Duitsland


Officiële naam: Bundesrepublik Deutschland (Bondsrepubliek Duitsland)

Oppervlakte: 356.854 km2

Inwoners: 81.278.000 (1994)

Staatsvorm: federale republiek

Staatshoofd: Roman Herzog (president)

Hoofdstad: Berlijn (regeringszetel: Bonn)

Officiële taal: Duits

Officiële munt: mark = 100 pfennige

Op 3 oktober 1990 kwam een eind aan de meer dan veertig jaar durende deling van Duitsland, een situatie die begon na afloop van WO II. De ‘oude’ Bondsrepubliek (West-Duitsland) en de DDR (Deutsche Demokratische Republik, Oost-Duitsland) verenigden zich tot één Duitsland. Berlijn werd weer één stad en tevens de officiële hoofdstad. Vooralsnog zijn de meeste regeringskantoren in Bonn gevestigd. Het grondgebied van de DDR werd opgedeeld in vijf deelstaten, die sindsdien volwaardige Duitse Bundesländer zijn. Wat het inwonertal betreft werd Duitsland het grootste land van westelijk Europa.

West-Duitsland kende na het ontstaan in 1949 een zeer stabiele ontwikkeling, met een snelle economische groei en weinig regeringswisselingen. Het ontwikkelde zich tot een open en democratisch bestuurd land, met een markteconomie waarvan concurrentie een hoofdkenmerk is. De DDR, eveneens in 1949 opgericht, kende een communistisch bestuur dat zich tot alle maatschappelijke terreinen uitstrekte. De staat regelde en stuurde het bestaan van alle inwoners; van individuele ontplooiing zoals in het Westen kon geen sprake zijn. Daar staat tegenover dat door de gedwongen gelijkheid van alle burgers de onderlinge solidariteit relatief groot was. Duitsland staat sinds 1990 voor de taak om twee landen die in de voorbije veertig jaar sterk verschillende maatschappijstructuren kenden, tot een geheel te smeden.

De Duitse grenzen op land hebben een totale lengte van 3.621 km. In het noorden grenst het aan Denemarken, en vervolgens met de klok mee aan Polen, Tsjechië, Oostenrijk, Zwitserland, Frankrijk, Luxemburg, België en Nederland. In het noordwesten ligt Duitsland aan de Noordzee (de Duitse Bocht) en in het noordoosten aan de Oostzee. Tot de Bondsrepubliek behoren enkele eilanden in de Duitse Bocht (de Oostfriese en de Noordfriese eilanden en Helgoland) en de eilanden Fehmarn en Rügen in resp. de Kielerbocht en de Oostzee.

Berlijn

Hoofdstad van de Duitse Bondsrepubliek; de stad (3.437.900 inw., 1991) lag vroeger geheel binnen het grondgebied van de toenmalige Duitse Democratische Republiek. Door de politieke situatie na WO II werd de stad in twee delen verdeeld: Oost-Berlijn (hoofdstad van de DDR) en West-Berlijn, in 1961 door de Muur van elkaar gescheiden. Deze splitsing heeft een breuk in het stadsbeeld veroorzaakt.

Koude Oorlog

De politieke, ideologische en economische rivaliteit tussen het kapitalistische Westen en het communistische Oostblok, die na de Tweede Wereldoorlog begon. De Koude Oorlog vond zijn oorsprong in de conflicten tussen de VS en de Sovjetunie over het bestuur van Europa na de oorlog. De Sovjetunie dwong de door haar veroverde gebieden onder een communistisch juk. Vooral de Sovjet-weigering in Polen democratische verkiezingen te houden, zoals op de conferentie van Jalta was overeengekomen, zette kwaad bloed. De Sovjetunie verdedigde haar recht op een veiligheidscordon van vriendelijke staten en beschuldigde de westelijke geallieerden ervan de ondergang van het communisme na te streven door ondermijning van de Sovjetunie. In 1947 formuleerde President Harry S. Truman (1894-1972) de Truman-doctrine, een voorbode van de Amerikaanse containment-politiek, gericht op de bestrijding van communistische machtsuitbreiding waar dan ook ter wereld. De communistische machtsgreep in Tsjechoslowakije in 1948 en de Sovjet-blokkade van West-Berlijn in 1948-1949 deden de verhoudingen verder verslechteren. De Koude Oorlog leidde tot het ontstaan van twee militaire machtsblokken en een gigantische conventionele en nucleaire wapenwedloop. Na een korte periode van ontspanning (‘dooi’) in de tweede helft van de jaren vijftig, mogelijk geworden na de dood van Stalin en het aantreden van Chroesjtsjov als leider van de Sovjetunie, bereikte de internationale spanning bereikte een climax met de Cuba-crisis in 1962. Hierna zette een periode van ontspanning in o.a. gemarkeerd door de SALT-akkoorden (1972) en de Slotakte van Helsinki (1975) waarmee het CVSE-proces werd ingezet. De Russische inval in Afghanistan in 1979 en de verkiezing van de neo-conservatief Ronald Reagan (geb. 1911) tot president in 1980 betekende een kortstondige opleving van de Koude Oorlog.

