Europa .

 

Het Europa  van nu, voortgekomen uit een verdeeld Europa voor de tweede wereld-oorlog en na de Benelux- de EEG, de EU van de zes van toen naar de steeds meer gelieerde europese staten.

en dan komen we via België en Nederland , die meenden zoveel te verschillen via  de Benelux, K.S.G, EEG, EU weer bij elkaar  in een  Europa waar we gaan samenwerken en samenleven . Waar oorlogen uitgepraat dienen te worden en niet van man tot man uitgevochten tot de dood er op volgt, want dat kent  alleen maar verliezers.

 

De Benelux

(Belgisch-Nederlands-Luxemburgse Unie)

 

Unie van België, Nederland en Luxemburg. Zij werd In 1944 in Londen opgericht met het doel de welvaart in de drie landen te bevorderen door nauwe samenwerking. In 1948 werd een begin gemaakt met de in het Benelux-verdrag van 1944 aangekondigde douane-unie. In 1958 werd de samenwerking uitgebreid in een Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, dat in 1960 in werking trad. Sinds 1953 werd al een gemeenschappelijke handelspolitiek gevoerd.

                 De Benelux:

kent geen supra-nationale instellingen. Het belangrijkste orgaan is het Comité van Ministers, bestaande uit 9 leden (drie ministers uit ieder land). De beslissingen moeten eenstemmig worden genomen en zijn bindend voor de drie regeringen. Het tweede orgaan is de Raadgevende Interparlementaire Raad, waarin afgevaardigden van de nationale parlementen zitting hebben. Deze heeft een adviserende taak. Het derde orgaan is de Raad van de Economische Unie, gevormd door hoge ambtenaren uit de drie landen.

Benelux Gerechtshof

Gerechtshof, gevestigd in Brussel, bestaande uit 9 rechters, drie uit de hoogste rechtscolleges van elk der Beneluxstaten. De belangrijkste taak van het Hof is het bewerkstelligen van een uniforme interpretatie van de gemeenschappelijke rechtsregels. Een tweede taak is het geven van advies (op verzoek) aan de drie regeringen. Tenslotte treedt het Hof ook op als ambtenarenrechter voor het personeel van de Benelux-instellingen.

EG-verdragen

Onder EG-verdragen worden verstaan de oprichtingsverdragen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) – het Verdrag van Parijs uit 1951 – en van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en Euratom – het Verdrag van Rome (eigenlijk twee verdragen) uit 1957 –, het Fusieverdrag uit 1967 en de Europese Akte uit 1987 waarin aanvullingen waren opgenomen, en het Verdrag van Maastricht uit 1992 betreffende de oprichting van de Europese Unie, waarin wederom wijzigingen van en aanvullingen op de oprichtingsverdragen zijn opgenomen.

Fusieverdrag

Verkorte naam voor het ‘Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie van de Europese Gemeenschappen’. Verdrag ter combinatie van de instellingen van de Europese Gemeenschap, van kracht geworden op 1 juli 1967. Sinds die datum hebben de drie Europese Gemeenschappen: de Europese Economische Gemeenschap (EEG), de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) en Euratom gemeenschappelijke instellingen en organen. Tezamen werden zij (ook) informeel de Europese Gemeenschap genoemd. Bij de fusie behield elke Gemeenschap haar eigen regels: in de EGKS geldt een aantal regels die in sterke mate afwijken van die in de EEG. Al eerder, met de inwerkingtreding van de oprichtingsverdragen van de EEG en Euratom (1 januari 1958), hadden de drie gemeenschappen één parlementaire vergadering (vanaf dat moment het Europees Parlement genaamd) en één Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gekregen. Daarnaast voorzag de overeenkomst in één Economisch en Sociaal Comité voor zowel EEG als Euratom. Voor EGKS-kwesties bleef er een apart comité bestaan, het Raadgevend Comité van de EGKS.

