Jan
Alserda (1938
Gieten
X
Gerda
Fokkina Bos (1941
Veendam
Lambertus
Alserda (1912 Ezinge
1986 Groningen) / broer van Geeske Alserda
X
Anja
Verweij (1908
Gieten 1986 Groningen)
Jan
Alserda (1886
Saaksum 1971 Carrum Downs, Australiλ)
X
Anthonia
Johanna Peters (1888 Zuidhorn
1964 Cranbourne, Australiλ)
Lammert
Alserda (1855 Opende
1941 Wetsinge)
X
Geeske van
der Velde (1859 Niekerk
1946 Wetsinge)
Jan Douwes
Alserda (1816 Opende
1869 Opende)
X
Roelfke
Hendriks van der Velde (1821 Marum 1863
Grootegast)
Douwe
Berends Alserda (1770
Noordwijk (Gr.) 1858 Opende) Landbouwer
X
Jantje
Jilts Muntstra (1775 Marum
1830 Grootegast)
Berend
Jacobs Alserda (1736
Lucaswolde 1795 Noorddijk)
X
Jantje
Hendriks (1739 Nuis
1820 Marum)
Jacobus
Weits (1702 Bedum
1748)
X
Ykje
Berends (1703
Noordwijk 1761 Noordwijk (Gr.))
Weit
Pieters (1670
Marum - )
X
Ytien
Lolles Alzerda (1671
Marum - )
Lollius
Gellii Alzerda (1636
Leeuwarden 1713)
X
Magdalena
Otthonides (1645 Leeuwarden
1712)
Jelte
Lolles (van) Alzerda (1606
Minnertsga 1670) Wijnkoper
X
Idtie Feickes Camminga (1606
Wirdum 1670)
De naam Alserda
De oudst bekende voorouder van de familie Alserda, Jelte Lolles, woonde in
Leeuwarden en was afkomstig uit het in de voormalige gemeente Barradeel gelegen
Minnertsga. Hij tooide zich op het eind van zijn leven met de familienaam
Alserda. Van zijn vier kinderen kreeg alleen de zoon Lollius nazaten. Deze
Lollius vestigde zich, door huwelijk, op het Corpus de Linde onder Marum. Hij,
en vele van zijn nazaten bleven daar, en in die omgeving wonent. De familie
Alserda is in mannelijke lijn uitgestorven. In vrouwelijke lijn werd de naam
Alserda door Itie Lolles Alserda aan haar kinderen en dus aan haar nageslacht
doorgegeven.
Groot Alsert was van ouds een kloosterboerderij van het klooster Anjum onder
Berlikum. De sate lag op een terp. In 1511 huurde Syurdt tho AIsert 50
pondematen oudland en 11 pondematen nieuwland voor 28 goudguldens. Na het
sluiten van de kloosters in 1580 werd deze boerderij eigendom van de Staten van
Friesland. In 1591 waren huurders Harmen Rommerts en Tiet Eelckedr. Jaersma. In
1602, na het overlijden van Harmen hertrouwde de weduwe met Hotse Wybrens
Doyem. Toen bleek de boerderij 84 pondematen groot te zijn. In 1639 werd Groot
Alserd door de Staten verkocht aan dr. Adrianus Hagius, burgemeester van
Leeuwarden. Het huidige adres van Groot Alserd is Ingelumerdyk 6 te Beetgum.
Klein Alsert was gelegen aan de Beetgumervaart nabij Engelum. In 1624 werd
Keimpe Donia eigenaar, hij ruilde toen 13 pondematen oud land "gelegen in
de sathe genaamd Clein Aldsert of in de Wilgen te Beetgum" met de familie
Van Schwartzenberg. Boer op deze boerderij is Popcke Jans, in 1640 aangeduid
als stem 8 te Engelum, in eigendom van de Staten van Friesland. In 1644 werd
Klein Alsert door de Staten verkocht aan G.F. thoe Schwartzenberg en
Hohenlansberg.
Jelte Jolles, de ons oudst bekende voorouder van de familie AIserda, kocht in
1641, samen met Honorius Rouckema, 27 pondematen in de boerderij Cleyn Aelsert
onder Engelum. Hiermee werd duidelijk dat Jelte en zijn kinderen zich naar de
plaats 'Klein Alsert' AIserda zijn gaan noemen. Momenteel is het adres van deze
boerderij Tsjerkein 12 te Engelum. In 1676 werden de sate Groot en Klein
Alserda samengevoegd tot een boerderij van 120 pondematen.