Met de benoeming van Michail Gorbatsjov tot partijleider in de Sovjetunie raakte het ontspanningsproces, ofwel de détente, na 1985 in een stroomversnelling: ontwapeningsakkoorden – INF (1987), CSE (1990) en START (1992) –, de opheffing van het Warschaupact en toenemende samenwerking tussen Oost- en West-Europa waren het gevolg. Deze ontwikkelingen resulteerden in november 1990 in de ondertekening van het Handvest van Parijs waarin het einde van de Koude Oorlog afgekondigd werd.

Algemene gegevens

Berlijn ligt aan de rivier de Spree en heeft een totale oppervlakte van 884 km2, waarvan West-Berlijn 481 en Oost-Berlijn 403 in beslag nam.

In de eerste twintig naoorlogse jaren werden in Berlijn ca. 350.000 nieuwe woningen gebouwd, waarvan ca. 270.000 in het westelijk stadsdeel. De economische ontwikkeling van de Bondsrepubliek Duitsland en de psychologie van de Koude Oorlog inspireerden de Westduitsers tot een grootse wederopbouw van West-Berlijn, waardoor bezienswaardige experimenten tot stand kwamen als het Hansaviertel. Het vele groen van het vooroorlogse Berlijn is grotendeels behouden gebleven.

Economisch leven

De naoorlogse economische ontwikkeling van zowel West- als Oost-Berlijn is opmerkelijk geweest. Voor zover de industriële capaciteit niet verwoest was, werd deze ontmanteld. West-Berlijn miste een achterland en Oost-Berlijn diende zich te richten naar de economische wensen van de Sovjetunie. Dank zij grote financiële hulp werd West-Berlijn weer een der grootste Westduitse industriesteden. Belangrijkste industrietak is de elektrotechnische industrie, gevolgd door machinebouw, confectie, chemie, voedingsmiddelen en grafische industrie. In Oost-Berlijn was de elektrotechnische industrie eveneens het belangrijkst.

Stadsbeeld en cultuur

Het oudste deel van Berlijn, de Altstadt, lag in Oost-Berlijn. Hier bevinden zich het voormalige regeringscentrum (Wilhelmsstrasse) en het financiële centrum (Leipziger Strasse en Friedrichsstrasse) en de beroemde boulevard Unter den Linden. West-Berlijn wordt doorsneden door een groot aantal brede en vaak kruisingsvrije wegen, rondom en gericht op het centrum. Heeft West-Berlijn tal van moderne gebouwen, Oost-Berlijn kende tot ca. 1965 de zg. stalinistische pronkstijl.

Berlijn is vanouds een wetenschappelijk centrum en heeft ook nu nog instellingen op wetenschappelijk gebied, universiteiten, bibliotheken en musea. Verder zijn er theaters, galeries en cabarets.

Geschiedenis

Volgens oorkonden werd Berlijn ca. 1230 gesticht. Het ontwikkelde zich als lid van de Hanze tot residentie van de Hohenzollerns en werd in de 17e en 18e eeuw belangrijk uitgebreid. In de 19e eeuw was Berlijn hoofdstad van Pruisen. Politiek belang bleek uit het Spartakus- oproer (1919) en de Kapp-Putsch (1920) en de centrumfunctie tijdens het Derde Rijk. Na WO II (zwaar verwoest) opgedeeld in vier sectoren (Frans, Brits, Amerikaans, Russisch). Spanningen leidden tot Russische blokkade (juni 1948-mei 1949), overwonnen via luchtbrug. Om de stroom vluchtelingen naar West-Berlijn in te dammen werd augustus 1961 door de DDR de Berlijnse Muur gebouwd. Na de politieke omwenteling van eind 1989 werd begonnen met de afbraak van de Muur.

Dank zij het burgemeesterschap (1957-66) van de sociaal-democraat Willy Brandt werd het contact tussen Oost en West beter.

Alhoewel onze oosterburen geografisch nog niet zo ingedeeld waren dan nu het geval is , enkele namen van vorsten en bondskanseliers die het Duitsland van nu naar 2000 leidden en bewust en onbewust het maakte , wat het nu is.

