Groot-Brittannië
Officiële naam:
United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland (Verenigd Koninkrijk van
Groot-Brittannië en Noord-Ierland)
Oppervlakte:
242.429 km2
Inwoners:
58.091.000 (1994)
Staatsvorm:
parlementaire monarchie
Staatshoofd:
koningin Elizabeth II (sinds 1952)
Hoofdstad: Londen
Officiële taal:
Engels
Officiële munt:
pond sterling = 100 pence
Het Verenigd
Koninkrijk omvat het eiland Groot-Brittannië en het noordoostelijk deel van
Ierland. Samen met enkele kleinere vormen deze eilanden de Britse eilanden, die
van het Europese vasteland gescheiden zijn door het Kanaal en de Noordzee. Het
smalste deel van het Kanaal is
Tot het Verenigd
Koninkrijk behoren de eilandengroepen Orkney en de Shetlands, beide ten noorden
van Schotland, en de eilanden ten westen van Schotland, waaronder de Hebriden.
Het Verenigd
Koninkrijk maakt deel uit van het Britse Gemenebest, een orgaan waarbij de
meeste voormalige Britse koloniën zijn aangesloten. De Britse koningin is
tevens het hoofd van het Gemenebest.
Groot-Brittannië
Met Engeland
hebben we meerdere oorlogen gevoerd met wisselend succes. Het waren altijd
oorlogen over de heerschappy op de zee en of over onze
vroegere kolonies. Beiden waren we een zeevarende natie en hadden veel gelijke
trekken (much in common)
Het waren er
velen. 1ste Engelse Oorlog, 2e Engelse Oorlog enz. enz.
Het werd ons tijdens Wereldoorlog II onderwezen. Dat was vroeger
,nu wachtten we op onze bevrijders, die stonden aan onze kant. In het
verleden wisten ze niet wat ze deden. Nu is alles anders. Als
kind zag je alles simpeler, net als geloven. Je aanvaarde het maar nu
werd het beter.
De publiciteits
machine stond toen ook niet stil en veel onaangename dingen worden in Engeland
nog altijd omschreven in het taalgebruik als zaken die niet goed zijn en direct
in verband staan met onze vroegere politieke verschillen van mening.
Voorbeelden als:
Dutch disease
= inflatie , Going dutch = vreemd gaan. Dutch
comfort=schrale troost
Talking to one
like a dutch uncle = iemand behoorlijk de les lezen. Double dutch= koeterwaals
A dutch crossing = diagonaal een kruising van wegen oversteken.
Dutch concert
= een leven als een oordeel. Dutch gold = klatergoud
Toch hebben we
veel overeenkomsten. Dezelfde goede neus voor zaken doen. Dezelfde humor.
Dezelfde logistieke kennis. Allemaal voortkomend uit onze drang de wereld te
leren kennen en handel te drijven . In de afgelopen eeuw hebben we
meerdere keren een beroep op Engeland gedaan en daar een goede bondgenoot
gevonden. Oorlogen moeten in Europa en als het kan in de wereld alleen
om een conferentie tafel uitgevochten worden. Van een oorlog is op lange
termijn niemand beter geworden. En zijn er alleen maar verliezers aan welke
kant dan ook.Met andere woorden, er zijn alleen nog maar bad boys. Good boys
hopen we in het hiernamaals te treffen. Maar dan op een natuurlijke wijze.
Groot-Brittannië
Demografie
De bevolking werd
in 1994 geschat op 58 miljoen inwoners, van wie 83% in Engeland woonde, 5% in
Wales, 9% in Schotland en 2,8% (1,6 miljoen) in Noord-Ierland. De totale
bevolking steeg tussen 1980 en 1992 gemiddeld met 0,2% per jaar. In 1993
groeide de bevolking echter met 0,3%. De groei wordt veroorzaakt door de
natuurlijke aanwas en door het vestingsoverschot. Het geboortencijfer in 1993
was 14 per 1000 inwoners, het sterftecijfer 11 per 1000 en het migratiesaldo
0,2 per 1000 inwoners.