Europese Economische Gemeenschap

(EEG) Economische gemeenschap, opgericht bij het Verdrag van Rome van 25 maart 1957, van kracht sinds 1 januari 1958, waarvan lid zijn de Benelux-landen, Frankrijk, Duitsland en Italië. In 1973 sloten Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken zich aan bij de EEG, in 1981 gevolgd door Griekenland en in 1986 door Spanje en Portugal. Doelstelling van de EEG is te streven naar een gestadige en stabiele groei, verbetering van de levensstandaard en nauwere betrekkingen tussen de deelnemende landen. Dit moet bereikt worden door het instellen van één enkele, grote markt en een gemeenschappelijk beleid op een aantal gebieden. Daarna zou een volledige economische unie moeten volgen. Hoewel de eerste stadia doorlopen zijn, is van een economische unie nog geen sprake. Wel trad per 1 januari 1993 de interne markt in werking. Per 1 juli 1967 vormden de EEG samen met Euratom en de EGKS de Europese Gemeenschappen. In 1992 werd de EEG onderdeel van de Europese Unie en werd de naam EEG officieel veranderd in Europese Gemeenschap, als officiële benaming voor het streven naar volledige economische en monetaire integratie.

Europese Unie

(EU) Opgericht bij het Verdrag van Maastricht; in werking getreden op 1 november 1993 na ratificatie door de lidstaten van de Unie. De EU heeft 15 leden: België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland (1957); Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken (1973); Griekenland (1981); Spanje en Portugal (1986); Finland, Oostenrijk en Zweden (1995). De Europese Unie bestaat uit twee elementen, de Economische en Monetaire Unie (EMU) en de Europese Politieke Unie (EPU). De EMU omvat de reeds bestaande Europese Gemeenschappen, uitgebreid tot een muntunie. De EPU breidt de Europese samenwerking uit naar nieuwe beleidsterreinen: justitie en politie, en buitenlands en veiligheidsbeleid. De EU bestaat uit drie pijlers.

De eerste pijler bestaat uit de drie Europese Gemeenschappen EG, EGKS en Euratom en is gebaseerd op de gewijzigde en met de EMU uitgebreide Verdrag van Rome van de EEG en de EGKS- en EURATOM-verdragen, de tweede pijler omvat het buitenlands en veiligheidsbeleid, terwijl in de derde pijler het justitiële en politiebeleid is ondergebracht. Voor deze structuur is gekozen om zowel communautaire als intergouvernementele besluitvorming mogelijk te maken. In de eerste pijler wordt communautair beslist; Europese Commissie, Europees Parlement en Raad van Ministers hebben hier elk een rol te vervullen. In de tweede en derde pijler is de besluitvorming intergouvernementeel; daar ligt de besluitvorming voornamelijk in handen van de Ministerraad. In Maastricht is overeengekomen dat de Europese Unie in 1996 tijdens een Intergouvernementele Conferentie wordt geëvalueerd.

Economische en Monetaire Unie

(EMU) Economisch samenwerkingsverband tussen de lidstaten van de Europese Unie, dat uiteindelijk moet leiden tot een gemeenschappelijke munt en een vergaande coördinatie van de economische, monetaire en sociale politiek. Hoewel al in 1969 besloten werd tot de vorming van een economische en monetaire unie, kwam daar door de economische crisis in de jaren zeventig weinig van terecht. Pas in de tweede helft van de jaren tachtig, in het licht van de voltooiing van de interne markt, kwam de discussie weer op gang. In 1989 werd het rapport-Delors aanvaard dat voorzag in de totstandkoming van de EMU in drie fasen. De EMU werd opgenomen in het Verdrag van Maastricht (1992). Afgesproken werd over te gaan tot geleidelijke invoering en beheer van een gezamenlijke munt voor (een deel van) de EG-lidstaten uiterlijk 1999. Alleen die landen kunnen meedoen die voldoen aan zg. convergentiecriteria (lage inflatie, geen te groot overheidstekort, minstens twee jaar binnen de wisselkoers van het Europees Monetair Stelsel zijn gebleven - deze eis werd in 1993 voorlopig losgelaten - en een met andere vergelijkbaar rentepeil) als teken van de graad van hun economische ‘convergentie’ met de rest. De periode van totstandkoming van de EMU is verdeeld in drie stadia, in het derde waarvan de ecu de rol van sommige nationale valuta’s overneemt. Fase één liep van 1 januari 1990 tot 1 januari 1994, vooral gericht op de voltooiing van de interne markt (vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal). Op 1 januari 1994 werd het Europees Monetair Instituut (EMI) opgericht, als voorloper van de Europese Centrale Bank (ECB). Het EMI is gevestigd in Frankfurt. Tijdens de tweede fase (1 januari 1994 - 1 januari 1996) moeten alle nationale centrale banken politiek onafhankelijk worden en wordt er gekeken of de lidstaten voldoen aan de gestelde criteria. Ook moeten de landen hun economieën meer op elkaar afstemmen. De derde fase moet per 1 januari 1999 ingaan: ongeacht het aantal zouden  de lidstaten die op dat moment aan de eisen voldoen, aan de EMU met één gemeenschappelijke munt (de Euro)en een Europese Centrale Bank beginnen.