Godsdienst
De familie Alserda was rooms katholiek. Zij leefden in een zeer kleine
katholieke gemeenschap in het protestante Westerkwartier. Voor zover te
beoordelen valt, behoorden bijna alleen familieleden van de Alserda's tot deze
katholieke enclave. Leden van de familie waren lid van verschillende
gebedsverenigingen. In 1759 werd door Johannes Besun, Jan Gerardus Alserda,
Ferdinandus Alserda, Gerardus Alserda, Egbertus Alserda en Geerdt Weijdts een
contract opgesteld met pastoor Dol van de statie Guldenstraat te Groningen. Er
werd overeengekomen dat hij jaarlijks twaalf keer op "het hues d'Lijende
tot Marum" zal komen om 's morgens predikatie en 's middags catechismus te
houden. Verder verplichtte de pastoor zich om te komen bij doop, huwelijk en
ziekte. Arnoldus Ludovicus van Alserda werd verplicht om aan de pastoor
"behoorliek bedde en tawel te verschaffen en besorgen". Het is de
vraag of er een eigen katholieke kerk in Marum is geweest, in de lijst van
ingezetenen van Marum in 1812 wordt wel vermeld dat in de nabijheid van het
huis van Jan de Grijs een "afgebroken roomse kerk" was.
Waarschijnlijk wordt hier bedoeld een huis of boerderij waar, zoals de
overeenkomst aangaf, regelmatig r.k. erediensten zijn gehouden. Een enkele tak
Alserda ging door huwelijk met hervormden over naar het protestante geloof. Uit
deze hervormde tak stammen de Alserda's die momenteel volop in het
Westerkwartier voorkomen.
Over Jelte Lolles
Jelte wordt in 1624 burger van Leeuwarden; hij is geboortig van Minnertsga. Van
hem is bekend dat hij een broer Claes Lolles had, over wiens onmondig, niet met
name genoemd, kind Jelte op 29 december 1636 benoemd wordt tot tutor. Claes
Lolles wordt in 1619 genoemd als gebruiker van land tussen de Beetgumervaart en
de Molenbuurtstervaart.
Op 6 oktober 1634 wordt Jelte opgenomen in de Rozenkransbroederschap van de
Dominicanen-statie te Leeuwarden. Zijn vrouw, "Idtie Feickes
Lewarden", wordt opgenomen in 1637. Maatschappelijk schijnt het Jelte en
Ydt goed gegaan te zijn. Het is onvoorstelbaar hoeveel aankopen van onroerend
goed gedaan werden. Een aantal aankopen laat ik hier volgen:
Op 26 april 1631 kopen Jelte Lolles en zijn vrouw Ytien Feyckes Wamvlydt een
huis, plaats en achterhuis aan de Brederzijde van de Nieuwstad voor 3875
goudguldens. In 1637 koopt hij een huis bij de Hoeksterpoort te Leeuwarden. Op
31 maart 1645 kopen zij Gerroltsma Staete, groot 112 pondematen, gelegen aan de
Dijk te Lioessens voor 15344 goudguldens, en een sate land te Metslawier, groot
omtrent 40 pondematen, met huizinge, plantagien, dijken, dammen etc. voor 3720
goudguldens. In 1645 wordt door Jelte een boerenhuizinge en schuur te Engelum
gekocht van Popcke Jans (boer op Klein Alsert). Op 11 september 1648 kopen zij
(zijn vrouw wordt dan genoemd met de familienaam Camminga) een sate en landen
te Augustinusga bij Schalkedam, groot 53 pondematen, waarvan 10 pondematen
gelegen zijn in Groningerland, voor 3900 goudguldens. In 1653 kocht Jelte met
Jan Jans Mamminga te Leeuwarden een boerderij van 55 pondematen land te Marsum
van Buwe Poppes Hettinga. In 1657 koopt Jelte een derde van een boerderij te
Sorremorre onder Oldeboorn.