De
bevolkingsdichtheid was in 1993 239 inw./km2. Het
dichtstbevolkte deel is Engeland (in 1993 gemiddeld 371 inw./km2), waar zich de
meeste industriegebieden en de meeste steden bevinden. De bevolking is
ongelijkmatig over het land verdeeld, onder invloed van natuurlijke
omstandigheden en werkgelegenheid. De Pennines, de Schotse Hooglanden, het
westen van Noord-Ierland en grote delen van Wales zijn dunbevolkt. In deze
hoger gelegen delen van het land heeft het ongunstige klimaat een negatieve
invloed op vestiging. In 1993 had Schotland een dichtheid van 66 inw./km2. De aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen voor de
industrie heeft geleid tot de vorming van grote stedelijke industriële
concentraties in bepaalde gebieden. Aanvankelijk ging het daarbij om de vorming
van afzonderlijke steden, maar na verloop van tijd werden naburige centra
opgeslokt en agglomeraties gevormd. Dit werden op den duur enorme stedelijke
zones. Greater London (Groot-Londen) is het bekendste voorbeeld. De grote
stedelijke gebieden bevinden zich voornamelijk in het zuidoosten, doorlopend in
noordwestelijke richting via Birmingham naar Manchester en Liverpool. Afgezien
van Londen (6,9 miljoen inwoners) zijn de belangrijkste conurbaties die van
Zuidoost-Lancashire, die sinds 1974 Greater Manchester wordt genoemd (2,6
miljoen), de West Midlands rond Birmingham (2,6 miljoen), West Yorkshire rond
Leeds (2,1 miljoen), de Merseyside rond Liverpool (1,4 miljoen), South
Yorkshire rond Sheffield (1,3 miljoen) en Tyne and Wear rond Newcastle (1,1
miljoen). De Schotse hoofdstad Glascow telt 685.000 inwoners, Cardiff in Wales
295.000 en het Noordierse Belfast 289.000 inwoners.
De Industriële
Revolutie, die in de jaren 1770 begon, ging in de 19e eeuw gepaard
met een sterke demografische groei. Het verstedelijkingsproces startte in
Engeland eerder dan in andere delen van de wereld. Onder de westerse landen
behoort het Verenigd Koninkrijk tot de meest verstedelijkte: zo’n
90% van de bevolking woont in een stedelijk gebied. In Engeland is dit nog
hoger, in Schotland, Wales en Noord-Ierland iets lager.
Bevolkingsgroepen
De
Britse bevolking stamt af van oude volken die als veroveraars of kolonisten
naar de Britse eilanden kwamen: Kelten, Romeinen, Angelen, Saksen, Juten,
Noormannen en Normandiërs; in latere eeuwen hugenoten en Hollandse en Ierse immigranten.
In de 20e eeuw was er
een toevloed van joodse en andere vluchtelingen voor de naziterreur in de jaren
dertig en van Indiërs, Pakistanen en Westindiërs in de jaren vijftig en zestig.
Deze laatsten vormen nu ca. 3% van de totale bevolking.
Ondanks de
verscherping van de immigratiebepalingen kwamen er in 1992 ca. 216.000
immigranten het land binnen. Er bestaan spanningen tussen Britten en gekleurde
immigranten, die in de jaren tachtig op diverse plaatsen tot uitbarsting
kwamen.
Engels is de officiële
taal; door sommige mensen wordt nog een Keltische taal gesproken (Welsh in
Wales; Gaelic in Schotland en Noord-Ierland). Talrijke immigranten spreken
naast Engels hun moedertaal, maar sommigen spreken weinig of geen Engels, hetgeen aanpassingsmoeilijkheden oplevert.
Slechts een
minderheid van de bevolking is praktizerend lid van een kerkgenootschap. Het
staatshoofd is krachtens de wet hoofd van de Church of
England (anglicaanse Kerk). Ook Schotland heeft een officiële (nationale) Kerk.
Circa 47% van de totale bevolking is anglicaans dooplid, ruim 1% behoort tot de
(presbyteriaanse) Church of Scotland en ca. 16% is rooms-katholiek. Andere
(kerk)genootschappen zijn de methodisten (1,3%), baptisten, quakers en de
Pinkstergemeente. Joden en hindoes maken ieder ca. 1%
van de bevolking uit. Sterk groeiend is het aantal moslims,
die in 1992 2,6% van de bevolking uitmaakten.