Frederik Willem

(de Grote Keurvorst; 1620-1688) Keurvorst van Brandenburg (1640-88), grondlegger van de Pruisische staat. Stelde een staand leger in bestaande uit een select gezelschap; officieren afkomstig uit adel (Junkers). Vorstendom in de loop van de regering uitgebreid met Achter-Pommeren, Kammin, Minden, Halberstadt, Maagdenburg en Kleef. Zijn soevereiniteit over het hertogdom Pruisen werd erkend. Bevorderde immigratie, o.a. van hugenoten. Opgevolgd door zoon Frederik III (Frederik I van Pruisen).

Frederik Willem I

(‘Soldatenkoning’; 1688-1740) Koning in Pruisen (1713-40), zoon van Frederik I. Verwierf Voor-Pommeren. Hervormde het leger en het bestuursapparaat, maakte civiele autoriteiten ondergeschikt aan militaire. Maakte de adel van zich afhankelijk door de grootgrondbezitters (Junkers) tot officieren te maken.

Frederik II de Grote van Pruisen

(1712-1786) Koning in Pruisen (1740-86), riep zichzelf in 1772 tot koning van Pruisen uit. Conflicten tijdens zijn jeugd met zijn vader Frederik Willem I leidden tot een mislukte ontsnappingspoging naar Engeland (1730). Ontnam Oostenrijk Silezië en Polen West-Pruisen, waardoor het koninkrijk een aaneengesloten geheel werd. Pruisen werd na de Zevenjarige Oorlog (1756-63) erkend als grote mogendheid. Versterkte het door zijn vader opgezette bestuursapparaat en het leger, startte codificatie van het recht, bevorderde de wetenschap en de cultuur.

 

Frederik Willem II

(1744-1797) Koning van Pruisen (1786), neef van Frederik II de Grote. Interventie in de Republiek der Nederlanden ten gunste van zijn zuster Wilhelmina leidde tot restauratie stadhouderlijke macht. Verbond zich met Oostenrijk onder invloed van de Franse Revolutie en nam deel aan de eerste coalitieoorlog (1792-97); voortijdige vrede met Frankrijk (1795) leidde door Poolse deling tot verwerving van Nieuw-Oost-Pruisen.

Duitse Bond

(1815-1866) Bond van 35 soevereine Duitse vorsten en 4 vrije Duitse steden, opgericht na de Napoleontische oorlogen als tegenwicht tegen Frankrijk. Tijdens het Wener Congres (1814-1815) werd tot de oprichting ervan besloten door de Europese mogendheden die een vervanging van het in 1806 opgeheven Heilige Roomse Rijk wilden. Doel was de soevereiniteit van de afzonderlijke Duitse staten te waarborgen en bij oorlog gezamenlijk op te treden. Tot halverwege de 19e eeuw had de Oostenrijkse kanselier Metternich (1773-1859) de leiding, na de liberale revolutie van 1848 streefde Pruisen naar machtsuitbreiding. In 1866 begon deze opkomende mogendheid een oorlog tegen Oostenrijk, waarna de Duitse Bond werd vervangen door een bond onder Pruisische leiding.

Wilhelm I (Duitse Rijk)

(eig. Wilhelm Friedrich Ludwig; 1797-1888), koning van Pruisen (1861-88) als opvolger van zijn broer Frederik Willem IV. Keizer van het Duitse Rijk (1871-88). Verzette zich tegen de door Bismarck noodzakelijk geachte oorlogen o.a. die tegen Oostenrijk (1866) en Frankrijk (1870). Opgevolgd door Frederik III.

Wilhelm II (Duitse Rijk)

(eig. Friedrich Wilhelm Viktor Albert; 1859-1941), koning van Pruisen en keizer van het Duitse Rijk (1888-1918) als opvolger van Frederik III. Het conflict met Bismarck leidde tot diens ontslag als kanselier (1890). Wilde voor alles een groot koloniaal rijk stichten en de vloot vergroten. Ondersteunde Oostenrijk waarna WO I uitbrak. Na tot aftreden gedwongen te zijn door het leger vluchtte Wilhelm naar Nederland; verbleef tot zijn dood in Doorn.