Op 6 februari 1665 leeft Jelte nog, hij is dan getuige en noemt zich Jelte
Lolles ab Aelserda. Op 30 April 1675 zijn Jelte en Yttie beiden overleden. Dan
verkopen de de twee overgebleven kinderen "Dr, Lollius Aelserda,
residerende op de Linde in Groningerlant, ende Jacobus Aelserda binnen
Leuwarden" als erfgenamen van hun ouders, een sate lands te Deersum, bij
Sybe Pieters gebruikt, groot 50 pondematen, met huizinge, hooiberg, watermolen,
bomen en plantagien voor 2700 goudguldens. Kopers zijn Dr. Zacheus Gerroltsma,
advokaat voor het Hof van Friesland en Catharina van der Wier, echtelieden.
Op 30 januari 1677 worden Lollius en Jacobus genoemd als eligenamen van hun
wijlen vader Jelte Alserda. In 1680 worden Lollius en Jacobus genoemd als
mede-erfgenamen van hun "moeie" Jetske Feickes Camminga, de weduwe
van Jacob Bras.
Op 9 februari 1700 wordt ten verzoeke van de crediteuren van Ytie Feickes
Camminga het onroerend goed te Huins verkocht. Dit zal ongetwijfeld het door
Jelte Lolles in 1640 bezeten stemdragend goed nr. 12 te Huins zijn.
Op
16 oktober 1654 wordt Lollius ingeschreven als student aan de universiteit van
Franeker: "Lollius Alserda, Leovardiensis, phil". Op dezelfde datum
wordt hij toegelaten als lid van het Leeuwarder studentengenootschap aan de Franeker
universiteit. In het album van dit genootschap gebruikt hij de volgende
lijfspreuk: "Asperius nihil est humili, cum surgit in altum"
vertaald: Niets is te moellijk voor de gewone man, wanneer hij in de hoogte
klimt. Hetzelfde album vermeldt dat Lollius in 1657 omwille van zijn studie
naar Groningen is vertrokken.
Bij zijn huwelijk in 1659 wordt als zijn plaats van herkomst Leeuwarden
vermeld, zijn vrouw is dan afkomstig van de Linde onder Marum, alwaar haar
ouders woonachtig waren. Lollius vinden we later ook op de Linde ten zuiden van
Marum, waar hij zijn gehele verdere leven gewoond heeft. Door zijn huwelijk met
de dochter van Emilius Otthonides kwam Lollius Alserda in bezit van het Corpus
de Linde. Hij, van katholieke huize, trad later op als collator van de
gereformeerde kerk van Marum, voor het laatst in 1711.
In 1664 wordt "Lollius Gellij" lid van de Rozenkransbroederschap te
Leeuwarden. Op 27 april 1711 sluiten de echtelieden Alserda nog een contract
aangaande landerijen, genaamd de Vorenkamp te Tolhert. Op 23 januari 1769
procederen de kleinkinderen van Lollius met Michiel Postma. Als in 1728 de
erfgenamen van Lollius geschil hebben over diens erfenis te Oudega
(Smallingerland) krijgen wij enig zicht op het bezit van de ouders. Toen werd
overgeleverd een kopie van de scheiding van goederen van Lollius Alserda en
Magdalena, gedateerd 21 mei 1714:
- het huis door haar salige ouders bewoont met die door haar gebruikte landerij
en, als de Oosterlinde sonder huis, alsmede Westerlinde;
- de zesde part van turf met de venen en andere gerechtigheden tot het Corpus
ter Linde behorende, uitgezonderd het zijl en beurrecht soo op de andere
plaatsen komen te vallen, verstaande dat uit het holt bij haare sal. ouders
huijs staande sal komen de somma. van 250 cgl., alsmede de olderlijke en
sterfhuis schulden te betalen;
- de plaatse tot Marum, bij Lubbe Sivers bewoond;
- de plaats tot Noordwijk bij Willem Abbes gebruikt, met de behuijsinge van
dien voorts hoij, bou en weydland met de kooij, ook veen en velt, beneffens het
holt daarop;
- de plaats tot Oudega met de huijsinge en schuire vandien alsmede de
landerijen daaronder behorigh als hoij, bouwen weidland ofte veenen.
De onroerende worden als volgt verdeeld: de oudste zoon Emilius krijgt het huis
door de zalige ouders bewoond, de jongste zoon Johannes de Westerlinde, de
oudste dochter Yttie de goederen in Marum, Josyna de goederen in Oudega, Jeltie
de plaats te Noordwijk. Tussen de kinderen blijft mandelig zes maden hooiland
in Lucaswolde en het land te Niebert.