Sociale
voorzieningen
De sociale
verzekeringen in Groot-Brittannië dateren van 1948. Zij voorzien in uitkeringen
bij ziekte en werkloosheid, weduwen- en ouderdomspensioen, uitkeringen bij
bevalling, kinderbijslag en bijstandsuitkeringen. Deze verzekeringen zijn
verplicht voor het merendeel van de beroepsbevolking; zowel werkgevers als
werknemers betalen als premie een percentage van het inkomen. De in 1979 aan
het bewind gekomen Conservatieve regering kondigde in het kader van haar
monetaire politiek kortingen aan op de sociale
uitkeringen. In 1986 leefden 10,2 miljoen Britten onder de armoedegrens.
Onderwijs
Ongeveer 99% van
de volwassen bevolking van het Verenigd Koninkrijk kan lezen en schrijven. Het
onderwijs is gratis en verplicht vanaf 5 tot (meestal) 16 jaar. Het openbaar
onderwijs begint op de lagere school; de leerlingen gaan normaliter op
elfjarige leeftijd over naar een middelbare school. Er zijn echter ook
middenscholen, waar kinderen tussen de 8 en 12 à 13 jaar onderwijs krijgen. De
meeste middelbare scholen zijn scholengemeenschappen, die de leerlingen opnemen
zonder toelatingsexamen. Voor gymnasia is een toelatingsexamen nog wel vereist.
Er zijn ca. 2600 particuliere scholen (met inbegrip van kostscholen),
waarvoor schoolgeld betaald moet worden, maar waarvan er vele studiebeurzen
toekennen. Hoger onderwijs kan gevolgd worden aan ongeveer 700 instellingen van
verschillende aard. Er zijn 47 universiteiten in Groot- Brittannië inclusief
een open universiteit, die via radio en televisie cursussen met schriftelijke
begeleiding geeft. Er zijn 39 technische hogescholen in Engeland en Wales, die
zich sinds 1993 universiteit mogen noemen. In het studiejaar 1991/1992 waren er
ruim 380.000 studenten aan universiteiten en 886.000 aan andere vormen van
hoger onderwijs.
Vanaf ca 1500 een
overzicht van regerende vorsten.
Hendrik VIII
(Engeland)
(1491-1547),
koning van Engeland (1509-47) en na de verovering ook van Ierland (1542).
Geleid door zijn adviseurs Thomas Wolsey en Thomas Cromwell werden een aantal
hervormingen doorgevoerd. Woede over de weigering van Clemens VII om zijn
eerste huwelijk (Catharina van Aragon) te ontbinden, leidde indirect tot de Act
of Supremacy (1534): instelling Engelse staatskerk (anglicaanse Kerk), los van
Rome met de koning aan het hoofd. De bezittingen van de Kerk werden
geconfisqueerd. Koos in de buitenlandse politiek vaak de kant van Karel V tegen
Frankrijk. Vermaard om zijn vele huwelijken (zes), vadsigheid
en onthoofdingen door hem bevolen (o.a. Thomas More en Anna Boleyn).
Opgevolgd door Edward VI.
Elizabeth I
Tudor
(1533-1603)
Koningin van Engeland (vanaf 1558), dochter van Hendrik VIII en Anna Boleyn.
Volgde haar katholieke halfzuster Mary op; bijnaam Virgin Queen om haar
ongehuwde staat. Streefde samen met haar adviseurs, o.a. William Cecil (Lord
Burghley), naar handhaving van de eenheid van het land door een politiek van
verzoening en tolerantie. Tijdperk van de eerste koloniale expansie en grote
bloei van de kunst. Elizabeth ging na lange aarzeling over tot terechtstelling
van de katholieke ex-koningin van Schotland, Mary Stuart (1587). Zij steunde de
Nederlanden tegen Spanje.
Jacobus I
(Engeland)
(1566-1625),
koning van Engeland (1603-25) als opvolger van zijn nicht Elizabeth I; als
Jacobus VI koning van Schotland (1567-1625) als opvolger van zijn afgezette
moeder Mary Stuart. Streefde naar absolutisme en trachtte de macht van het
parlement te ondermijnen. Vervolgde de katholieken (Gunpowder Plot) en de
dissenters en puriteinen (emigratie naar Amerika). Opgevolgd door Karel I.