Europese Centrale Bank

(ECB; ook Eurofed genoemd) In het Verdrag van Maastricht (1992) beoogde, financiële instelling van de Europese Unie, in het kader van de te realiseren Economische en Monetaire Unie (EMU). Wanneer de derde fase van de EMU ingaat , zal het Europees Monetair Instituut (EMI) opgaan in de Europese Centrale Bank. Deze zal dan het dagelijks bestuur vormen van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB), bestaande uit de Europese Centrale Bank en de centrale banken van de lidstaten. De Europese Centrale Bank zal uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor het monetaire beleid van de Europese Unie. Is inmiddels in Frankfurt gevestigd onder leiding de uit Friesland afkomstige  Heer Drs. Willem Frederik Duisenberg. De EURO de nieuwe Europese munt werd  werd in  2000 in de toenmalige EU van 15 Europese staten ingevoerd. Later kwamen er nog 10 landen bij zodat we nu spreken van het Europa van de 25 staten.

Duisenberg, Willem Frederik

(geb. 1935) Nederlands econoom en politicus (PvdA). Duisenberg was staflid van het Internationale Monetair Fonds te Washington (1965-69) en hoogleraar macro-economie te Amsterdam (1970-73). Hij streefde als minister van Financiën (1973-77) naar verkleining van het financieringstekort en beheersing van de collectieve sector, waardoor hij regelmatig in conflict kwam met zijn partij. Hij was lid van de Tweede Kamer (januari-juni 1978), adviseur van de hoofddirectie van de Rabo-bank. Duisenberg is vanaf 1981 directeur van De Nederlandsche Bank. Inmiddels is hij door Trichet (Frankrijk) opgevolgd.

Europees volkslied

Van een Europees volkslied is nog geen sprake. Wel wordt de hymne Ode an die Freude uit het slotdeel van de negende symfonie van Beethoven (‘Alle Menschen werden Brüder’) bij plechtige EG-gelegenheden ten gehore gebracht.

.

 

Europa

Het werelddeel Europa is een onderdeel van het Eurazische continent en heeft een oppervlakte van bijna 10 miljoen km2. Zonder de landen van de voormalige Sovjetunie en Turkije (waarvan het grootse deel in Azië ligt) telt Europa 36 staten en een bevolking van ongeveer 498,4 miljoen (1992). Europa is economisch hoog ontwikkeld, maar is kwetsbaar door de geringe voorraden grondstoffen, vooral wat betreft de energievoorziening.

Geografie, fauna en fauna

 

Meer dan de helft van Europa bestaat uit laagland: het Russische laagland beslaat vrijwel geheel Europees Rusland en zet zich in het westen voort in de Noordeuropese laagvlakte, te onderscheiden in het Poolse laagland, Noordduits laagland, Benedenrijnse laagvlakte en het Franse laagland. Het tweede Europese landschap is het Zuid-Europese bergland, bestaande uit de Alpen, de Karpaten, de Balkan en de Apennijnen. Het Iberisch Schiereiland wordt door de Pyreneeën van de rest van Europa afgescheiden en bestaat voor het grootste deel uit een plateau, de Spaanse meseta. Het Scandinavisch schiereiland bestaat, evenals delen van Groot-Brittannië, uit een oud bergcomplex.

De invloed van de Atlantische Oceaan reikt tot ver op het vaste land, waardoor het grootste deel van West-Europa een gematigd zeeklimaat heeft. Meer naar het oosten gaat dit over in een landklimaat, hetgeen vooral tot uiting komt in de grote temperatuurverschillen tussen zomer en winter. Langs de Middellandse Zee bevindt zich een zone die zich kenmerkt door warme, droge zomers en koele, vochtige winters.