Uit
de aantekeningen van:
Egbert
Boerma gehuwd met Jolanda Alserda (achternicht van mijn vrouw)
Ingevoerd :
zaterdag 29 januari 2005
Nog
enkele gegevens over een Alserda
,over Jelte Lolles (van) Alzerda
(wijnkoper)
Feicke Sickes Camminga, wonende te Wirdum, zoon van Sicke Tjallings Warmflieth en Jets Aatedr. Cammingha.
Feicke was gehuwd met
Imck Buckedr..
Uit dit huwelijk:
In "Gruoninga" 1991
publiceerde Reid van der Ley de genealogie Alserda, waaruit onderstaande
gegevens zijn ontleend.
De naam Alserda
De oudst bekende voorouder van de familie Alserda, Jelte Lolles, woonde in
Leeuwarden en was afkomstig uit het in de voormalige gemeente Barradeel gelegen
Minnertsga. Hij tooide zich op het eind van zijn leven met de familienaam
Alserda. Van zijn vier kinderen kreeg alleen de zoon Lollius nazaten. Deze
Lollius vestigde zich, door huwelijk, op het Corpus de Linde onder Marum. Hij,
en vele van zijn nazaten bleven daar, en in die omgeving wonent. De familie
Alserda is in mannelijke lijn uitgestorven. In vrouwelijke lijn werd de naam
Alserda door Itie Lolles Alserda aan haar kinderen en dus aan haar nageslacht
doorgegeven.
Groot Alsert was van ouds een kloosterboerderij van het klooster Anjum onder
Berlikum. De sate lag op een terp. In 1511 huurde Syurdt tho AIsert 50
pondematen oudland en 11 pondematen nieuwland voor 28 goudguldens. Na het
sluiten van de kloosters in 1580 werd deze boerderij eigendom van de Staten van
Friesland. In 1591 waren huurders Harmen Rommerts en Tiet Eelckedr. Jaersma. In
1602, na het overlijden van Harmen hertrouwde de weduwe met Hotse Wybrens
Doyem. Toen bleek de boerderij 84 pondematen groot te zijn. In 1639 werd Groot
Alserd door de Staten verkocht aan dr. Adrianus Hagius, burgemeester van
Leeuwarden. Het huidige adres van Groot Alserd is Ingelumerdyk 6 te Beetgum.
Klein Alsert was gelegen aan de Beetgumervaart nabij Engelum. In 1624 werd
Keimpe Donia eigenaar, hij ruilde toen 13 pondematen oud land "gelegen in
de sathe genaamd Clein Aldsert of in de Wilgen te Beetgum" met de familie
Van Schwartzenberg. Boer op deze boerderij is Popcke Jans, in 1640 aangeduid
als stem 8 te Engelum, in eigendom van de Staten van Friesland. In 1644 werd
Klein Alsert door de Staten verkocht aan G.F. thoe Schwartzenberg en
Hohenlansberg.
Jelte Jolles, de ons oudst bekende voorouder van de familie AIserda, kocht in
1641, samen met Honorius Rouckema, 27 pondematen in de boerderij Cleyn Aelsert
onder Engelum. Hiermee werd duidelijk dat Jelte en zijn kinderen zich naar de
plaats 'Klein Alsert' AIserda zijn gaan noemen. Momenteel is het adres van deze
boerderij Tsjerkein 12 te Engelum. In 1676 werden de sate Groot en Klein Alserda
samengevoegd tot een boerderij van 120 pondematen.
Godsdienst
De familie Alserda was rooms katholiek. Zij leefden in een zeer kleine
katholieke gemeenschap in het protestante Westerkwartier. Voor zover te
beoordelen valt, behoorden bijna alleen familieleden van de Alserda's tot deze
katholieke enclave. Leden van de familie waren lid van verschillende
gebedsverenigingen. In 1759 werd door Johannes Besun, Jan Gerardus Alserda,
Ferdinandus Alserda, Gerardus Alserda, Egbertus Alserda en Geerdt Weijdts een contract
opgesteld met pastoor Dol van de statie Guldenstraat te Groningen. Er werd
overeengekomen dat hij jaarlijks twaalf keer op "het hues d'Lijende tot
Marum" zal komen om 's morgens predikatie en 's middags catechismus te
houden. Verder verplichtte de pastoor zich om te komen bij doop, huwelijk en
ziekte. Arnoldus Ludovicus van Alserda werd verplicht om aan de pastoor
"behoorliek bedde en tawel te verschaffen en besorgen". Het is de
vraag of er een eigen katholieke kerk in Marum is geweest, in de lijst van
ingezetenen van Marum in 1812 wordt wel vermeld dat in de nabijheid van het
huis van Jan de Grijs een "afgebroken roomse kerk" was.