Karel I
(Engeland)
(1600-1649),
koning van Engeland, Schotland en Ierland (1625-42), opvolger van Jacobus I uit
het huis Stuart. Ontbond tweemaal het parlement en regeerde van 1629 tot 1640
zonder parlement. Strijd tussen koning en parlement ontaardde in de Engelse
Burgeroorlog (1642-49), die Karel verloor van Cromwell. Terechtgesteld.
Karel II
(Engeland)
(1630-1685),
koning van Engeland, Schotland en Ierland (1660-85) na restauratie van het
koningschap; zoon van Karel I. Voerde twee oorlogen met de Republiek der
Nederlanden (1665-67; 1672-74). Sloot geheim verdrag met Lodewijk XIV (te
Dover, 1670), waarin Karel o.a. beloofde het katholicisme in Engeland te
bevorderen, maar moest uiteindelijk de Test Act (uitsluiting katholieken, 1673)
bekrachtigen. Opgevolgd door broer Jacobus II.
Jacobus II
(Engeland)
(1633-1701),
koning van Engeland (1685-88) als opvolger van zijn broer Karel II; als Jacobus
VII koning van Schotland. Gevangen genomen tijdens de Burgeroorlog (1642-49).
Als admiraal succesvol in de Engelse oorlogen tegen de Republiek der
Nederlanden. Openlijk katholiek; negeerde de Test Act (1673; benoemde wel
katholieken). Ten val gebracht door de Whigs in samenwerking met zijn
schoonzoon Willem III van de Republiek en zijn dochter Mary Stuart (Glorious
Revolution). Definitief verslagen bij de Boyne (1690).
Willem III
(Engeland)
(1650-1702),
koning van Engeland (1689-1702), stadhouder van vijf van de zeven provincies in
de Nederlanden (1672-1702) na beëindiging van het Eerste Stadhouderloze
Tijdperk. Als echtgenoot van Mary Stuart, de protestantse dochter van Jacobus
II, naar Engeland geroepen ter bestrijding van de katholieke Jacobus II. Tot
koning gekroond samen met zijn vrouw (tot 1695) na de Glorious Revolution en de
erkenning van de Bill of Rights (1689). Initiator van het verzet tegen Lodewijk
XIV; dit leidde tot de Negenjarige oorlog (1688-97) en de Spaanse
Successieoorlog. Opgevolgd door Anne, de zuster van Mary.
Willem IV
Hendrik
(1765-1837) Koning
van Groot-Brittannië, Ierland en Hannover (1830-37), opvolger van George IV.
Tijdens zijn regering kwam een groot aantal progressieve wetten tot stand door
de Whigs: Reform Bill (1832), afschaffing slavernij (1833), gemeentewet (1835).
Zijn verhouding met de Ierse actrice Dora Jordans van 1790-1811 deed veel stof
opwaaien (10 kinderen). Zijn wettig huwelijk bleef kinderloos. In Hannover
opgevolgd door Ernst August, in Groot- Brittannië door zijn nicht Victoria.
Victoria
Alexandrine
(1819-1901)
Koningin van Groot-Brittannië en Ierland (1837-1901), opvolgster van Willem IV,
keizerin van India (1877-1901). Sinds 1840 getrouwd met Albert van
Saksen-Coburg-Gotha (na zijn dood in 1861 lang rouwproces). Geliefd bij het
volk slaagde zij erin de monarchie te versterken. Haar zeer lange
regeringsperiode wordt naar haar het Victoriaanse tijdperk genoemd. Opgevolgd
door haar zoon Edward VII.
Victoriaanse
Tijdperk
Het Victoriaanse
Tijdperk is meer dan een aanduiding voor de lange en belangrijke regeerperiode
van de Britse koningin Victoria (1837-1901). De term duidt tevens op een
bepaalde (Victoriaanse) levensstijl, gedicteerd door de opgekomen ‘middle
class’ maar sterk beïnvloed door traditionalisme, kerkelijk reveil en
aristocratie. Als men het Engeland van die jaren vergelijkt met de andere
Europese landen, dan valt vooral op dat het er ontbrak aan gewelddadige
politieke omwentelingen. De golfslagen van 1830 en 1848 brachten in Engeland
wel lichte kabbelingen teweeg, maar de gevestigde orde bleef gehandhaafd. In
Frankrijk moest de ene vorst na de andere de wijk nemen. Ze zochten dan asiel
in Engeland, waar ze een vorstin aantroffen die er juist in slaagde de monarchie
op te vijzelen uit de put waarin die tijdens haar voorgangers geraakt was.