De boven de poolcircel gelegen Europese toendra heeft een arctische fauna en flora. De boomloze toendra herbergt rendieren, lemmingen, sneeuwhoenders, poolvossen, enz. De natuurlijke naaldwouden zijn beperkt tot Scandinavië, Rusland en Midden- Europa; er leven o.a. elanden, beren en lynxen. Oorspronkelijke loofwouden bevinden zich nog vnl. in Oost-Europa. Eiken- en berkenbossen, soms gemengd met beuken, komen voor in het westen van Europa. De Middeneuropese bossen herbergen edelherten, reeën, zwijnen en vossen. De Middellandse-Zeevegetatie bestaat uit altijdgroene loofbossen en de maquis: struiken met dikke, leerachtige bladeren en sterk geurende bloemsems. Verder groeien er citrusvruchten, vijgen, olijven en kurkeik. De Europese vogelwereld loopt uiteen van watervogels tot bijeneters en slangenarenden. Op de rots van Gibraltar leeft de enige in Europa voorkomende aap: de magot.

Bevolking en maatschappij

 

De bevolkingsspreiding van Europa is niet gelijkmatig; er komen grote verschillen in dichtheid voor. Grote delen van IJsland en Noorwegen zijn (vrijwel) onbewoond, terwijl hoofdstedelijke agglomeraties als Londen en Parijs meer dan 1000 inw./km2 hebben, evenals de Nederlandse Randstad en het Duitse Ruhrgebied.

Een typisch Westeuropees verschijnsel is dat van de gastarbeiders, vooral ontstaan in de jaren zestig. Om het tekort aan arbeiders (vooral in de minder aantrekkelijke beroepen) te verhelpen werden arbeidskrachten uit de landen rond de Middellandse Zee aangetrokken. Daarnaast werden de staten met een koloniaal verleden geconfronteerd met een stroom immigranten uit hun (vroegere) overzeese gebiedsdelen.

De talen die in Europa gesproken worden, behoren merendeels tot de Europese taalfamilie en zijn te verdelen in drie hoofdgroepen; de Germaanse, Romaanse en Baltoslavische talen. De Germaanse talen omvatten Engels, Nederlands, Duits, Fries en de Scandinavische talen. De Romaanse talen omvatten Frans, Spaans, Portugees, Italiaans en Roemeens. De Baltoslavische groep valt uiteen in Slavische talen (Russisch, Tsjechisch, Slovaaks, Sloveens, Bulgaars) en Baltische talen (Litouws en Lets). Verder behoren de Keltische talen van Bretagne, Ierland en Noord-Schotland tot de Indo-europese taalfamilie, evenals het Grieks en Albanees.

De grote Europese religieuze stromingen zijn het rooms-katholicisme, het protestantisme en de oosters-orthodoxe godsdiensten. Het rooms-katholicisme is vooral verbreid op het Iberisch Schiereiland, in Italië, België, Frankrijk, Ierland en Oost-Europa, het protestantisme in noordelijk en noordwestelijk Europa, Midden- Duitsland en Groot-Brittannië. De oosters-orthodoxe Kerken bevinden zich in Griekenland, de Balkan en Europese deel van de voormalige Sovjetunie.

Economie

 

De economische betekenis van Europa in de wereld is groter dan het aandeel van het werelddeel in het aardoppervlak en de wereldbevolking doet vermoeden. West-Europa heeft bijvoorbeeld ongeveer 20% van de totale aardolieraffinage capaciteit. Als industriële macht is West-Europa inmiddels voorbijgestreefd door m.n. de Verenigde Staten en Japan, dat zich na WO II tot economische wereldmacht heeft ontwikkeld. Door de verregaande integratie van de Europese landen in de Europese Unie wil Europa een economische machtsfactor van belang blijven.