Waarschijnlijk wordt hier bedoeld een huis of boerderij waar, zoals de
overeenkomst aangaf, regelmatig r.k. erediensten zijn gehouden. Een enkele tak
Alserda ging door huwelijk met hervormden over naar het protestante geloof. Uit
deze hervormde tak stammen de Alserda's die momenteel volop in het
Westerkwartier voorkomen.
Over Jelte Lolles
Jelte wordt in 1624 burger van Leeuwarden; hij is geboortig van Minnertsga. Van
hem is bekend dat hij een broer Claes Lolles had, over wiens onmondig, niet met
name genoemd, kind Jelte op 29 december 1636 benoemd wordt tot tutor. Claes
Lolles wordt in 1619 genoemd als gebruiker van land tussen de Beetgumervaart en
de Molenbuurtstervaart.
Op 6 oktober 1634 wordt Jelte opgenomen in de Rozenkransbroederschap van de
Dominicanen-statie te Leeuwarden. Zijn vrouw, "Idtie Feickes
Lewarden", wordt opgenomen in 1637. Maatschappelijk schijnt het Jelte en
Ydt goed gegaan te zijn. Het is onvoorstelbaar hoeveel aankopen van onroerend
goed gedaan werden. Een aantal aankopen laat ik hier volgen:
Op 26 april 1631 kopen Jelte Lolles en zijn vrouw Ytien Feyckes Wamvlydt een
huis, plaats en achterhuis aan de Brederzijde van de Nieuwstad voor 3875
goudguldens. In 1637 koopt hij een huis bij de Hoeksterpoort te Leeuwarden. Op
31 maart 1645 kopen zij Gerroltsma Staete, groot 112 pondematen, gelegen aan de
Dijk te Lioessens voor 15344 goudguldens, en een sate land te Metslawier, groot
omtrent 40 pondematen, met huizinge, plantagien, dijken, dammen etc. voor 3720
goudguldens. In 1645 wordt door Jelte een boerenhuizinge en schuur te Engelum
gekocht van Popcke Jans (boer op Klein Alsert). Op 11 september 1648 kopen zij
(zijn vrouw wordt dan genoemd met de familienaam Camminga) een sate en landen
te Augustinusga bij Schalkedam, groot 53 pondematen, waarvan 10 pondematen
gelegen zijn in Groningerland, voor 3900 goudguldens. In 1653 kocht Jelte met
Jan Jans Mamminga te Leeuwarden een boerderij van 55 pondematen land te Marsum
van Buwe Poppes Hettinga. In 1657 koopt Jelte een derde van een boerderij te
Sorremorre onder Oldeboorn.
Op 6 februari 1665 leeft Jelte nog, hij is dan getuige en noemt zich Jelte
Lolles ab Aelserda. Op 30 April 1675 zijn Jelte en Yttie beiden overleden. Dan
verkopen de de twee overgebleven kinderen "Dr, Lollius Aelserda,
residerende op de Linde in Groningerlant, ende Jacobus Aelserda binnen
Leuwarden" als erfgenamen van hun ouders, een sate lands te Deersum, bij
Sybe Pieters gebruikt, groot 50 pondematen, met huizinge, hooiberg, watermolen,
bomen en plantagien voor 2700 goudguldens. Kopers zijn Dr. Zacheus Gerroltsma,
advokaat voor het Hof van Friesland en Catharina van der Wier, echtelieden.
Op 30 januari 1677 worden Lollius en Jacobus genoemd als eligenamen van hun
wijlen vader Jelte Alserda. In 1680 worden Lollius en Jacobus genoemd als
mede-erfgenamen van hun "moeie" Jetske Feickes Camminga, de weduwe
van Jacob Bras.
Op 9 februari 1700 wordt ten verzoeke van de crediteuren van Ytie Feickes
Camminga het onroerend goed te Huins verkocht. Dit zal ongetwijfeld het door
Jelte Lolles in 1640 bezeten stemdragend goed nr. 12 te Huins zijn.