaal uit.
'Ik zou ook liever ergens anders naar toe gaan. Ik kan helaas niet.'
De bedrijfsleider keek verbaasd. 'Ik zal u niet dwingen.'
'Mijn baas,' zei Jan kortaf. 'Mijn baas dwingt me. Borrini is zijn
naam en hij heeft een stel bedrijven in Italie. Hij zou hier vanavond dineren
en gebood me hem in dit restaurant te ontmoeten.'
De bedrijfsleider pakte een papier van zijn bureau. 'Er staat hier
geen meneer Borrini geboekt.'
Jan hield even de adem in. Nu moet ik goed gokken, dacht hij. Wat stond
er ook weer op dat visitekaartje dat we Livi hebben afgepakt, Gougall of
Dougall.
'Klopt,' zei hij kortaf. 'Mijn baas was gast van meneer Dougall en
die schijnt hier regelmatig te komen.'
Uiterlijk was Jan rustig. Er was iets vredigs over hem gekomen als
of het niets meer uitmaakte wat er zou gebeuren. Hij zat goed of hij zat
zo volkomen fout dat alleen een snelle sprint naar de buitendeur hem zou
kunnen redden.
'Dougall,' mompelde de bedrijfsleider, en zijn stem werd op slag vriendelijk.
'Meneer Dougall is een gewaardeerde gast. Hij heeft voor vanavond gereserveerd,
maar hij is er niet. Nog niet. Het onweert buiten. Misschien is hij opgehouden.'
Jan keek op zijn horloge. 'Hij had hier om acht uur moeten zijn.'
De bedrijfsleider knikte. 'U hebt gelijk. Acht uur is de reserveringstijd.'
Hij spreidde de handen. 'Hij is er niet en uw baas evenmin, vrees ik. Ik
kan daar niets aan veranderen.'
'U kunt mij het adres van de heer Dougall geven,' zei Jan, 'dan kan
ik hem thuis opzoeken.'
De bedrijfsleider beet op zijn onderlip. 'Het is niet onze gewoonte
adressen van gasten te verstrekken,' zei hij.
Jan zuchtte. 'Uitstekend. In dat geval ga ik terug naar het restaurant
en ga ik zitten wachten. Misschien komt hij nog. Om tien uur. Of elf uur.
Of twaalf.'
De bedrijfsleider zuchtte diep. 'De heer Dougall woont in Hyères,'
zei hij strak.
Jan knikte vriendelijk. 'Dat is wat ik weten wilde. Als u de rekening
hebt, dan betaal ik nu meteen.'
De bedrijfsleider greep het tweede velletje papier op de tafel. 'Ik
verwachtte al zoiets. Uw rekening bedraagt 480 francs. Wij moeten de bestelde,
maar niet genuttigde wijn meerekenen, dat begrijpt u.'
'Ik begrijp het,' zei Jan, terwijl hij steun zocht tegen de archiefkast.
Twee minuten later stond hij buiten. Het onweer was in volle kracht
losgebarsten en de regen zwiepte in zijn gezicht en doorweekte zijn nieuwe
blazer en zijn keurige grijze broek, maar Jan merkte het niet. Hij was
financieel adergelaten en zijn hart bloedde mee. Wankelend liep hij naar
de plaats waar Arie stond te wachten.
|