Geschiedenis

Europa bleef in de prehistorie lange tijd in de schaduw van Afrika en Azië, pas in het Paleolithicum kwamen Westeuropese culturen naar voren. Tijdens het Mesolithicum verspreidde de mens zich over geheel Europa; hij leefde vnl. van jacht, visserij en verzamelen. Deze nomadische leefwijze werd in het Neolithicum meer en meer vervangen door sedentaire bestaansbronnen als landbouw en veeteelt, hetgeen leidde tot de eerste vaste nederzettingen. Karakteristiek voor de laatste fase van dit tijdperk zijn de grote stenen bouwwerken (hunnebedden, Stonehenge). Omstreeks 3000 v.C. ontwikkelde zich de koperbewerking in Zuidoost-Europa tot belangrijkste nijverheid. In de Bronstijd (2000- 800) nam niet alleen de Europese bevolking snel toe, maar ontstonden ook nieuwe culturen en werd over grote afstanden handel gedreven. De prehistorie werd afgesloten met de IJzertijd, de tijd van de grote Keltische culturen, waarna het Romeinse Rijk aan zijn opmars begon. Van het begin van onze jaartelling tot ca. 400 n.C. beheerste dit rijk vrijwel geheel West-Europa, van Noord-Nederland en Groot-Brittannië tot het huidige Israël. Het oostelijk deel bleef voortbestaan als het Byzantijnse Rijk, het westelijk deel viel uiteen in talloze rijkjes, waarin het Karolingische Rijk in de 9e eeuw pas enige samenhang bracht. Hieruit ontstonden het Westfrankische en Oostfrankische Rijk, waaruit resp. het koninkrijk Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk zouden voortkomen. De verschillende rijken hadden echter één ding gemeen: het rooms-katholieke geloof, dat op alle facetten van het middeleeuwse leven zijn stempel drukte. Dit zou duren tot de Reformatie (1517).

Nam de bevolking van Europa tot de 14e eeuw gestadig toe, hierin kwam de volgende eeuwen een ommekeer door hongersnoden, epidemieën en de talloze oorlogen, zowel dynastieke als godsdienstoorlogen.

Terwijl het Heilige Roomse Rijk in de 17e eeuw uiteenviel in talloze staten en staatjes, wisten de absoluut regerende Franse vorsten de eenheid te bewaren. Hoewel de Franse Revolutie een eind maakte aan dit absolute bewind, riep Napoleon zich korte tijd later uit tot keizer. Eind 19e eeuw had Duitsland zich o.l.v. Bismarck ontwikkeld tot economische en militaire macht. De grote machtsconcentraties die hieruit voortvloeiden, ontlaadden zich in de Eerste Wereldoorlog, waaruit Duitsland echter als grote verliezer te voorschijn kwam. Het financiële bankroet, de politieke instabiliteit en de crisis van de jaren twintig vormden een prima voedingsbodem voor het nationaal socialisme, dat via het Derde Rijk WO II ontketende. Toen de verschrikkingen hiervan voorbij waren, zag de kaart van Europa er heel anders uit: grote staten hadden gebied verloren en kleine staten gebied gewonnen. Bovendien leidde de geallieerde verdeeldheid tot een tweedeling van Europa in een westelijk deel (beïnvloed door de VS) en een oostelijk deel (beïnvloed door de SU). De gedachten aan een verenigd Europa (reeds in de 19e eeuw geuit) kregen gestalte in diverse samenwerkingsvormen, die uiteindelijk leidden tot de oprichting van de Europese Gemeenschap in 1958.

Eind jaren tachtig was er onder invloed van de hervormingen van het Russische staatshoofd Gorbatsjov sprake van een toenadering tussen de beide Europa’s. Mede door het uiteenvallen van de voormalige Sovjetunie kwam er aan het begin van de jaren negentig formeel een einde aan de strikte scheiding tussen het kapitalistische West-Europa en het communistische Oost-Europa.

En dit speelt zich allemaal af bij onze zuiderburen , in België , waar men net even anders algemeen beschaafd Nederlands praat dan bij ons. Waar veel EU zaken gevestigd zijn. Waar net als in de Middeleeuwen het kloppend hart van economisch Europa is gehuisvest. Maar men leeft Bougondischer, is bescheidener, is gediciplineerder, is beleefder. Staat open voor andermans ideëen  en kan goed luisteren. Spreken net als wij, nederlanders  vloeiend drie of meer vreemde talen en zijn inschikkelijk. En nu einde verhaal , anders gaan ze zich nog meer verbeelden dan den Ollanders, zoals wij allerwege als Nederlanders genoemd worden. Pourtant (vrij naar het frans) zijn er slecht twee provincies in Nederland waar de echte Hollanders wonen. Dit als gevolg van de handel die al eeuwen, nu en in het verleden, in Holland is geconcentreerd geweest. Tiens, zegt den Belg dan. M.a.w. daar kijk ik van op. !