Weimarrepubliek

Duitse republiek, uitgeroepen in 1918, officieel ingesteld in 1919 en in 1933 verdwenen met het aan de macht komen van Hitler. De Weimarrepubliek, ontstaan uit een monsterverbond tussen rechtsnationalisten (het leger) en de socialisten, verloor in haar eerste bestaansjaren veel vertrouwen door revoluties van extreem links (Spartakistenopstand) en rechts (Kapp-putsch). Daarnaast leed de republiek onder een gigantische inflatie en kon zij haar financiële verplichtingen (herstelbetalingen als gevolg van de Eerste Wereldoorlog) niet nakomen. Na 1923 begon het economische herstel (m.n. beëindiging van de inflatie en verlichting van de herstelbetalingen), dat ook leidde tot politieke stabilisatie in het binnenland en opheffing van het internationale isolement van Duitsland. De economische crisis als gevolg van de beurskrach van New York (1929) was het hevigst in Duitsland en leidde al snel tot politiek extremisme (communisten tegenover nationaal-socialisten). In 1933 begon de nationaal-socialist Adolf Hitler (1889-1945), benoemd tot rijkskanselier, met de afbraak van de instabiele democratische instellingen van de Weimarrepubliek. In cultureel en intellectueel opzicht vormde de Weimarrepubliek een brandpunt van vernieuwing en cultureel activisme. Berlijn werd het centrum van de internationale artistieke en intellectuele avant- garde.

Regeringsvorm na de tweede wereldoorlog , onder goedkeuring van de geallieerden.

(Frankrijk,Engeland,Amerika en Rusland)

Na de Werungsreform in 1948 toen de RM een DM werd kon het toenmalige West-Duitsland weer aan zijn opbouw gaan denken en leren zonder dictatuur toch een land van bijzonder gewicht te kunnen worden. )

Bondsraad

(Bundesrat) In de Bondsrepubliek Duitsland de afvaardiging van de lid-staten (Länder); bestaat uit 41 leden met en 4 leden (uit West-Berlijn) zonder stemrecht. In Oostenrijk is de Bondsraad de Eerste Kamer, bestaande uit 58 leden, die de bondslanden vertegenwoordigen. In Zwitserland berust bij de Bondsraad de uitvoerende macht. De 7 leden worden voor een termijn van 4 jaar gekozen door de Bondsvergadering. Jaarlijks kiest de Bondsraad uit de raad een president en een vice-president.

Bondskanselier

(Bundeskanzler) Minister-president van de Bondsrepubliek Duitsland. Staat aan het hoofd van de federale regering. In de praktijk is hij leider van de grootste Bondsdagfractie. Formeel wordt hij door de Bondsdag benoemd op voordracht van de president.

Bondspresident

(Bundespräsident) Staatshoofd van bondsstaten: in de Bondsrepubliek Duitsland wordt hij voor een termijn van vijf jaar gekozen door de volksvertegenwoordiging. In Oostenrijk wordt hij voor een periode van zes jaar gekozen door alle kiesgerechtigde burgers. In Zwitserland tenslotte is hij de jaarlijks gekozen voorzitter van de Bondsraad.

Adenauer, Konrad

(1876-1967) Duits politicus. Voortvarend burgemeester van Keulen (1917-33). Adenauer had geen politieke functie tijdens het Derde Rijk en was in 1945 medeoprichter van de CDU. Als bondskanselier (1949-63) streefde Adenauer naar de hereniging van Duitsland en integratie van de Bondsrepubliek in West-Europa. In nauwe samenhang daarmee was hij voorstander van verzoening met aartsvijand Frankrijk. Verder achtte hij het noodzakelijk voor Duitsland dat het op den duur weer over een eigen leger zou beschikken en wilde hij volledige aansluiting bij het westelijke militaire blok, de NAVO. In de loop van de jaren vijftig wist Adenauer op alle drie punten successen te boeken: Duitsland trad in 1952 toe tot de EGKS, werd in 1955 lid van de NAVO en in 1956 werd met Frankrijk overeenstemming bereikt over het Saarland, waarna in 1963 het Frans-Duits Vriendschapsverdrag gesloten kon worden.

Erhard, Ludwig

(1897-1977) Westduits christendemocratisch politicus, minister van Economische Zaken (vanaf 1949). De economische bloei na WO II, het ‘Wirtschaftswunder’, wordt voor een belangrijk deel aan hem toegeschreven. Voorstander van een ‘sociale markteconomie’ met weinig staatsingrijpen; schafte distributie af en saneerde het geldstelsel. Als bondskanselier (1963) minder succesvol; trad na felle kritiek in 1966 af.