Veranderingen waren er echter genoeg, ook in politiek opzicht, maar die
voltrokken zich heel geleidelijk. Leden van de middenklasse en arbeiders
werkten samen om uitbreiding van het kiesrecht af te dwingen, maar de drie
Reform Bills (1832, 1867, 1884) brachten vooral kiesrecht voor de eersten. In
het parlement bleef de grondbezittende aristocratie, verdeeld in Whigs en
Tories, nog lang domineren. Aan het innemen van een zetel was immers geen
salaris verbonden, zodat middenklassers zonder familiekapitaal zich zo’n positie niet konden permitteren. Dat ze achter de
schermen toch grote invloed konden uitoefenen, blijkt onder meer uit het feit
dat het parlement in 1846 de korenwetten (Corn Laws) afschafte. Deze wetten,
die de prijzen van graan en dus van brood kunstmatig hoog hielden, waren een
doorn in het oog van industriëlen. Ook de arbeiders waren met de afschaffing
ingenomen, maar aan hen lieten de parlementariërs zich over het algemeen minder
gelegen liggen. Uitgangspunt voor het hele beleid was dat de regering zich zo
min mogelijk met het wel en wee van haar onderdanen moest bemoeien. Alleen in
uiterste noodzaak moest regulerend worden opgetreden. Het utilitarisme, de door
Jeremy Bentham en John Stuart Mill gehuldigde theorie volgens welke de staat
maatregelen moest nemen om zo veel mogelijk mensen zo gelukkig mogelijk te
maken, werd aanvankelijk door weinigen serieus
genomen. Sociale zorg, maar ook onderwijs, werd door de meesten gezien als taak
voor charitatieve instellingen en organisaties van de betrokkenen zelf (‘self
help’). In deze gangbare opvatting begon pas na 1870 verandering te komen. De
lagere klassen namen geen genoegen meer met het klassieke liberale
‘laissez-faire’ standpunt en parlementariërs van zowel de Liberal Party als de Conservative Party neigden ook zelf steeds meer
tot het invoeren van de sociale wetgeving die tot de 20e-eeuwse
verzorgingsstaat zou leiden. De Victoriaanse cultuur werd in hoge mate bepald
door de opkomende industriële middenklasse. De interieurs van huizen waren
druk, met veel bloemmotieven en andere versiersels, die vooral tot doel hadden
om te laten zien hoe rijk men was. Men had een voorkeur voor schilderijen en
romans met een moralistische inslag. De spreekwoordelijke Victoriaanse
preutsheid moet overigens met een korreltje zout worden genomen. In veel
gevallen was het slechts een laagje vernis, dat als dekmantel diende voor
allerlei seksuele avonturen. Victoria’s eigen zoon en opvolger, Edward VII
(1901-1910), was het wandelend voorbeeld van deze
dubbele moraal.
Edward VII
(Engeland)
(1841-1910; reg.
1901-10) koning van Groot-Brittannië en Ierland, keizer van India, huis
Saksen-Coburg. Reputatie als playboy. Tijdens zijn regering toenadering tot
Frankrijk (Entene Cordiale).
King Georg V
(Engeland)
(1865-1936) reg. van 1910 tot 1936
Koning van
Groot-Brittannië etc. etc. reg
Edward VIII
(Engeland)
(1894-1972; reg.
1936) koning van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, keizer van India, huis Windsor.
Moest aftreden vanwege zijn voorgenomen huwelijk met de tweemaal gescheiden
Amerikaanse Wallace Simpson. Ontving hierna titel van hertog van Windsor. In WO
II gouverneur van de Bahamas.
King George VI
(Engeland)
(1895-1952)
reg. van 1936 tot 1952.
Elizabeth II
(Engeland)
(Elizabeth
Alexandra Mary; geb. 1926) Huis Windsor, koningin van
Groot-Brittannië en Noord-Ierland sinds 1952, hoofd van het Gemenebest. Gehuwd
met Philip Mountbatten, hertog van Edinburgh (sinds 1947). Kinderen: Charles
(1948), Anne (1950), Andrew (1960) en Edward (1964).