Wirtschaftswunder

(Lett: economisch wonder) Benaming voor de bijzonder hoge economische groei in de Bondsrepubliek Duitsland na de Tweede Wereldoorlog. Het Wirtschaftswunder wordt o.a. toegeschreven aan de Marshall-hulp en het ontbreken van overheidsingrijpen. Vluchtelingen uit Oost-Duitsland en gastarbeiders speelden een belangrijke rol bij de wederopbouw van het land.

Kiesinger, Kurt Georg

(1904-1988) Westduits politicus. Kiesinger studeerde filosofie, geschiedenis en rechten, en werkte van 1935 tot 1940 als advocaat. In 1933 lid van Hitlers SDAP geworden, aanvaardde hij in 1940 een functie op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Later werd hij ervan beschuldigd als verbindingsman met het ministerie van Propaganda van Joseph Goebbels gefungeerd te hebben. Na 18 maanden gevangenschap vestigde Kiesinger zich in 1948 als advocaat. In 1949 werd hij voor de CDU in de Bondsdag gekozen en in 1958 werd hij minister-president van Baden-Württemberg. Van 1966 tot 1969 leidde hij als bondskanselier de Grote Coalitie van CDU/CSU en SDP. Van 1967 tot 1971 was hij voorzitter van de CDU, tot 1980 was hij lid van de Bondsdag.

Brandt, Willy

(eig. Herbert Ernst Karl Frahm; 1913-1992) Duits politicus. Vanwege zijn socialistische opvattingen vluchtte Brandt in 1933 naar Noorwegen. Na de oorlog keerde hij terug en was hij van 1950-57 lid van de Bondsdag voor de SPD, van welke partij hij van 1964-87 voorzitter was. Tijdens zijn burgemeesterschap van West-Berlijn (1957-66) werd de Berlijnse Muur opgetrokken (1961). In 1966 werd hij minister van Buitenlandse Zaken in het kabinet-Kiesinger en in 1969 werd zelf bondskanselier.Dit bleef hij tot 1974.Hij streefde er vooral naar de ‘Duitse kwestie’ tot een oplossing te brengen en de betrekkingen met de Oosteuropese landen te normaliseren (de zgn. Ostpolitik). Hiervoor werd hem in 1971 de Nobelprijs voor de vrede toegekend. In 1974 zag hij zich gedwongen af te treden na de ontmaskering van zijn adviseur G. Guillaume als Oostduits spion. Als (ere)-voorzitter van de SPD, voorzitter van de Socialistische Internationale en voorzitter van de naar hem vernoemde internationale commissie ter bestudering van Noord-Zuidvraagstukken, bleef Brandt ook nadien politiek actief.

Schmidt, Helmut

(geb. 1918) Westduits politicus en econoom. Schmidt was lange tijd lid van de Bondsdag voor de SPD (1953-62; 1965-1987). Hij verkreeg bekendheid door zijn voortvarendheid als stadsbestuurder van Hamburg (1961-65) bij de watersnood van 1962. Hij was fractievoorzitter van de SPD (1967-69), minister van Defensie (1969-72) en van Financiën (1972-74) onder Brandt, die hij in 1974 als bondskanselier opvolgde toen Brandt moest aftreden n.a.v. de spionageaffaire Guillaume.Hij bleef bondskanselier tot 1982. Schmidt zette de ontspanningspolitiek (Ostpolitik) van Brandt voort en verwierf daarmee internationaal respect, een effect dat werd versterkt door zijn aanpak van de economische recessie in de Bondsrepubliek. Hij werd gezien als een van de invloedrijkste westerse leiders, die het initiatief nam tot het houden van economische topconferenties (G 7), uitstekende relaties onderhield met de Franse president Giscard d’Estaing. Sinds 1983 is hij hoofdredacteur van Die Zeit.

Kohl, Helmut

(geb. 1930) Westduits politicus, lid van de Christelijke Democratische Unie (CDU). Kohl studeerde geschiedenis en rechts- en staatswetenschappen. Hij was werkzaam in de chemische industrie en bij de omroep. Hij was lid van de Bondsraad en minister-president van Rheinland-Pfalz (1969-76). Van 1970 tot 1973 was Kohl vice-voorzitter van de CDU. In 1973 werd hij gekozen tot voorzitter. Van 1976 tot 1982 leidde hij de christen-democratische oppositie in de Bondsdag. In 1982 volgde hij de socialist Helmut Schmidt op als bondskanselier en werd hij leider van een coalitie van CDU, CSU en de liberale FDP. Ook na de hereniging van de beide Duitslanden (officieel vanaf 1993) bleef Kohl regeringsleider tot 1998 .

Gerhard Schröder

In 1998 gekozen tot Bundes kanzler, lid van de Socialistische Partei Deutchland,(SPD)